
Oekraïense vluchtelingen kunnen door de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in de Europese Unie (EU) verblijven zonder asiel aan te vragen. Zij hebben recht op opvang en medische zorg en mogen werken. De periode waarin dat kan is verlengd tot en met 4 maart 2028.
Let op! Niet elke vluchteling uit de Oekraïne valt (nog) onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland. Kijk op de website van de IND wie wel en niet onder de Richtlijn valt.
De Raad van EU heeft ook een nieuwe voorwaarde aan de tijdelijke bescherming verbonden. Iedere nieuwe aanvrager moet aantonen dat hij/zij aan de militaire verplichtingen in Oekraïne heeft voldaan of een vrijstelling daarvoor heeft.
Let op! Oekraïense vluchtelingen die al onder de Richtlijn vielen, hoeven niet te voldoen aan deze nieuwe voorwaarde.

Als een debiteur je factuur niet (meteen) betaalt, mag je daar bij je btw-aangifte nog geen rekening mee houden. Je moet daarom gewoon de btw afdragen, ook als de factuur nog niet betaald is.
Is de factuur één jaar na de uiterste betaaldatum nog steeds niet betaald, dan gaat de wet ervan uit dat deze ook niet meer betaald gaat worden. Dit is ook het moment waarop je de afgedragen btw weer terug moet vragen.
Let op! Als al eerder dan na één jaar al vaststaat dat de factuur niet meer betaald gaat worden, moet je op dat moment de btw al terugvragen.
Je vraagt de btw terug door deze in rubriek 1a of 1b van de btw-aangifte af te trekken van de verschuldigd btw.
Let op! Vraag de btw op tijd terug. Als je wacht en later pas de btw terugvraagt, is dat een te laat verzoek. De Belastingdienst neemt dat verzoek in principe wel in behandeling. Maar als de Belastingdienst het verzoek niet conform afhandelt, kun je daar niet meer tegen in bezwaar of beroep.
Wordt de factuur alsnog betaald? Dan geef je de verschuldigde btw weer aan in het tijdvak waarin de factuur betaald is.

Als je een factuur niet (meteen) betaalt, mag je in eerst instantie toch de btw in aftrek brengen in de btw-aangifte van het tijdvak waarin je de factuur ontvangt.
Je kunt echter niet onbeperkt de factuur niet betalen. De Belastingdienst gaat er namelijk vanuit dat de factuur niet meer betaald wordt als er één jaar is verstreken na de uiterste betaaldatum van de factuur. Heb je op dat moment de factuur nog steeds niet betaald, dan moet je de in aftrek gebrachte btw weer terugbetalen aan de Belastingdienst.
Let op! Als al eerder dan na één jaar vaststaat dat je de factuur niet meer gaat betalen, moet je op dat moment al de btw terugbetalen aan de Belastingdienst.
Het terugbetalen van de btw doe je in je btw-aangifte. Je trekt daar de terug te betalen btw af van de aftrekbare btw in rubriek 5b.
Let op! Als je in dat tijdvak minder aftrekbare btw hebt, dan de btw die je moet terugbetalen, wordt rubriek 5b een negatief bedrag.
Betaal je de factuur daarna toch nog? Dan kun je in het tijdvak dat je de factuur betaalt, de btw weer in aftrek brengen.
Ken je een zelfstandig recht op een studietoelage toe aan een kind van je werknemer en betaal je deze studietoelage ook rechtstreeks aan het kind? Dan geniet het kind loon uit een bestaande dienstbetrekking van een ander, namelijk de dienstbetrekking van de ouder. Het kind wordt voor de belasting over de studietoelage dan werknemer van jouw bedrijf. Dit betekent dat ook de werkgeversverplichtingen gelden, zoals de identificatieplicht.
Let op!Tegenover deze administratieve lasten staat dat het vaak wel financieel aantrekkelijk is om de studietoelage aan het kind toe te kennen in plaats van aan de ouder. Het kind zal over het algemeen weinig inkomen hebben. Het kan dan waarschijnlijk gebruik maken van een lager progressief belastingtarief of het hoeft zelfs uiteindelijk helemaal geen belasting te betalen vanwege de heffingskortingen.
Voor scholingskosten geldt, onder voorwaarden, een gerichte vrijstelling. Deze vrijstelling is, naar het oordeel van de Belastingdienst, echter niet van toepassing op de hiervoor beschreven studietoelage. Dat betekent dat over de studietoelage loonbelasting moet worden afgedragen.
Let op! Het is ook niet mogelijk om de studietoelage aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (wkr).
Betreft het een eenmalige studietoelage, dan hoef je als werkgever hierover geen werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw) te betalen. Dit is anders als het een periodieke studietoelage is.
Je kunt de studietoelage ook aan je werknemer geven. In principe vormt dit dan loon voor je werknemer. Je kunt er echter ook voor kiezen om dit aan te wijzen in de vrije ruimte van de wkr. De gerichte vrijstelling voor scholingskosten is hier niet van toepassing.
Let op! Het aanwijzen van de studietoelage in de vrije ruimte kan alleen als dat gebruikelijk is.
Je kunt de studietoelage ook betalen uit een fonds. Als dit fonds voldoet aan alle voorwaarden die hiervoor gelden, dan vormt de studietoelage geen loon voor het kind en ook geen loon voor de werknemer.
Let op! Neem voor meer informatie over zo’n fonds contact op met onze adviseurs.
Voor het onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van een arbovoorziening aan een werknemer bestaat een gerichte vrijstelling. Als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden, kan dit onbelast zonder dat je vrije ruimte in de werkkostenregeling (wkr) wordt aangetast:
Een werkgever heeft aan de Belastingdienst gevraag of hij aan zijn werknemers onbelast een budget van € 500 mag geven voor de aanschaf van arbovoorzieningen voor de thuiswerkplek. De kosten van deze arbovoorzieningen mag de werknemer op declaratiebasis bij de werkgever indienen. De werknemer toont dus aan wat hij aanschaft ten laste van het budget van € 500.
De Belastingdienst heeft geantwoord dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing is als:
De kosten van een arbovoorziening moeten geheel door de werkgever gedragen worden. De werknemer mag dus geen eigen bijdrage betalen. Betaalt de werknemer wel een eigen bijdrage dan is de gerichte vrijstelling niet van toepassing. Een uitzondering geldt voor een eigen bijdrage die een werknemer betaalt omdat hij voor een luxere arbovoorziening wil kiezen dan noodzakelijk is. In zo’n geval geldt de gerichte vrijstelling wel, ondanks de eigen bijdrage.
Als de arbovoorzieningen die de werknemer declareert het budget van € 500 overschrijdt, kan het zijn dat de vergoeding voor een bepaalde arbovoorziening niet meer kostendekkend is. De werknemer betaalt dan als het ware een eigen bijdrage omdat hij niet de volledige kosten van de arbovoorziening vergoed krijgt. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen mag voor die voorziening dan niet worden toegepast.
Een werknemer schaft een bureaustoel (€ 300), een beeldscherm (€ 150) en een noise-cancelling koptelefoon (€ 100) aan. Deze voorzieningen voldoen aan alle voorwaarden. Alleen de vraag of de vergoeding kostendekkend en er geen eigen bijdrage betaald is, staat nog open. Hiervoor zijn drie scenario’s denkbaar:
Let op!De vraag of de voorziening direct samenhangt met de arboverplichtingen van de werkgever is niet voor elke voorziening meteen zonder meer duidelijk, maar afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg hierover met onze adviseurs
In beginsel is over het hele leasebedrag dat een leasemaatschappij in rekening brengt voor de lease van een auto, btw verschuldigd. Door een hele oude goedkeuring van 18 juli 1995 hoefde over de doorberekende mrb echter geen btw berekend te worden. Deze doorberekende mrb werd in die goedkeuring namelijk aangemerkt als quasi doorlopende post.
Het was de bedoeling dat de goedkeuring van 18 juli 1995 met een besluit van 25 januari 2007 werd ingetrokken. Vanaf dat moment had daarom btw berekend moeten worden over de doorberekende mrb. De goedkeuring van 18 juli 1995 is in de praktijk echter nog steeds toegepast, omdat het besluit van 25 januari 2007 niet helemaal helder was over de intrekking. De staatssecretaris heeft bij besluit van 2 juli 2026 ook bevestigd dat de goedkeuring daarom zijn werking heeft behouden.
Tegelijkertijd heeft de staatssecretaris echter aangekondigd dat de goedkeuring definitief per 1 januari 2027 eindigt. Vanaf dat moment moet ook over de doorberekende mrb btw berekend worden.
Let op! Lease je een auto en heb je geen (volledig) recht op aftrek van btw, omdat je bijvoorbeeld (deels) btw-vrijgestelde prestaties verricht? Dan betekent de intrekking van de goedkeuring voor jou waarschijnlijk dat je leasekosten stijgen. Als de leasemaatschappij namelijk vanaf 1 januari 2027 btw berekend over doorberekende mrb, dan kun jij die btw niet (geheel) in aftrek brengen.
In principle, the Tax and Customs Administration has eight weeks to process your VAT refund claim. If this takes longer, you are entitled to compensation for tax interest provided that the VAT refund relates to a previous year and 1 April has already passed.
Example
The Tax and Customs Administration receives your request for a VAT refund for the fourth quarter of 2025 on 20 January 2026. If you have not yet received a refund decision from the Tax and Customs Administration by 1 April 2026, you are entitled to compensation for tax interest from 1 April 2026.
The period over which tax interest is calculated begins on 1 April or eight weeks after receipt of your claim (if this is later than 1 April). The period runs until fourteen days after the date of the refund decision.
Continuation of example
If the Tax and Customs Administration issues a refund decision dated 15 June 2026, it must reimburse 5% tax interest for the period from 1 April 2026 up to and including 29 June 2026.
Has the Tax and Customs Administration wrongly rejected your VAT refund claim? If so, you must lodge an objection in good time, i.e. within six weeks of the date of the rejection notice. If the Tax and Customs Administration subsequently grants the VAT refund, you are also entitled to reimbursement of tax interest.
Please note! In response to enquiries on this matter, the Tax and Customs Administration has stated that there is no entitlement to reimbursement of tax interest if the original application for a VAT refund was submitted too late and/or if the appeal against the rejection notice was lodged too late.

De Belastingdienst heeft in principe acht weken de tijd om je verzoek om btw-teruggaaf af te handelen. Duurt dit langer, dan heb je recht op vergoeding van belastingrente als de btw-teruggaaf betrekking heeft op een voorgaand jaar én het al 1 april is geweest.
Voorbeeld
De Belastingdienst ontvangt je verzoek om btw-teruggaaf over het vierde kwartaal 2025 op 20 januari 2026. Als je op 1 april 2026 nog geen teruggaafbeschikking van de Belastingdienst ontvangen hebt, heb je vanaf 1 april 2026 recht op vergoeding van belastingrente.
Het tijdvak waarover de belastingrente berekend wordt, vangt aan op 1 april of acht weken na ontvangst van je verzoek (als dit later is dan 1 april). Het tijdvak loopt tot veertien dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking..
Vervolg voorbeeld
Als de Belastingdienst een teruggaafbeschikking afgeeft met dagtekening 15 juni 2026, dan moet de Belastingdienst 5% belastingrente vergoeden over de periode 1 april 2026 tot en met 29 juni 2026.
Wijst de Belastingdienst je verzoek om btw-teruggaaf ten onrechte af? Kom dan op tijd, dat wil zeggen binnen zes weken na de dagtekening van de afwijzende beschikking, in bezwaar. Als de Belastingdienst dan alsnog de btw-teruggaaf verleent, heb je ook recht op vergoeding van belastingrente.
Let op! De Belastingdienst heeft op vragen daarover laten weten dat geen recht bestaat op vergoeding van de belastingrente als het oorspronkelijk verzoek om btw-teruggaaf te laat is ingediend en/of als het bezwaar tegen de afwijzende beschikking te laat is ingediend.

Bij de koop van een woning is de koper in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het normale tarief bij verkrijging van een woning bedraagt op dit moment 8%. Wordt de woning door de koper na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan geldt een tarief van 2% of is, onder voorwaarde, een startertsvrijstelling van toepassing. Maar geldt er ook een termijn waarbinnen je de woning als hoofdverblijf moet gaan gebruiken?
Of er een termijn geldt voor het als hoofdverblijf gaan gebruiken, is voor een verbouwing van een woning besproken bij de totstandkoming van de wet. Ook in de rechtspraak is dit al enkele keren aan de orde geweest. Daarbij is geen termijn genoemd waarbinnen de verbouwing voltooid dient te zijn. In 96% van de gevallen wordt een woning namelijk binnen een jaar bewoond. Duurt een verbouwing langer, dan kan door de Belastingdienst gevraagd worden aannemelijk te maken dat je de woning toch anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken.
In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Nederland had een echtpaar een woning gekocht, maar gingen hier niet direct zelf in wonen. In plaats daarvan verhuurden ze de woning aan hun terminaal zieke dochter en haar twee kinderen. Ze gaven aan het appartement gekocht te hebben omdat ze zelf kleiner wilden gaan wonen. Ze zouden het gelijkvloerse appartement na het overlijden van hun dochter zelf gaan bewonen.
Voor de rechtbank stond de vraag centraal welk tarief overdrachtsbelasting van toepassing was. De ouders wezen erop dat het hun intentie was de woning op termijn zelf als hoofdverblijf te gaan gebruiken en bepleitten een tarief van 2%. Volgens de Belastingdienst was de woning echter aangekocht voor de dochter. De Belastingdienst vond dat het echtpaar daarom de woning na verkrijging niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf was gaan gebruiken. Het normale tarief van toen nog 10,4% (voor woningen is dat nu 8%, waarschijnlijk vanaf 2027 7%) was daarom van toepassing, aldus de Belastingdienst.
De rechtbank kwam echter tot de conclusie dat de woning was gekocht met de intentie deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Dat dit niet direct na aankoop gebeurde was volgens de rechtbank niet van belang, nu aannemelijk was dat de intentie aanwezig was en ook zou worden uitgevoerd na overlijden van de dochter.
De wet bevat ook geen fatale termijnen, waarbinnen de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt moet gaan worden, aldus de rechtbank.
De rechtbank achtte het ook niet aannemelijk dat de woning voor de dochter was gekocht, aangezien die er nog maar een korte periode in kon wonen. Vanwege de situatie van de dochter was de aankoop door het echtpaar vervroegd en het bewonen door henzelf slechts kort uitgesteld. Er diende dan ook uitgegaan te worden van een overdrachtsbelastingtarief van 2%.
Let op! De uitspraak van rechtbank Noord-Nederland betekent niet dat bij elk uitgesteld gebruik van bewoning, het 2% tarief van toepassing is. Dit is altijd afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Bovendien is nog niet bekend of er mogelijk hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Overleg daarom over uw eigen situatie met onze adviseurs.

Je bent een uitzendorganisatie die een uitzendkracht te werk stelt bij een onderneming. Die onderneming betaalt aan zijn werknemers een vaste kostenvergoeding. De onderneming heeft hierover overleg gevoerd met de Belastingdienst. Zij zijn samen tot de conclusie gekomen dat een deel van de vaste kostenvergoeding onder een gerichte vrijstelling valt en een deel is aan te merken als een vergoeding voor intermediaire kosten. Kortom, de vaste kostenvergoeding kan onbelast en raakt de vrije ruimte van de werkkostenregeling van de onderneming niet.
Je wilt de uitzendkracht dezelfde vaste kostenvergoeding geven als de werknemers van de onderneming krijgen waar de uitzendkracht te werk is gesteld. Kun je dan gebruik maken van de afspraak tussen de Belastingdienst en de onderneming? Ofwel mag je er van uit gaan dat de vaste kostenvergoeding aan de uitzendkracht ook onbelast is en jouw vrije ruimte van de werkkostenregeling niet raakt.
In principe kun je geen beroep doen op een afspraak tussen de Belastdienst en een andere partij. Voor deze situatie heeft de Belastingdienst echter aangegeven dat je de kostenvergoeding wel onbelast mag vergoeden aan de uitzendkracht als je aannemelijk maakt dat:
De uitzendkracht verkeert vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden als hij met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd. Bij gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden, vindt de Belastingdienst dat het aannemelijk is dat dit het geval is.
Let op! Een andere voorwaarde die de Belastingdienst stelt is dat je dezelfde voorwaarden stelt en dezelfde vergoedingen geeft volgens de afspraak die de onderneming heeft met de Belastingdienst. Je moet daarom ook beschikken over (een kopie van) de geldige afspraak tussen de Belastingdienst en de onderneming.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01