Van inlenen is sprake als personeel dat in dienst is bij een andere ondernemer in uw onderneming, onder uw leiding of toezicht, werkzaamheden verricht. De andere ondernemer kan een uitzendbureau zijn, maar ook een collega-ondernemer die zijn personeel (tijdelijk) aan u uitleent.
Blijft het personeel onder leiding en toezicht van de andere ondernemer, dan is er geen sprake van inlenen, maar kan wel aannemen van werk aan de orde zijn. U kunt dan niet als inlener aansprakelijk gesteld worden, maar mogelijk krijgt u wel te maken met de ketenaansprakelijkheid.

De inlenersaansprakelijkheid geldt voor loonheffingen en btw. In sommige gevallen moet de btw echter verplicht verlegd worden door de uitlener naar de inlener. De inlener draagt dan de btw af en kan deze tegelijkertijd als voorbelasting in aftrek brengen (voor zover de inlener belaste prestaties verricht).
De verplichte verleggingsregeling bij uitlening van personeel geldt bij fysieke werkzaamheden aan onroerende zaken of schepen in de sectoren bouw, scheepsbouw, schoonmaak en hoveniers.
Tip! Het is niet altijd eenvoudig of eenduidig vast te stellen of de verleggingsregeling van toepassing is. Bij twijfel kunt u altijd contact opnemen met een van onze adviseurs.
Let op! Past een uitlener de verplichte verleggingsregeling ten onrechte niet toe en berekent hij btw op uw factuur, dan kunt u deze btw niet als voorbelasting in aftrek brengen. Wees daarom alert wanneer de verleggingsregeling van toepassing is en verzoek uw uitlener om deze toe te passen.
Als inlener kunt u door de Belastingdienst aansprakelijk gesteld worden als de uitlener of doorlener de volgende belastingen en premies niet betaalt:
Als inlener of doorlener kunt u uw aansprakelijkheid beperken door een aantal maatregelen te treffen, zoals het aanvragen van een verklaring betalingsgedrag, het registreren van de juiste gegevens, het storten op een G-rekening eventueel in combinatie met het gebruikmaken van de disculpatiemogelijkheid voor gecertificeerde uitleners.
Een uitlener kan de Belastingdienst periodiek (bijvoorbeeld één keer per kwartaal) vragen te verklaren dat hij alle loonheffingen en btw heeft betaald. Deze verklaring geeft u als inlener een beeld van de risico’s die u loopt, maar geeft u geen vrijwaring.
Tip! Als de uitlener zijn zaakjes op orde heeft, ontvangt hij van de Belastingdienst een zogenaamde ‘schone verklaring’. Kan uw uitlener géén schone verklaring overleggen, dan is er waarschijnlijk iets aan de hand. Vraag uw uitlener dan naar de reden, zodat u (eventueel samen met ons, het risico beter kunt inschatten.
Het komt regelmatig voor dat de Belastingdienst de loonheffingen waarvoor u als inlener aansprakelijk wordt gesteld, heeft vastgesteld met het anoniementarief. De aansprakelijkheid voor het anoniementarief wordt verminderd indien u de identiteit van het ingeleende personeel en het loon per ingeleend personeelslid en per werk kunt aantonen. Ook moet u kunnen aantonen dat het ingeleende personeel over een geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt. U voldoet aan deze voorwaarden als u de volgende gegevens van elk ingeleend personeelslid registreert (onder meer aan de hand van het getoonde ID-bewijs):
Tip! Een voorbeeld vastlegging persoonsgegevens en een voorbeeld vastlegging gewerkte uren vindt u hier.
Let op! Het maken en hebben van een kopie-ID-bewijs is niet toegestaan, tenzij het gaat om een ingeleende kracht die inwoner is van een land buiten de EER en Zwitserland. In dat geval is het hebben van een kopie-ID-bewijs en een kopie van de werk- en verblijfsvergunning verplicht. Een kopie van dit identiteitsbewijs dient u bovendien tot vijf jaar na beëindiging van het werk te bewaren. Doet u dit niet, dan riskeert u een boete en toepassing anoniementarief.
Laat u een vreemdeling zonder vereiste tewerkstellingsvergunning werken, dan riskeert u vanaf februari 2025 een boete van maximaal € 11.250 per vreemdeling. Doet een overtreding zich vaker voor, dan kan dit bedrag verhoogd worden met 50, 100 of 200%. Bij het vermoeden van ernstige benadeling, dit is een combinatie van zaken zoals heel weinig loon, slapen op de werkplek, ingenomen bankpassen of reisdocumenten en dergelijke) kan de Arbeidsinspectie een bedrijf preventief stilleggen.
Een G-rekening is een geblokkeerde rekening van de uitlener of doorlener, waarop de Belastingdienst een voorrecht heeft. Beroepsmatige uitleners komen in aanmerking voor een dergelijke rekening.
U kunt uw aansprakelijkheid beperken door het deel van de factuur van uw uitlener dat bestemd loonheffingen en btw te storten op deze G-rekening. In de omschrijving bij uw storting vermeldt u het factuurnummer en eventuele andere identificatiegegevens van de factuur. Deze factuur moet aan de wettelijke eisen voldoen en het nummer of kenmerk van de overeenkomst, het tijdvak en de omschrijving of het kenmerk van het werk bevatten.
Daarnaast moet u zowel de betalingen als de hierboven genoemde te registreren gegevens – zoals de persoonlijke gegevens van het ingeleende personeel en de manurenregistratie – uit uw administratie kunnen halen en kunnen laten zien. Als u aan deze voorwaarden voldoet, wordt u als inlener voor het op de G-rekening gestorte bedrag niet meer aansprakelijk gesteld. U kunt nog wel aansprakelijk gesteld worden voor een eventueel restbedrag indien de loonheffingen en/of btw hoger zijn dan uw storting.
U kunt als inlener een beroep doen op de disculpatieregeling. Dit betekent dat u niet aansprakelijk gesteld wordt, ook niet als achteraf blijkt dat de uitlener te weinig loonheffingen of btw heeft afgedragen omdat dit niet aan u te wijten is. Of recht bestaat op disculpatie wordt op individuele basis bepaald, afhankelijk van de feiten. Denk bijvoorbeeld aan een faillissement van de uitlener door plotseling verslechterde economische omstandigheden of uitzonderlijk slechte weersomstandigheden.
Voor SNA-gecertificeerde bedrijven bestaat altijd een recht op disculpatie. U moet dan wel voldoen aan de volgende voorwaarden:
Een aantal grote beursgenoteerde uitzendondernemingen heeft zekerheid gesteld voor de betaling van hun loonheffingen en btw. Als u personeel inleent van een dergelijke uitzendonderneming, hoeft u voor vrijwaring niet de 25% van het factuurbedrag op de G-rekening te storten. De Belastingdienst geeft aan dergelijke uitzendondernemingen jaarlijks een verklaring af. Beschikt uw uitlener over een dergelijke (geldige) verklaring, kunt u de identiteit van de uitzendkrachten aantonen, heeft u bewijs dat de uitzendkracht in Nederland werkt en voldoet u aan de overige voorwaarden, dan kunt u het gehele factuurbedrag overmaken naar de uitzendonderneming en kunt u zich toch nog beroepen op de disculpatieregeling.
Het kabinet wil overigens toe naar een verplicht toelatingsstelsel. Het daartoe ingediende wetsvoorstel strekt tot het invoeren van een publiek toelatingsstelsel voor ondernemingen of rechtspersonen die arbeidskrachten ter beschikking stellen. Uitleners mogen vanaf inwerkingtreden van de wet alleen arbeidskrachten ter beschikking stellen, als zij daartoe door de minister van SZW zijn toegelaten. De wet zou per 2026 in werking treden, maar is uitgesteld.
Elke ondernemer die personeel uitleent, is verplicht dit te registreren bij de Kamer van Koophandel (KvK). Ondernemingen die bedrijfsmatig personeel uitlenen (bijvoorbeeld uitzendbureaus), moeten in hun bedrijfsactiviteiten ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’ aangeven. Ondernemers die niet-bedrijfsmatig personeel uitlenen (bijvoorbeeld een aannemer die tijdelijk personeel uitleent aan een collega-aannemer), hebben alleen een meldingsplicht bij de KvK. Controleer altijd, voordat u zaken gaat doen met een uitlener, of deze juist bij de KvK geregistreerd is. Via waadicheck.nl kunt u nagaan of met een geregistreerd uitzendbureau zaken wordt gedaan.
Let op! Leent u personeel in van een ondernemer die dit niet heeft geregistreerd bij de KvK, dan riskeert u een hoge boete die kan oplopen van minimaal € 8.000 (bij minder dan tien ingeleende werknemers) tot € 96.000 (derde overtreding bij dertig of meer ingeleende werknemers). Eenzelfde boete kan worden opgelegd aan de uitlener.
Bovenstaande geldt niet voor eenmansbedrijven: een zzp’er zonder eigen bv hoeft zich niet als uitzendonderneming te registreren bij de KvK. Leent u een dga in (die tezamen met zijn echtgenoot ten minste 90% van de aandelen in zijn bv bezit), dan is de boete voor zowel de bv als de inlener vooralsnog nihil.
Let op! Als uw uitlener bij de KvK juist is geregistreerd, levert dat nog geen vrijwaring voor de inlenersaansprakelijkheid op.
Tip! Is een uitzendbureau NEN-gecertificeerd, dan controleert de certificerende instelling of er een Waadi-registratie is. Controle door u is dan niet meer nodig.
De Wet aanpak schijnconstructies (WAS) gaat uitbuiting en onderbetaling van werknemers en oneerlijke concurrentie tegen. De WAS bevat onder meer de verplichte girale betaling van het minimumloon, de verplichte specificatie van kostenvergoedingen die onderdeel vormen van het loon en het verbod op inhoudingen en verrekeningen voor zover daarmee minder wordt uitbetaald dan het netto equivalent van het minimumloon. Daarnaast kan een ingeleende werknemer u (als inlener) hoofdelijk aansprakelijk stellen als de uitlener het verplichte minimum- of cao-loon niet (volledig) aan de werknemer betaalt.
Let op! Dit betreft een ketenaansprakelijkheid. Dit betekent dat de inleenkracht ook de opvolgende doorlener aansprakelijk kan stellen, net zo lang tot het eind van de keten bereikt is.
De rechter oordeelt of u als inlener aansprakelijk bent voor het betalen van het achterstallige loon. U kunt een aantal maatregelen nemen om het risico van aansprakelijkheidstelling te beperken. Zo is het verstandig te controleren of u met betrouwbare bedrijven samenwerkt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan controle van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en bij de Stichting Normering Arbeid (www.normeringarbeid.nl) en de tijdige betaling loonheffing (verklaring betalingsgedrag Belastingdienst). Beoordeel daarnaast of sprake is van een eerlijke prijs en zorg voor een goed contract met duidelijke afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden.
Leg de verplichting op om deze voorwaarden ook te laten gelden voor bedrijven verderop in de keten. Belangrijk is verder om actie te ondernemen wanneer u signalen krijgt dat de uitlener onderbetaalt. Doe onderzoek, spreek de uitlener aan en verbreek zo nodig de samenwerking.
Let op! De genomen maatregelen bieden geen vrijwaring, maar een rechter zal wel eerder geneigd zijn om u niet aansprakelijk te stellen. Blijf echter altijd alert en grijp in als u vermoedt dat de uitlener zijn werknemer(s) niet meer (volledig) betaalt.
De ketenaansprakelijkheid geldt alleen voor opdrachtgevers die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een particulier kan dus niet met deze ketenaansprakelijkheid te maken krijgen.
Payrollkrachten zijn werknemers die door of in opdracht van de inlener zijn uitgekozen en exclusief voor de inlener werken, maar in dienst zijn bij een derde (het payrollbedrijf). Voor payrollkrachten geldt per 2020 dat ze minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten krijgen als de eigen werknemers van de inlener. Het gaat daarbij om arbeidsvoorwaarden uit de cao, uit bedrijfseigen regelingen en de in de branche gebruikelijke arbeidsvoorwaarden. Per 2021 heeft de payrollkracht recht op een adequate pensioenregeling. Dit kan zijn de pensioenregeling van de inlener of een eigen, adequate regeling van de uitzender. Voldoet het payrollbedrijf hier niet aan, dan kan zowel de Arbeidsinspectie als de payrollkracht ingrijpen. In het gepubliceerde Besluit Adequate pensioenregeling payrollwerknemers dat vanaf 1 januari 2021 van kracht is, is neergelegd waaraan een dergelijke voorziening moet voldoen. De werkgever moet een pensioenvoorziening treffen met ouderdoms- en nabestaandenpensioen, zonder een wacht- of drempeltijd en met een werkgeversbijdrage van 15% van de pensioengrondslag (percentage 2025). Dit laatste percentage is gelijk aan de gemiddelde werkgeversbijdrage en de pensioengrondslag in Nederland en wordt jaarlijks aangepast.
Stelt een buitenlandse uitzendorganisatie uit de Europese Economische Ruimte of Zwitserland in Nederland uitzendkrachten ter beschikking? Dan geldt sinds 1 maart 2020 een digitale meldingsplicht voor dit uitzendbureau via postedworkers.nl. Deze melding is bedoeld om te voorkomen dat deze uitzendkrachten minder betaald krijgen dan in Nederland gebruikelijk is. Als inlener moet u de melding controleren en eventuele onjuistheden doorgeven. Voldoet het uitzendbureau of de inlener niet aan de hun toebedeelde verplichtingen? Dan loopt deze partij een boeterisico. Zowel de betrokken dienstverlener als de opdrachtgever in Nederland en eventuele intermediairs kunnen dus beboet worden. De hoogte van de boete is afhankelijk van de precieze overtreding en loopt exclusief verhoging uiteen van € 750 tot € 8.000 per overtreding. Op de site postedworkers.nl vindt u veel informatie over deze regeling.
De inlenersaansprakelijkheid kan grote financiële gevolgen hebben voor uw onderneming. In deze advieswijzer zijn we nader ingegaan op de mogelijkheden om uw aansprakelijkheid zo veel mogelijk te beperken. Neem voor meer informatie contact met ons op.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 dat de belastingrente die de Belastingdienst berekent over aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn veel bezwaarschriften tegen de belastingrente bij de Belastingdienst binnengekomen.
Om te zorgen voor een efficiënte en eenduidige afhandeling van deze bezwaarschriften heeft de staatssecretaris van Financiën (bij besluit van 7 februari 2025) de bezwaren tegen de vanaf 1 oktober 2020 in rekening gebrachte belastingrente voor de Vpb aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat de Belastingdienst nu nog geen uitspraak doet op deze bezwaren, maar deze aanhoudt.
De staatssecretaris heeft sprongcassatie - dit betekent dat het hoger beroep bij een gerechtshof wordt overgeslagen - tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland ingesteld. Na de uitspraak van de Hoge Raad doet de Belastingdienst één gezamenlijke collectieve uitspraak op alle bezwaren.
Voorwaarde om te vallen onder het massaal bezwaar is dat u tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening van de aanslag, bezwaar maakt tegen de belastingrente. U kunt nu dus niet achteroverleunen en de uitspraak van de Hoge Raad afwachten, maar u moet bij een aanslag met belastingrente wel in actie komen.
Let op! Maakte u bezwaar, maar deed de Belastingdienst al vóór 7 februari 2025 uitspraak op dit bezwaar? Dan valt u niet onder het massaal bezwaar. U moet dan in beroep bij de rechtbank om uw rechten veilig te stellen.
Zijn in uw bezwaar ook nog andere bezwaren opgenomen dan de belastingrente, dan doet de Belastingdienst op die andere bezwaren wel al een uitspraak. Wijst de Belastingdienst deze andere bezwaren (gedeeltelijk) af, dan kunt u in beroep bij de rechtbank.
De aanwijzing massaal bezwaar geldt ook voor bezwaren tegen in rekening gebrachte belastingrente voor de bronbelasting, de solidariteitsbijdrage, de minimumbelasting en het winstaandeel.
Let op! Voor belastingrente voor alle andere belastingen geldt de aanwijzing massaal bezwaar echter niet. Bezwaren tegen de belastingrente op bijvoorbeeld een aanslag inkomstenbelasting houdt de Belastingdienst dus niet aan.
Is op een voorlopige aanslag Vpb belastingrente berekend, dan geldt een andere werkwijze. Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag kunt u namelijk niet rechtstreeks in bezwaar. U moet eerst een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag indienen. De Belastingdienst wijst dit verzoek dan af en daartegen kunt u in bezwaar. Als dit bezwaar tijdig is gedaan, valt dit in de massaalbezwaarprocedure.
Let op! U kunt niet volstaan met alleen een bezwaar tegen de definitieve aanslag waarmee de voorlopige aanslag verrekend wordt. Als u dat doet, loopt de belastingrente die berekend is op de voorlopige aanslag namelijk niet in het bezwaar mee. U moet dus altijd ook een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag doen en tegen de afwijzing daarvan bezwaar maken.
Neem voor meer informatie over de massaalbezwaarprocedure en wat aansluiting daarbij voor uw situatie betekent, contact op met onze adviseurs. Zij kunnen samen met u bespreken wat in uw situatie raadzaam is.
De percentages worden in principe berekend over de cataloguswaarde. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in auto’s mét en auto’s zonder CO2-uitstoot, auto’s met een datum van eerste toelating van vóór 2017 en op of na 1 januari 2017 en tussen auto’s waarbij de datum van eerste toelating afwijkt van de datum van eerste tenaamstelling.
Voor auto’s met CO2-uitstoot is het van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 is. Is dit op of na 1 januari 2017, dan bedraagt de bijtelling 22% van de cataloguswaarde. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 25%, tenzij de auto ouder is dan 15 jaar. Dan is de bijtelling 35% van de waarde in het economisch verkeer en dus niet van de cataloguswaarde.
Voor auto’s zonder CO2-uitstoot is allereerst van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 ligt. Is dit op of na 1 januari 2017, dan is de datum van eerste toelating bepalend voor de korting op de standaardbijtelling. Afhankelijk van het jaar van eerste toelating varieert de korting van 5 tot 14%. De bijtelling varieert dus van 8 tot 17%. Daarnaast is de datum van eerste toelating bepalend voor het deel van de cataloguswaarde waarvoor de korting geldt (cap). Dit varieert van € 30.000 tot € 45.000. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen geldt de korting over de hele cataloguswaarde.
Indien een auto gebruik kan maken van een korting op de standaardbijtelling, dan geldt die korting gedurende de maand van eerste toelating + 60 volle maanden. Na afloop van die periode wordt de eventuele korting opnieuw vastgesteld op basis van de dan geldende regelgeving. Vervolgens verandert de bijtelling ook als de wet wijzigt.
Bij auto’s zonder CO2-uitstoot met een datum van eerste toelating van vóór 2017, is de datum van de eerste tenaamstelling bepalend voor de korting. Die kan namelijk anders zijn dan de datum van eerste toelating.
Let op! De datum van eerste toelating is de datum waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen in Nederland of daarbuiten. Bij nieuwe auto’s is dit het moment waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven. Bij import van een gebruikte auto kan dit dus anders zijn.
Overigens zijn de forfaitaire bijtellingspercentages altijd minimumpercentages. Bij excessief privégebruik heeft de Belastingdienst altijd de mogelijkheid een hogere bijtelling te rekenen. De bewijslast ligt daarvoor evenwel bij de Belastingdienst.
Algemeen bijtellingspercentage privégebruik auto
| Percentage | |
| datum 1e toelating op of na 1 januari 2017 | 22% |
| datum 1e toelating vóór 1 januari 2017 | 25% |
| auto’s ouder dan 15 jaar | 35% |
Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating op of na 1 januari 2017
| Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap | Cap | Korting |
| datum 1e toelating 2025 | € 30.000 | 5% |
| datum 1e toelating 2024 en 2023 | € 30.000 | 6% |
| datum 1e toelating 2022 | € 35.000 | 6% |
| datum 1e toelating 2021 | € 40.000 | 10% |
| datum 1e toelating 2020, na afloop van de 60-maandentermijn | € 30.000 | 5% |
| datum 1e toelating 2020, binnen de 60-maandentermijn | € 45.000 | 14% |
| datum 1e toelating 2019, 2018 en 2017 | € 30.000 | 5% |
| Voor waterstof- en zonnecelauto's geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag. |
Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
| Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap, afhankelijk van de datum 1e tenaamstelling |
Cap | Korting |
| datum 1e tenaamstelling 2025 | € 30.000 | 5% |
| datum 1e tenaamstelling 2024 en 2023 | € 30.000 | 6% |
| datum 1e tenaamstelling 2022 | € 35.000 | 6% |
| datum 1e tenaamstelling 2021 | € 40.000 | 10% |
| datum 1e tenaamstelling 2020, na afloop van de 60-maandentermijn | € 30.000 | 5% |
| datum 1e tenaamstelling 2020, binnen de 60-maandentermijn | € 45.000 | 14% |
| datum 1e tenaamstelling vóór 2020 | € 30.000 | 5% |
| Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag. |
De TVL was een tegemoetkoming in de vaste lasten die een bedrijf tijdens de coronacrisis maakte. Zo was er in die periode soms sprake van een verplichte sluiting, zodat de vaste lasten moeilijker via de omzet gedekt konden worden. De omvang van de TVL was afhankelijk van het omzetverlies en van het percentage vaste lasten binnen de bedrijfstak.
De discussie rond de terug te betalen TVL-subsidie ontstond nadat binnen de hotelketen een bedrijfsovername had plaatsgevonden. Daarbij was aan het overgenomen bedrijf TVL verstrekt, waardoor het maximum aan TVL dat voor concerns gold, werd overschreden. Dit werd later teruggevorderd.
In bovengenoemde zaak die voorlag voor het CBb stond een aantal zaken ter discussie. Een van de zaken die aan de orde kwam was welk moment voor het recht op TVL beslissend is. Uit de uitspraak blijkt dit het moment van subsidieverlening en -vaststelling te zijn. Daarmee verwerpt het CBb de opvatting dat de periode van subsidieverlening bepalend moet zijn.
Op grond van bovenstaand uitgangspunt was aan de hotelketen ruim € 774.000 te veel TVL verstrekt. Dit betekende echter niet dat de TVL van het overnemende concern verlaagd mocht worden met de aan het overgenomen bedrijf verstrekte TVL, zoals gebeurd was. Dit kan namelijk slechts op een beperkt aantal wettelijke gronden waarvan in deze zaak geen sprake was. Het CBb stelde het concern op dit punt dan ook in het gelijk.
Het CBb is de hoogste rechterlijke instantie in dit soort zaken, wat betekent dat de uitspraak definitief is.

In het Belastingplan 2025 was het voornemen opgenomen het lage btw-tarief van 9% voor genoemde sectoren per 2026 te verhogen naar 21%. Onder druk van de Tweede Kamer is toegezegd de verhoging niet door te laten gaan en hiervoor naar alternatieve dekking te zoeken.
Het kabinet stelt nu drie alternatieven voor. Deze voorstellen zijn:
Er bestaat voor een aantal specifieke goederen en diensten momenteel een verlaagd btw-tarief. Dit varieert van schilderwerkzaamheden tot de toegang tot bioscopen. Dit btw-tarief zou voor deze goederen en diensten kunnen worden verhoogd van 9 naar 21%. Het kabinet geeft per onderdeel aan wat het budgettaire belang is.
Een ander alternatief is een algehele verhoging van het lage btw-tarief, het hoge btw-tarief, of beide. Het kabinet geeft aan dat een verhoging van het lage btw-tarief een stap is in de richting van één uniform btw-tarief. Een nadeel van de verhoging van het lage btw-tarief is wel dat hierdoor de dagelijkse boodschappen in prijs zullen stijgen.
Een verhoging van het hoge btw-tarief is in een motie al afgewezen door de Tweede Kamer.
Een derde alternatief is een eerste stap te zetten naar één uniform btw-tarief. Het kabinet acht de stap om in één keer over te gaan naar één middentarief te groot. Wel zouden goederen en diensten, behalve voedingsmiddelen, tijdelijk kunnen worden overgebracht naar een nieuw middentarief. Echter is het opzetten van een nieuw tijdelijk middentarief uitvoeringstechnisch pas vanaf 2027 mogelijk.
Let op! De bovengenoemde alternatieven zullen allereerst worden besproken in de Tweede Kamer.
Let op! De regels over de bewijslastverdeling veranderen niet door de nieuwe regels. Het nieuwe bewijsrecht is van toepassing op civiele procedures die na 1 januari 2025 worden gestart.

Door de nieuwe regels is het makkelijker om informatie te krijgen van een partij, voorafgaand aan of tijdens een procedure.
Via de rechter kun je vanaf nu met één verzoek vragen om verschillende manieren om aan bewijs te komen. Je kunt bijvoorbeeld de rechter tegelijkertijd vragen om een getuigenverhoor, een onderzoek/verslag van een deskundige of inzage in informatie die een ander heeft.
De regels over recht op inzage in stukken bij een andere partij zijn duidelijker geworden. Bovendien zijn deze regels ook gaan gelden voor computerbestanden en andere digitale gegevens. Ook is het nu mogelijk om inzage te verkrijgen in relevante gegevens die in beheer zijn bij een derde die geen partij is in het geschil.
De rechter heeft de mogelijkheid gekregen om actief met partijen te spreken over de door hen aangevoerde feiten. Dit helpt voorkomen dat zaken onderbelicht worden of onjuist geïnterpreteerd worden.
Ook staat nu in de wet dat bewijsbeslag door de deurwaarder mogelijk is. Dit is een manier om bewijsmateriaal veilig te stellen via het leggen van beslag door een deurwaarder. Dit was eerder ook al mogelijk op basis van rechtspraak. Daarnaast is ook opgenomen in de wet dat je de deurwaarder een proces-verbaal van constatering kunt laten opstellen. De deurwaarder schrijft dan een bepaalde feitelijke toestand op in een officieel proces-verbaal. Dit levert dwingend bewijs op in een procedure. Dit gebeurde in de praktijk al regelmatig.

Met name bij arbeidsmigranten komt het veel voor dat werkgevers voor de huisvesting zorgen en daarvoor een bedrag inhouden op het loon van de werknemer. Bij een minimumloon mag die inhouding nu maximaal 25% van dat loon zijn. Het gaat hierbij om maximaal 25% van het aantal arbeidsuren dat de werknemer werkt maal het minimumuurloon.
Het kabinet meent dat deze inhouding een verdienmodel in de hand kan werken en kan leiden tot uitbuiting van arbeidsmigranten. Om die reden wil het kabinet de regeling afschaffen.
De regeling wordt niet in een keer afgeschaft, maar afgebouwd met 5% per jaar. In 2026 mag een werkgever dan nog maximaal 20% van het minimumloon inhouden, in 2027 maximaal 15%, in 2028 maximaal 10% en in 2029 maximaal 5%. Vanaf 2030 is het dan verboden op kosten van huisvesting in te houden op het minimumloon.
Tip! Het is niet zo dat een werkgever geen huisvesting meer mag verzorgen voor de werknemer. Het kabinet vindt het juist belangrijk dat werkgevers hun verantwoordelijkheid blijven nemen voor huisvesting van hun werknemers. Werkgevers kunnen straks hun werknemers bijvoorbeeld een huurcontract bieden, waarbij de werknemer zelf de betaling doet.
Het afbouwen en afschaffen van de regeling is onderdeel van maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Het kabinet werkt verder ook aan verbetering van de huurbescherming- en huurprijsbescherming voor arbeidsmigranten, de aanpak van misstanden bij de huisvesting, meer woningaanbod en versterking van het toezicht en de handhaving op huisvesting.
In 2025 wordt bij beleggingen en overige bezittingen uitgegaan van een verondersteld rendement van 5,88%. Dit rendement wordt belast tegen een tarief van 36%.
In een rechtszaak bij de rechtbank Den Haag ging het om een belastingplichtige die handelde in cryptovaluta. De Belastingdienst ontdekte op een bepaald moment dat de belastingplichtige beschikte over een buitenlandse bankrekening. Hieruit bleek dat zo’n € 350.000 aan hem was overgemaakt, afkomstig van een rekening die toebehoorde aan een online platform voor handel in cryptovaluta.
De hierop volgende correspondentie tussen de advocaten van belastingplichtige en de Belastingdienst bood weinig duidelijkheid over de omvang van het vermogen in cryptovaluta dat bij belastingplichtige in bezit was en in bezit was geweest. De Belastingdienst ging op een gegeven moment dan ook over tot het opleggen van een informatiebeschikking.
Met een informatiebeschikking kan de Belastingdienst eisen dat u hen alle informatie verstrekt die voor het opleggen van uw aanslag van belang kan zijn. Belanghebbende ging niet tegen de informatiebeschikking in bezwaar, maar verstrekte desondanks nog steeds niet alle gevraagde informatie.
Als na een informatiebeschikking de gevraagde informatie niet of onvoldoende wordt geleverd, kan de Belastingdienst een aanslag opleggen waarbij de bewijslast wordt omgedraaid. Dit betekent dat de belastingplichtige dan dient te bewijzen dat de opgelegde aanslag te hoog is. Zonder over de alle juiste informatie te beschikken en deze informatie te kunnen overleggen, is het voor de belastingplichtige vrijwel onmogelijk te bewijzen.
De Belastingdienst gooide het in bovengenoemde procedure echter over een andere boeg. In plaats van het opleggen van een aanslag, startte de Belastingdienst een rechtszaak waarbij van de belastingplichtige werd geëist om volledig openheid van zaken te geven. Kennelijk om hem hiermee een laatste kans te geven alsnog aan zijn informatieplicht te voldoen en om te voorkomen dat een te hoge schatting van het inkomen in box 3 door de rechter zou worden afgewezen.
De rechter stelde de Belastingdienst in deze zaak volledig in het gelijk. Hoewel de handel van belastingplichtige betrekking had op duizenden transacties per jaar, was dit voor de rechtbank geen excuus om niet aan de gevraagde informatieplicht te kunnen voldoen. In dat geval dient belastingplichtige een deskundige in te huren om de gevraagde informatie boven water te krijgen, aldus de rechtbank.
Hiervoor kreeg de belastingplichtige nog twee weken de tijd. Zou hij niet aan deze eis voldoen, dan volgde een dwangsom van € 2.500 per dag met een maximum van € 1.500.000.

Of u een aangifte schenkbelasting moet indienen is afhankelijk van uw relatie tot de schenker en de hoogte van de schenking.
Bij een grote schenking van uw ouder(s) kunt u, als u aan de voorwaarden voldoet, eenmalig een beroep doen op de eenmalig verhoogde vrijstelling. De eenmalig verhoogde vrijstelling voor een schenking van een ouder aan een kind bedroeg in 2024 € 31.813 voor vrije besteding en € 66.268 voor besteding aan een dure studie. Doet u een beroep op deze vrijstelling, dan moet u ook een aangifte schenkbelasting indienen.
Let op! Dit is ook het geval als u door de toepassing van de vrijstelling geen schenkbelasting hoeft te betalen.
De aangifte schenkbelasting 2024 moet vóór 1 maart 2025 door de Belastingdienst ontvangen zijn. U doet de aangifte digitaal op mijn.belastingdienst.nl (hiervoor heeft u DigiD nodig) of op papier.
Tip! Als dat niet op tijd lukt om aangifte schenkbelasting te doen, dan kunt u ook uitstel aanvragen. U krijgt dan vijf maanden uitstel voor het indienen van de aangifte.
Heeft u hulp nodig bij het indienen van uw aangifte schenkbelasting, neem dan contact op met een van onze adviseurs.
In een zaak die voorlag bij het Hof Amsterdam had een gemeente aanslagen OZB opgelegd. De aanslagen voor niet-woningen waren daarbij verhoogd met een opslag ter financiering van de kosten van een ondernemersfonds.
De gemeente had ervoor gekozen om bepaalde groepen ondernemers de mogelijkheid te bieden deze opslag terug te vragen. De optie was met name bedoeld voor ondernemers die niet met het ondernemersfonds mee wilden doen, omdat ze er naar hun mening geen profijt van zouden hebben.
Hoewel de teruggave van de opslag werd uitgevoerd door een derde partij, was er volgens het Hof toch sprake van een tariefdifferentiatie die verder ging dan wettelijk is toegestaan. Zo mag bijvoorbeeld wel voor woningen een ander tarief worden gehanteerd en mag voor niet-woningen voor eigenaren een ander tarief worden gehanteerd dan voor huurders.
Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat de gemeentelijke verordening deels onverbindend is. Dit betekent dat de OZB-aanslag bij de procederende ondernemer met de opslag werd verminderd.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01