Procedure teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen
Je kunt de buitenlandse btw terugvragen via de speciale teruggaafprocedure buitenlandse btw. Daarvoor moet je de volgende stappen doorlopen:
Let op! Moet je in een ander EU-land btw afdragen en daarom btw-aangifte doen? Dan vraag je de in rekening gebrachte btw van dit EU-land terug in die btw-aangifte. Je gebruikt dan niet voorgaande procedure.

Voor het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen gelden per EU-land verschillende regels. Bijvoorbeeld voor de taal waarin je het verzoek moet doen en welke facturen je moet bijvoegen.
Tip! Op de website van de Belastingdienst kun je de vereisten per EU-land downloaden.
Voordat de buitenlandse Belastingdienst de buitenlandse btw terugbetaalt, controleert die Belastingdienst of je op grond van de buitenlandse btw-regels recht hebt op aftrek van voorbelasting. Heeft je leverancier uit een ander EU-land bijvoorbeeld btw in rekening gebracht, terwijl de verleggingsregeling van toepassing is? Dan heeft je leverancier ten onrechte btw op de factuur vermeldt, waardoor jij geen recht hebt op aftrek van die btw. De buitenlandse Belastingdienst zal het verzoek om teruggaaf van die buitenlandse btw dan weigeren.
De Belastingdienst is bezig om het IT-systeem voor de btw te wijzigen. In verband daarmee wijzigt straks ook de manier waarop je buitenlandse btw terugvraagt. Zodra de nieuwe procedure geldt, moet je het teruggaafverzoek digitaal doen via Mijn Belastingdienst Zakelijk. Dit houdt in dat je DigiD of eHerkenning nodig hebt om de buitenlandse btw te kunnen terugvragen. De exacte ingangsdatum publiceert de Belastingdienst op haar website, zodra de overgang naar het nieuwe IT-systeem is afgerond.
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan.
Let op! Een aanslag staat onherroepelijk vast als de definitieve aanslag is opgelegd en er geen tijdig bezwaar of beroep meer loopt.
In een casus die voorlag bij de Hoge Raad stonden de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vast. Een van de partners leed in 2018 een ondernemersverlies dat verrekend werd met de aanslag IB 2015. De partners wilden daarna box 3 anders tussen elkaar verdelen. De reden was dat met die andere verdeling de heffingskortingen volledig benut konden worden.
De Belastingdienst stond de andere verdeling niet toe omdat de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vaststonden. De rechtbank was het daar mee eens, maar het gerechtshof niet.
Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever niet voorzien en gewild had dat de heffingskortingen niet volledig benut konden worden. Het gerechtshof verminderde daarom de aanslag van een van de partners.
De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Naar het oordeel van de Hoge Raad doet zich hier niet een bijzondere omstandigheid voor die de wetgever niet heeft voorzien en gewild. Na de achterwaartse verliesverrekening was dan ook geen nieuwe verdeling van box 3 mogelijk omdat de aanslagen al onherroepelijk vaststonden.
Een aantal belangrijke actualiteiten hebben wij daarom voor je op een rij gezet, zoals:

ANBI staat voor algemeen nut beogende instelling. Jouw vereniging of stichting kan alleen een ANBI zijn als ze zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen nut en door de Belastingdienst als een ANBI is aangemerkt. Om een ANBI te kunnen zijn, moet aan een groot aantal voorwaarden en verplichtingen worden voldaan. Neem voor meer informatie hierover contact met ons op.
Let op!Een ANBI moet verplicht een groot aantal gegevens op haar internetsite publiceren. Zo moet een ANBI de balans, de staat van baten en lasten en een toelichting hierop binnen zes maanden na het boekjaar op de site zetten. Zorg dat jouw vereniging of stichting aan deze verplichting voldoet. Welke gegevens een ANBI nog meer moet publiceren, staat op de site van de Belastingdienst.
Als een instelling als ANBI wil worden aangemerkt, ligt de bewijslast bij de instelling dat met de activiteiten van de instelling het algemeen belang wordt gediend. Het algemeen belang moet niet alleen statutair zijn vastgelegd, maar de activiteiten van de ANBI moeten ook hiermee in overeenstemming zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden van de ANBI gericht moeten zijn op concrete doelen die tot het algemeen nut kunnen worden gerekend.
Als voorbeeld. In een rechtszaak richtte een vereniging zich op activiteiten in het kader van het algemeen nut, maar ook op activiteiten met het oog op ontspanning en vermaak van de leden. Zonder nadere onderbouwing waren laatstgenoemde activiteiten niet aan te merken als gericht op het algemeen belang. Nu deze onderbouwing ontbrak, was de ANBI-status terecht geweigerd, aldus de rechtbank.
In een andere rechtszaak stond de vraag centraal of een stichting die als doel had om eenzaamheid te bestrijden, voldeed aan de eisen voor een ANBI. De stichting probeerde genoemd doel te bereiken door via een site eenzame mensen met elkaar in contact te brengen met dezelfde interesses. Ook organiseerde de stichting burenhulp. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de stichting voldeed aan de voorwaarden die gelden voor een ANBI. De activiteiten van de stichting konden namelijk worden aangemerkt als ‘welzijn’, een begrip dat volgens wetsgeschiedenis ruim moet worden geïnterpreteerd, aldus de rechtbank.
De status van ANBI heeft een groot aantal voordelen. Zo betaalt een ANBI onder meer geen schenk- of erfbelasting over schenkingen en erfenissen die zij gebruikt voor het algemeen belang, komt een ANBI in aanmerking voor teruggaaf van een deel van de energiebelasting, bestaan er in de vennootschapsbelasting een aantal fiscale voordelen en zijn giften aan een ANBI bij de schenker onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomsten- of vennootschapsbelasting.
Wie een ANBI wil oprichten, kan tegenwoordig terecht op een speciale website van de Belastingdienst. De website biedt informatie over ANBI’s, bevat een link naar een aanvraagformulier voor een ANBI en biedt de mogelijkheid in contact te komen met het zogenaamde ANBI-team van de Belastingdienst. De speciale site is met name bedoeld voor degenen die een kleinere of middelgrote ANBI willen oprichten en de aanvrager te helpen bij zijn aanvraag om – via een praktische uitleg – zaken inzichtelijker te maken.
Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan nodig voor het uitvoeren van haar activiteiten als ANBI. De Belastingdienst heeft verduidelijkt onder welke voorwaarden investeringen en uitgaven zijn toegestaan zonder de ANBI-status in gevaar te brengen. Zo moet een investering door een ANBI het doel van de ANBI rechtstreeks bevorderen of verwezenlijken. Ook mag de uitgave geen zakelijke activiteit betreffen primair bedoeld om voordeel te behalen. Verder is bepaald dat als geïnvesteerd wordt via een organisatie, ook deze organisatie het bedrag moet gebruiken in lijn met het doel van de ANBI.
Ook is verduidelijkt dat bestuurders van de ANBI niet bij een investering in een organisatie betrokken mogen zijn. Daarnaast is bepaald dat de investering in de administratie en het beleidsplan als investering van algemeen nut moeten worden opgenomen.
Let op! ANBI’s die niet of nog niet voldoen aan de gestelde voorwaarden, dienen dit te melden bij hun inspecteur. Deze kan een termijn stellen waarbinnen alsnog aan de verplichtingen moet worden voldaan. Gebeurt dit niet, dan kan een ANBI de status van ANBI verliezen.
Tip! Een ANBI kan door de Belastingdienst ook worden aangewezen als een culturele ANBI. Uw instelling moet dan voor minstens 90% actief zijn op cultureel gebied. Een culturele instelling kan gebruikmaken van een aantal extra faciliteiten.
Als jouw vereniging of stichting geen ANBI is, is er wellicht wel sprake van een sociaal belang behartigende instelling (SBBI). Een SBBI is een instelling die geen ANBI is, maar wel een sociaal belang behartigt. Voorbeelden van SBBI’s zijn een muziekvereniging, een sportvereniging, een toneelvereniging of een lokale scoutinggroep. Het voordeel van een SBBI is dat zij geen schenk- of erfbelasting betaalt over schenkingen of erfenissen die zij gebruikt voor een sociaal belang. Overleg met ons over de voorwaarden voor een SBBI.
Let op! Over een schenking die een SBBI doet van meer dan € 2.769 (2026) is door de ontvanger van de schenking wel gewoon schenkbelasting verschuldigd, tenzij deze zelf een ANBI of SBBI is.
Vennootschapsbelasting
Vaak zal een stichting of vereniging niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Dit is echter wel het geval als sprake is van het drijven van een onderneming. Belangrijke criteria zijn deelname aan het economisch verkeer en het streven naar winst (winstoogmerk).
Let op! In de statuten wordt vaak opgenomen dat de stichting of vereniging geen winstoogmerk heeft. Dit is geen vrijwaring voor de vennootschapsbelasting. Bepalend is vooral de feitelijke aanwezigheid van overschotten.
Behaalt uw stichting of vereniging winst, dan kan er een vrijstelling van toepassing zijn als de winst onder bepaalde grenzen blijft. De vrijstelling is van toepassing als de winst in een jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar samen niet meer bedraagt dan € 75.000. De vrijstelling geldt voor alle stichtingen en verenigingen.
De volledige vrijstelling is ook van toepassing op stichtingen en verenigingen die nog geen vijf jaar bestaan. Dit is beslist in een arrest van de Hoge Raad. Als een vereniging of stichting voor de vrijstelling in aanmerking komt, past de Belastingdienst deze automatisch toe. Als er aangifte is gedaan, volgt er een nihilaanslag. De Belastingdienst beveelt stichtingen en verenigingen aan om bij de aangifte te vermelden dat de vrijstelling van toepassing is. Dit kan door bij ‘expliciet uitspraak Belastingdienst gevraagd’ te vermelden ‘vrijgesteld op grond van artikel 6 Wet Vpb’.
Tip! Jouw stichting of vereniging kan ervoor kiezen de vrijstelling niet toe te passen, bijvoorbeeld als men een verlies wil verrekenen. Deze keuze wordt gemaakt voor een periode van minimaal vijf jaar. Na die tijd kan er opnieuw voor gekozen worden om de vrijstelling niet toe te passen. Als je de vrijstelling niet toe wilt passen, moet je een brief sturen naar het belastingkantoor. Dit moet voordat de aangifte vennootschapsbelasting over het eerste jaar van de periode van vijf jaar is afgehandeld.
Stichtingen en verenigingen die zijn aangemerkt als culturele ANBI en stichtingen en verenigingen die een sociaal belang behartigen en hun winst voor minstens 70% behalen met behulp van vrijwilligers, kunnen een bestedingsreserve vormen. Voldoet jouw instelling aan deze voorwaarden, dan mag (een deel van) de winst voor belastingheffing gereserveerd worden in een bestedingsreserve. Er moet dan wel een bestedingsvoornemen zijn en de gereserveerde winsten moeten in beginsel in het jaar of binnen vijf jaar na afloop van het jaar worden besteed. Na deze termijn valt de bestedingsreserve in de winst.
Fondswervende activiteiten van een ANBI kunnen in aftrek komen van de winst. Er geldt wel een aantal voorwaarden. Zo moeten de activiteiten voor minstens 30% met behulp van vrijwilligers worden verricht. Stichtingen en verenigingen die geen ANBI zijn, kunnen – als zij uitsluitend fondswervende activiteiten verrichten – onder voorwaarden de uitkeringen aan een ANBI van de winst in aftrek brengen. Zo moeten ook hier de activiteiten voor minstens 30% met behulp van vrijwilligers worden verricht. Ook moet kenbaar worden gemaakt dat de opbrengst uit de fondswervende activiteiten voor minimaal 90% naar een algemeen nuttig doel gaat en moet de uitkering zijn gedaan binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin de gelden zijn verworven.
Een ANBI en een SBBI kunnen onder bepaalde voorwaarden gebruikmaken van de vrijwilligersaftrek in de vennootschapsbelasting. Als SBBI kun je alleen gebruikmaken van de vrijwilligersaftrek als de winst voor minstens 70% wordt behaald met behulp van vrijwilligers. Onder de vrijwilligersaftrek kan de winst van jouw vereniging of stichting verminderd worden met een fictieve beloning van de vrijwilligers op basis van het minimumloon, verminderd met de daadwerkelijke beloning. Als je aannemelijk maakt dat een hoger loon dan het minimumloon gebruikelijk is, mag je rekening houden met dat hogere loon.
Culturele instellingen kunnen voor de vennootschapsbelasting belaste en onbelaste activiteiten verrichten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een museum, waarbij de winst behaald met de museumwinkel belast is en de winst behaald met de culturele activiteiten onbelast. Als met deze culturele activiteiten een verlies geleden wordt, kan dit verlies echter niet verrekend worden met de winst van de museumwinkel.
Om die reden hebben culturele instellingen de mogelijkheid om te kiezen voor volledige belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Bij volledige belastingplicht kan het verlies uit de onbelaste activiteit wel verrekend worden met de winst uit de belaste activiteit. Een dergelijke keuze geldt voor een periode van tien jaar.
Tip! Een culturele instelling kan gebruikmaken van de winstvrijstelling, ook als gekozen is voor volledige belastingplicht.
ANBI’s kunnen gebruikmaken van de vrijwilligersregeling in de loonbelasting. Is jouw stichting of vereniging aangemerkt als ANBI, dan hoef je geen loonheffing in te houden op een vergoeding aan een vrijwilliger. De vergoeding mag niet meer bedragen dan € 220 per maand en maximaal € 2.200 per jaar (2026). Betaal je een uurvergoeding, dan beschouwt de Belastingdienst een bedrag van maximaal € 5,75 (of € 3,40 voor een vrijwilliger jonger dan 21 jaar) per uur als vrijwilligersvergoeding.
Het gebeurt in de praktijk vaak dat een vrijwilliger afziet van een kostenvergoeding. Hierdoor wordt de vergoeding een gift die de vrijwilliger onder voorwaarden kan aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting. Dat kan alleen als voldaan wordt aan de drie volgende voorwaarden:
Let op! De vrijwilliger kan alleen de kosten aftrekken als de ANBI een ‘vrijwilligersverklaring’ invult. Deze is beschikbaar op de site van de Belastingdienst (zoekterm ‘vrijwilligersverklaring’).
Tip! Is jouw vereniging of stichting geen ANBI, maar wel een sportorganisatie of een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen? Dan kun je ook de vrijwilligersregeling toepassen.
De Belastingdienst heeft aangegeven of het koppelen van een vrijwilligersvergoeding aan een jaarlijkse gift aan een ANBI, als periodieke gift kan worden aangemerkt. Aangegeven wordt dat wanneer een jaarlijkse gift gekoppeld is aan de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger bij dezelfde vereniging (ANBI), dit niet leidt tot een periodieke gift. Voor een periodieke gift is namelijk vereist dat minstens vijf jaar hetzelfde bedrag wordt geschonken. Daarbij is ook vereist dat alle geschonken bedragen jaarlijks even groot moeten zijn. Bij een koppeling aan de verdiensten als vrijwilliger is hiervan echter geen sprake. De gift kan in beginsel wel als ‘andere gift’ in aftrek van het inkomen komen, maar dit is fiscaal minder aantrekkelijk. De gift is dan namelijk slechts aftrekbaar voor zover het bedrag meer dan 1% van het verzamelinkomen bedraagt met een minimum van € 60 en kent dan een maximum van 10% van dit verzamelinkomen. Een periodieke gift kan wel deels worden bereikt door een ontkoppeling van de gift en de vergoeding als vrijwilliger. Zo kan een schenkingsovereenkomst worden gesloten, waarbij aan de vereniging minstens vijf jaar lang een vast bedrag wordt geschonken en waarbij de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger hiermee wordt verrekend. Is in die situatie de vergoeding echter minder dan de jaarlijks afgesproken gift, dan zal wel het verschil moeten worden bijbetaald door de vrijwilliger.
De sportvrijstelling in de omzetbelasting moet verplicht worden toegepast als aan de voorwaarden wordt voldaan. De vrijstelling geldt ook voor diensten die sportorganisaties verlenen aan niet-leden, bijvoorbeeld het verzorgen van een training.
Instellingen die geen winst beogen en een sportaccommodatie ter beschikking stellen die onmisbaar is voor de sportbeoefening, vallen ook onder de vrijstelling.
Door de btw-vrijstelling die geldt voor het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie, is de voorbelasting niet aftrekbaar. Om dit nadeel te compenseren, is er een subsidieregeling voor gemeenten en sportorganisaties. De subsidie voor gemeenten, de Specifieke uitkering stimulering sport (SPUK), bedraagt 18% van alle btw-belaste sportuitgaven. Voor sportinstellingen is de subsidie BOSA beschikbaar (Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties). Deze subsidie bedraagt maximaal 20% van bouw-, onderhoud- en materiaalkosten, met een maximum van € 2,5 miljoen per jaar. Een subsidie van minder dan € 2.500 wordt niet verstrekt. Voor sommige activiteiten in het kader van verduurzaming en toegankelijkheid geldt een extra subsidie van maximaal 10%. Voor sommige activiteiten in het kader van het bevorderen van de veiligheid geldt een extra subsidie van maximaal 30%.
Fondswervende activiteiten van bepaalde aangewezen instellingen waarvan de primaire activiteiten zijn vrijgesteld van btw (waaronder ziekenhuizen, verpleeghuizen, instellingen voor jeugdwerk, sportverenigingen en culturele, sociale en religieuze instellingen) zijn in het geheel vrijgesteld van btw als de fondswervende leveringen niet meer dan € 68.067 en de fondswervende diensten niet meer dan € 22.689 per jaar bedragen.
Let op! Voor sportverenigingen geldt een afwijkend grensbedrag voor fondswervende diensten van € 50.000. Daarnaast mogen sportverenigingen geen gebruikmaken van de kantineregeling. Dit betekent dat de kantineontvangsten meetellen voor het maximumbedrag van de fondswervende leveringen van € 68.067 per jaar.
Bij overschrijding van een van de grensbedragen komt de fondsverwerving in de normale heffing van de btw terecht. Dit geldt niet als de overschrijding veroorzaakt wordt door bijzondere, eenmalige omstandigheden of als de overschrijding redelijkerwijs niet was te voorzien. De grensbedragen voor leveringen en diensten gelden onafhankelijk van elkaar. Overschrijding in één categorie betekent dus niet automatisch dat de andere categorie ook in de btw betrokken moet worden.
Tip! Giften, donaties en contributies (zonder expliciete tegenprestatie) worden voor de grensbedragen niet meegerekend.
Bepaalde organisaties, bijvoorbeeld muziekverenigingen, dorpshuizen en buurtverenigingen, kunnen de kantineregeling toepassen. De kantineontvangsten zijn dan vrijgesteld als deze inclusief btw niet meer bedragen dan € 68.067 per jaar. Deze vrijstelling geldt naast de vrijstelling voor fondsenwerving. Dit betekent dat de kantineontvangsten niet meetellen voor de grensbedragen.
Besturen van verenigingen en stichtingen hebben te maken met de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR).
De WBTR is bedoeld om wanbestuur binnen verenigingen en stichtingen zo veel mogelijk te voorkomen. Met de WBTR wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regels die al gelden voor besturen van nv’s en bv’s. Onder meer omvat de aansprakelijkheid van bestuurders ook met aansprakelijkheid bij faillissement als er sprake is van een ernstig verzuim, bijvoorbeeld als voor bepaalde risico’s geen verzekering is afgesloten. Verder staat in de WBTR onder meer ook dat een bestuurder van een vereniging of stichting niet mag deelnemen aan vergaderingen over een bepaald onderwerp als hij ook een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vereniging of stichting. Ook mag hij in die gevallen niet deelnemen aan de besluitvorming.
Ook mag een bestuurder nooit meer stemmen uitbrengen dan de rest van het bestuur samen. Een voor 1 juli 2021 bestaande afwijkende statutaire regeling is geldig tot 1 juli 2026 of tot de eerstvolgende statutenwijziging als dit eerder is. Verder is geregeld dat als in een vereniging of stichting met een klein bestuur geen van de bestuursleden nog in functie is of afwezig is, formeel geen besluiten meer genomen kunnen worden. De statuten dienen dan te bepalen hoe besluiten dan toch genomen kunnen worden, bijvoorbeeld via een commissie.
Goede doelen hebben te maken met één loket voor het aanvragen van een erkenning en van de ANBI-status. Hiertoe hebben organisaties van goede doelen met de Belastingdienst een convenant afgesloten. Om fraude te voorkomen, kunnen goede doelen een erkenning aanvragen bij het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF). Zo weten donateurs dat ze te maken hebben met een bonafide organisatie. Daarnaast kunnen goede doelen de ANBI-status aanvragen. De kwaliteitseisen voor het verkrijgen van de erkenning zijn gelijk aan die voor de ANBI-status.
Donateurs moeten hun gift kunnen bewijzen om deze af te kunnen trekken. Een ontvangstbewijs of verklaring is hiervoor niet voldoende.
Voor giften aan culturele ANBI’s geldt een hogere giftenaftrek. Particulieren mogen deze giften voor de giftenaftrek verhogen met 25% (met een maximum van € 1.250 per jaar). Dit geldt zowel voor eenmalige als voor periodieke giften. Ondernemingen in de vennootschapsbelasting mogen een gift aan een culturele ANBI verhogen met 50% (met een maximum van € 2.500 per jaar).
Een steunstichting SBBI is een stichting die speciaal is opgericht om geld in te zamelen voor een jubileum van een SBBI op het gebied van sport en muziek. Een gift aan een steunstichting SBBI is aftrekbaar.
Let op! Een steunstichting moet voldoen aan bepaalde voorwaarden. Kijk hier voor meer informatie.
Een periodieke gift aan een ANBI of een niet-vennootschapsbelastingplichtige vereniging met minimaal 25 leden is aftrekbaar als deze gift wordt vastgelegd in minimaal een onderhandse akte van schenking. Een notariële akte kan ook, maar is geen vereiste. Voorwaarde is onder meer dat de periodieke gift is vastgelegd voor een looptijd van minimaal vijf jaar (of eindigt bij eerder overlijden).
Voor een aantal juridische entiteiten, waaronder stichtingen en verenigingen, bestaat de plicht om geregistreerd te zijn in het zogenaamde UBO-register. Entiteiten die hieraan niet voldoen, kunnen te maken krijgen met sancties. UBO staat voor ‘ultimate beneficial owner’, ofwel de uiteindelijke belanghebbende. Dit is de persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een bv, stichting, vereniging of andere organisatie waarvoor de registratieplicht geldt. Het UBO-register is vooral bedoeld om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Je kunt een vereniging of stichting registreren in het UBO-register via de KVK.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.
Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.
Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet je werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.
Zelfstandigheidscriterium
Je werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te onderscheiden is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Het komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.
Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.
Je werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als jij je inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit jouw enige werkruimte, dan moet jij je inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heb je nog een andere werkruimte buiten je woning, dan moet jij je inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.
Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.
De werkruimte moet bij (nagenoeg) volledig zakelijk gebruik en kan in beginsel bij gemengd gebruik worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning.
Indien de werkruimte niet juridisch of bouwkundig splitsbaar is, kun je ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen of kun je het pand splitsen in overeenstemming met het gebruik in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen (de werkruimte). In dit laatste geval zal de werkruimte over het algemeen niet voldoen aan het zelfstandigheidscriterium dat nodig is voor een kwalificerende werkruimte.
De fiscale behandeling van je werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.
Let op! Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kun je de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als je aannemelijk kan maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.
Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als je deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.
De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet van je winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.
Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als je zelf btw-belaste prestaties verricht.
Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag je van je winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat je ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van je werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2026 vastgesteld op 6%.
Daarnaast mag je ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.
Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kun je de kosten aftrekken van je winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van je winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.
Indien je de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen hebt geëtiketteerd, kun je alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van je winst. Voor het privégebruik van uw woning moet je wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.
Voor de meeste woningen is dit in 2026 1,10%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet je daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet je uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.
Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.
Het is niet mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte, ook niet als je het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.
Onderneem je vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.
De werkruimte valt voor jou, als dga, in box 1 (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag je nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.
Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat je voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van je werkzaamheid in box 1. Je hebt ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,56% (2026).
Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Je bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt je bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.
Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kun je deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. Je kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.
Indien je, als dga, de werkruimte aan je bv verhuurt, moet dat een btw-belaste verhuur zijn om tot aftrek van de btw te komen.
De Belastingdienst is echter vaak van oordeel dat er met de verhuur van een onzelfstandige werkruimte niet wordt deelgenomen aan de markt voor verhuur van bedrijfsruimte. De verhuur zou dan geen economische activiteit zijn en daarmee buiten de btw-sfeer vallen. Als er wel sprake is van een economische activiteit, is de Belastingdienst vaak van oordeel dat sprake is van verhuur van woonruimte als er ook privé van de werkruimte gebruik gemaakt kan worden. De verhuur van woonruimte is btw vrijgesteld en zorgt daarmee ook ervoor dat de voorbelasting niet aftrekbaar is.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:3538) oordeelde in een casus dat btw-belaste verhuur wel mogelijk voor een onzelfstandig deel van een woning in een situatie waarin het privégebruik van dat deel ondergeschikt was aan het zakelijke gebruik. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. Het wachten is op het oordeel van de Hoge Raad.
Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of je in een soortgelijke situatie mogelijk recht op aftrek van de btw kunt hebben.
De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor je eigen situatie daarom contact met ons op.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Aan de hand van milieuprestatie-eisen kan de duurzaamheid van een gebouw worden bepaald. Milieuprestatie-eisen zijn de minimale eisen waaraan een nieuw gebouw met betrekking tot het milieu moet voldoen. Onder meer de uitstoot van CO2 en waterverbruik zijn onderdeel van de milieuprestatie-eisen. De eisen waaraan gebouwen moeten voldoen zijn in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl)vastgelegd. Het berekenen van de milieuprestatie van een gebouw is verplicht voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
De milieuprestatie-eisen voor kantoren worden per 1 juli met 15% aangescherpt, wat betekent dat kantoren milieuvriendelijker moeten worden. Voor woningen blijven de eisen gelijk, maar verandert wel de berekeningsmethode. Vanaf 1 juli 2026 gaan er daarnaast ook milieuprestatie-eisen gelden voor gebouwen zoals scholen, winkels, zorginstellingen en bedrijfshallen. Dat is op dit moment nog niet het geval.
Voor de berekening van de milieuprestatie wordt gebruikgemaakt van cijfers uit de Nationale Milieudatabase. De invoering van de kenmerken van een gebouw, zoals de omvang, de gebruikte bouwproducten en de hoeveelheid ervan, levert uiteindelijk de milieuprestatie op. Om hierover inzicht te krijgen zijn speciale informatiebladen beschikbaar op het Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).
De milieuprestatie-eisen zorgen er ook voor dat bij de bouw weloverwogen keuzes gemaakt moeten worden. Zo zijn onder andere de vorm van het gebouw, het gebruikte materiaal en de geleverde installaties bepalend voor de milieuprestatie. Daarbij is ook het verband tussen energie- en milieuprestatie van belang, aangezien het energievriendelijk maken van een gebouw kan leiden tot extra materiaalgebruik.
De milieuprestatie van een gebouw kent ook een bredere toepassing. Zo wordt de prestatie onder meer gebruikt binnen de fiscale wetgeving op het gebied van de milieu-investeringsaftrek en bij de certificering van duurzaam vastgoed.
Tip! Meer informatie over de technische kant inzake de milieuprestatie-eisen tref je aan op iplo.nl zoekterm ‘milieuprestatie’.
Voor een fiets die je aan een werknemer ter beschikking stelt, moet je een bijtelling toepassen van 7% als de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs van de fiets.
De vraag is gesteld of het bijtellingspercentage 7% blijft als je niet een maar meerdere fietsen aan je werknemer ter beschikking stelt. Uit de wijze waarop de bijtelling in de wet is opgenomen zou opgemaakt kunnen worden dat het bijtellingspercentage ook voor elke tweede of volgende fiets 7% is. Lease-a-Bike vermeldt op hun website dat de Belastingdienst dit aan hen heeft bevestigd.
Over de bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets, kun je de fiets ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het ter beschikking stellen van een fiets zal door de Belastingdienst waarschijnlijk wel als gebruikelijk worden aangemerkt, mits het een gebruikelijk exemplaar is. Het is echter de vraag of de Belastingdienst ook een tweede of volgende fiets als gebruikelijk aanmerkt.
Let op! Je kunt uiteraard altijd gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge in de gebruikelijkheidstoets. Als de bijtelling tezamen met andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in een jaar, maximaal € 2.400 per werknemer per jaar bedraagt, neemt de Belastingdienst aan dat dit gebruikelijk is.

De Europese Dienstenrichtlijn is bedoeld om te zorgen voor eerlijke concurrentie en minder bureaucratie. Dienstverleners moeten overal met zo min mogelijk belemmeringen hun diensten kunnen aanbieden. In een ander Europees land, maar ook in een andere gemeente of provincie in Nederland. De Dienstenrichtlijn moet dit bevorderen.
In een rechtszaak voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een legesaanslag voor een verhuurvergunning tot een te hoog bedrag was opgelegd. Een eigenaresse met een woning in Leiden wilde deze verhuren en had hiervoor een verhuurvergunning aangevraagd. Die werd verstrekt, maar de aanslagleges bedroeg € 938,50.
Als je een woning wilt verhuren, mogen gemeentes zelf bepalen of hiervoor een verhuurvergunning vereist is. Zo ja, dan mag een gemeente voor het in behandeling nemen en afgeven van een dergelijke vergunning leges in rekening brengen.
In bovenvermelde zaak stelde de eigenaresse van de woning dat de opgelegde aanslag leges in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank moest daarom eerst beoordelen of de Dienstenrichtlijn wel van toepassing was op de aanslag leges. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was en dat de eigenaresse een rechtstreeks beroep hierop kon doen.
In de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat de kosten van een vergunning redelijk en evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedure en de kosten van de aanvraagprocedure niet mogen overschrijden. De rechtbank onderzocht daarom of het bedrag aan leges van € 938,50 niet in strijd hiermee was opgelegd.
Let op! Dat het een hoog bedrag was, bleek alleen al uit het feit dat voor een verhuurvergunning in Rotterdam een bedrag van € 335 aan leges werd geheven en in Den Haag slechts € 271.
De rechtbank kwam tot het oordeel dat de leges van € 938,50 in strijd was met de Dienstenrichtlijn. De door de gemeente aangegeven gemiddelde behandelduur van tien arbeidsuren per afgegeven verhuurvergunning waarop de € 938,50 gebaseerd was, bleken namelijk veel te hoog.
Ten eerste omdat de beoordeling van het aanvraagformulier naar het oordeel van de rechtbank veel minder tijd kostte. Ten tweede omdat gezien het aantal afgegeven vergunningen de betrokken ambtenaren nooit tien uur per vergunning bezig konden zijn geweest.
Daarnaast was het legesbedrag voor elke vergunningsaanvraag € 938,50 en werd geen verschil gemaakt tussen een vergunning van één of van meerdere woningen. Volgens de rechtbank is het rekenen met dergelijke vaste bedragen toegestaan, mits deze zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten en weinig verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval. Dat was in deze situatie echter niet het geval.
De hoogte van de leges van € 938,50 was in het geval van de eigenaresse van de woning daarom in strijd met de Dienstenrichtlijn. De rechtbank kon niet vaststellen welk bedrag aan leges wel in overeenstemming zou zijn met de Dienstenrichtlijn en vernietigde daarom de legesaanslag in het geheel
Let op! Deze uitspraak betekent niet dat elke aanslag leges in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Een en ander is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden en onder meer de onderbouwing van de aanslag leges door de gemeente. Houd er verder rekening mee dat de gemeente mogelijk hoger beroep instelt tegen de uitspraak.
Let op! Gerechtshof Den Haag heeft in een uitspraak van 9 juni 2026 een aanslag leges voor een verhuurvergunning van de Gemeente Leiden ad € 938,50 ook vernietigd. Het gerechtshof oordeelde dat de heffingsambtenaar geen inzage heeft gegeven in de afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming van het tarief voor de leges verhuurvergunning en voor het achterwege laten van differentiatie. Het gerechtshof kon daarom niet beoordelen of de belangen van een verhuurder met een klein aantal woningen zijn afgewogen tegen die van een verhuurder met een groot aantal woningen. Het gerechtshof oordeelde daarom dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het tarief voor de behandeling van de aanvraag voor een verhuurvergunning. Het gerechtshof vernietigde daarom de aanslag leges.

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.
Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.
Het leek erop dat er in de Eerste Kamer geen meerderheid zou komen voor het wetsvoorstel. De Minister van Financiën liet eind februari 2026 al weten dat hij het wetsvoorstel daarom wilde aanpassen. In een Kamerbrief van 19 juni 2026 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens laten weten de volgende opties te overwegen voor wijziging van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3:
Let op! In augustus 2026 beslist het kabinet over deze opties. Een en ander zal mede afhangen van de budgettaire dekking en voorstellen op andere wetsvoorstellen/wetten waarover nog beslist moet worden. Op Prinsjesdag 2026 zal in een novelle op het wetsvoorstel een en ander bekendgemaakt worden.
De novelle wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze moet de novelle daarna nog behandelen en daarover stemmen.
De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 daarom uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten.
Vooralsnog lijkt het erop dat het kabinet er nog niet voor kiest om per 2028 al een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen te introduceren. Het plan daarvoor blijft wel bestaan, maar het kabinet heeft aangegeven meer tijd daarvoor nodig te hebben.
Tijdens het debat op 30 juni 2026 in de Eerste Kamer zijn nog wel de volgende moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om:
Let op! De Eerste Kamer stemt op dinsdag 7 juli 2026 over deze moties, die overigens allemaal door de staatssecretaris ontraden worden.

De subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijkleerplaatsen aan te bieden. Je ontvangt een tegemoetkoming voor de kosten die je als werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook kun je een tegemoetkoming krijgen voor de loon- en begeleidingskosten voor een promovendus of een technologisch ontwerper in opleiding (toio).
De subsidieregeling richt zich vooral op:
Let op! De Subsidieregeling Praktijkleren loopt vooralsnog door tot en met1 januari 2029.. Je kunt dus tot en met het studiejaar 2027-2028 nog gebruikmaken van de subsidie.
Je komt niet voor elke leerling die bij je werkt voor subsidie in aanmerking. De regeling geldt voor de volgende doelgroepen:
Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie isvoor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.
Let op! Voor studenten aan de beroepsopleidende leerweg (bol) aan EVC-trajecten en specifieke maatwerktrajecten (geen mbo bbl-opleidingen) kom je niet in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor afstudeerstages.
Tip! Sommige buitenlandse opleidingen komen ook in aanmerking voor subsidie als deze vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding voor mbo (bbl) of hbo (duaal/deeltijd in de sectoren Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving). Je dient dan wel in het bezit te zijn van een verklaring dat de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is. Deze verklaring kun je aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).
De subsidie wordt, met uitzondering van promovendi en toio’s, toegekend per gerealiseerde praktijkleerplaats.
Let op! Elke week waarin begeleiding is gegeven, telt mee. Het maakt hierbij niet uit op hoeveel dagen in die week begeleiding is gegeven. Een week waarin geen begeleiding is gegeven, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie, telt niet mee als gerealiseerde praktijkleerplaats. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato verlaagd.
Let op! Je kunt ook subsidie aanvragen als je minder dan 40 of 42 weken begeleiding heeft gegeven. De subsidie bedraagt dan echter niet maximaal € 2.800 maar wordt pro rata verminderd. Zo bedraagt de maximale subsidie bij hbo bij 21 weken begeleiding € 1.400 (50% van € 2.800).
De hoogte van de subsidie voor een promovendus is afhankelijk van het aantal maanden (maximaal 12) maal de arbeidsduur per week (maximaal 36) waarin de werkgever de loonkosten betaalt. Verricht een promovendus bijvoorbeeld 6 maanden onderzoek gedurende 18 uur per week, dan bedraagt de maximale subsidie € 700 (6/12 * 18/36 * € 2.800). Voor de toio is de hoogte van de subsidie afhankelijk van het aantal maanden (per studiejaar) waarin aan de ontwerpopdracht is gewerkt maal het aantal arbeidsuren per week met een maximum van 36 uur per week.
Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je (aantoonbaar) een erkend leerbedrijf zijn voor vmbo’ers/ mbo’ers, bepaalde leerlingen uit het VSO/PRO en leerlingen uit de entreeopleiding vmbo. Als het gaat om hbo’ers, promovendi en toio’s, moet je door een onderwijsinstelling zijn aangemerkt als een onderneming die een goede begeleiding geeft. Daarnaast moet je voldoen aan de volgende voorwaarden:
Voor het vmbo,mbo, Hbo, de entreeopleiding vmbo en PRO/VSO gelden nog de volgende aanvullende voorwaarden:
| Niveau | Voorwaarden |
| vmbo 3e en 4e leerjaar | - buitenschools praktijkgedeelte met minimaal 640 klokuren en maximaal 1280 klokuren per studiejaar dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli |
| mbo-bbl | - minimaal 200 begeleide onderwijsuren per studiejaar door de onderwijsinstelling- praktijkgedeelte minimaal 610 klokuren per studiejaar lopend van 1 augustus tot en met 31 juli. - opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo) |
| entreeopleiding vmbo | - het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 610 klokuren per studiejaar |
| PRO/VSO |
- het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 640 klokuren en maximaal 1.280 klokuren per schooljaar. - het schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli. |
| Hbo | - opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Het studiejaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus. - het praktijkdeel is een verplicht onderdeel van de opleiding |
Let op! Voor alle leerlingen en studenten geldt dat zij moeten zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Bovendien wordt de subsidie alleen verstrekt gedurende de nominale duur van de opleiding.
Let op!Alleen voor een Toio of promovendus van een van de aangewezen (voornamelijk openbare) universiteiten kan een subsidie van toepassing zijn.
Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je de volgende gegevens in je administratie vastleggen:
Omdat de subsidie afhankelijk is van het aantal subsidieaanvragen en het beschikbare budget, is de hoogte van de subsidie voor het studiejaar 2025/2026 nog niet zeker. De verdeling van de beschikbare subsidie vindt jaarlijks plaats na afloop van het studiejaar over alle werkgevers die tijdig een aanvraag hebben ingediend én voldoen aan de eisen voor de subsidie. Het subsidiebedrag is gemaximeerd op € 2.800 per praktijkleerplaats als de leerling of student het gehele jaar bij je gewerkt heeft.
Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie is voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Het aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de regeling uit. De subsidie geldt per studiejaar. Je vraagt de subsidie na afloop van de begeleiding aan. Voor het studiejaar 2025/2026 kun jede subsidie vanaf 2 juni 2026 09:00 tot en met uiterlijk 17 september 2026 (uiterlijk 17.00 uur) aanvragen. Aanvragen die later door RVO.nl worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor subsidie.
Let op! Vanaf 2025 moet je de subsidie aanvragen via het nieuwe aanvraagportaal van het RVO. Verzorg je niet zelf de aanvraag, zorg dan dat degene die dat voor je doet op tijd over de daarvoor benodigde ketenmachtiging beschikt.
Tip! Om de aanvraag te kunnen doen, heb je eHerkenning (minimaal niveau 3 met machtiging RVO-diensten) nodig. Voorkom dat je te laat beschikt over eHerkenning en vraag deze indien nodig tijdig aan.
Let op! RVO.nl kan nog tot vijf jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt controles uitvoeren. Je hebt dan ook de plicht om alle relevante documenten te bewaren tot vijf jaar na afloop van het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt
De Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg 2026 is een tegemoetkoming in de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor de begeleiding op de werkvloer van een werkende of werkzoekende die een mbo-opleiding in de derde leerweg doet. De derde leerweg in het mbo is een aanvulling op de beroepsopleidende leerweg (bol; 4 dagen school, 1 dag stage) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl; 4 dagen werken, 1 dag school). In de derde leerweg kunnen delen van een mbo-opleiding worden gedaan, grotendeels of geheel op de werkvloer, wat kan leiden tot een mbo-certificaat (door de Minister van OCW vastgesteld arbeidsmarktrelevant onderdeel van een mbo-opleiding) of een praktijkverklaring (mbo-opleiding op maat op basis van de behoefte van de werkgever en de werkende of werkzoekende).
Ook in 2026 is een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg waarschijnlijk weer mogelijk. Hiervoor loopt een internetconsultatie van 8 juni 2026 tot 5 juli 2026. Deze regeling is het vervolg van de subsidieregeling derde leerweg, die liep van 14 december 2021 tot 31 maart 2026. Het voorstel is om de regeling tot 2031 voort te zetten. Als de regeling conform het voorstel in de internetconsultatie wordt ingevoerd, geldt het hiernavolgende.
De aanvraagperiode loopt dan van maandag 2 november 2026 9.00 uur tot vrijdag 27 november 2026 17.00 uur.
Als erkend leerbedrijf kun je de subsidie voor maximaal 40 weken krijgen in een periode van 52 weken.
Kinderopvangorganisaties kunnen in 2026 van 2 november 2026 09.00 uur tot en met 27 november 2026 17.00 subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats van een groepsondersteuner (voorheen groepshulp)n. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van deze groepsondersteuners n en is aan te vragen bij RVO.nl. Het doel is dat door de subsidie meer groepsondersteuners worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang.
De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepsondersteuner per week werkt. Een organisatie kan in 2026 voor maximaal tiengroepsondersteuners n subsidie aanvragen.
De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepsondersteuner een arbeidsovereenkomst van ten minste 12 maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan de opleiding mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) op niveau 1 en 2, gericht op het behalen van een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma of een aangewezen mbo-3 certificaat. Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepsondersteuner ook subsidie heeft gekregen via de Subsidieregeling Praktijkleren of Praktijkleren in de derde leerweg. Voor de groepsondersteuner mag niet al eerder deze subsidie ontvangen zijn.
Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen kunnen financieel bijdragen aan de scholing van werknemers in hun branche. Deze fondsen worden meestal in het leven geroepen door de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde branche en worden gevuld met bijdragen van aangesloten bedrijven. Afspraken hierover worden gemaakt in bijvoorbeeld cao’s. Alle O&O-fondsen hebben loopbaanadviseurs in dienst die kunnen helpen bij scholings- en opleidingstrajecten voor je werknemers. Sommige O&O-fondsen bieden ook zelf cursussen aan of ontwikkelen scholingsprojecten voor de branche. Wil je een financiële bijdrage van het O&O-fonds ontvangen, neem dan contact op met je brancheorganisatie, want de exacte mogelijkheden en voorwaarden verschillen per sector.
Tip! Bekijk hier een overzicht van alle erkende O&O-fondsen.
De SLIM subsidie is een subsidie voor werkgevers voor het verder laten ontwikkelen van werknemers in maatschappelijk cruciale sectoren van het mkb.
Slim-subsidie is in 2026 mogelijk voor:
a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming;
b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen;
c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode.
De SLIM-subsidie kent in 2026 twee regelingen: voor individuele mkb-ondernemingen en voor samenwerkingsverbanden in het mkb.
Zowel kleine als middelgrote ondernemingen kunnen een beroep doen op deze regeling. Het subsidiepercentage voor kleine mkb-ondernemingen bedraagt in 2026 60%.
Per aanvraag kan maximaal € 24.999 subsidie worden aangevraagd. Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000.
Vooraf kan 50% van het subsidiebedrag als voorschot worden betaald.
Voor de SLIM-regeling voor mkb-ondernemingen zijn in 2026 twee aanvraagtijdvakken: (reeds verlopen) van 7 april 20269.00 uur tot en met 4 mei 202617.00 uur én van 10 augustus2026 9.00 uur tot en met 7 september 2026 17.00 uur
Het subsidiepercentage van de SLIM-subsidie voor samenwerkingsverbanden in het mkb bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner). Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen.
Samenwerkingsverbanden kunnen een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan 12 maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste 12 maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt zijn.
Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt
Regionale maatregelen
In een groot aantal regio’s en branches zijn er specifieke regionale maatregelen om scholing te stimuleren. Ga dan ook na of je gemeente of branche wellicht een bruikbare regeling heeft.
Tip! Op de website leeroverzicht.nl, een initiatief van het Ministerie van OCW en het Ministerie van SZW, kun je zoeken in veel verschillende regelingen. Hierin zijn ook regionale subsidieregelingen opgenomen.
Eindigt de arbeidsovereenkomst met een werknemer en moet de werkgever een transitievergoeding betalen? Dan kunnen door de werkgever gemaakte transitiekosten en inzetbaarheidskosten verrekend worden met de transitievergoeding.
Let op! Transitiekosten zijn kosten gericht op het voorkomen van werkeloosheid of het bekorten van de periode van werkeloosheid. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die tijdens de dienstbetrekking zijn gemaakt gericht op het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer.
De werkgever mag deze kosten in beginsel op de transitievergoeding in mindering brengen, tenzij de verworven kennis en vaardigheden in overwegende mate zijn aangewend om de functie die de werknemer bij aanvang van de activiteiten verrichtte uit te oefenen. De kosten mogen ook niet in mindering komen als deze verband houden met verplichtingen van de werkgever in het kader van de re-integratie (eerste of tweede spoor).
Voor het in mindering brengen van de kosten gelden daarnaast, naast elkaar, onder meer de volgende voorwaarden:
Een studiekostenbeding is voor bepaalde opleidingen niet toegestaan. Dit is aan de orde als:
In deze gevallen moet de scholing kosteloos zijn, de studietijd moet als arbeidstijd worden aangemerkt en de scholing moet zo veel als mogelijk in de reguliere werktijd plaatsvinden. Denk bij een wettelijk verplichte opleiding aan een opleiding op grond van de Arbowet.
Ook de algemene scholingsplicht (artikel 7:611a lid 1 BW) valt onder de regeling. Onder deze algemene scholingsplicht moet de werkgever de werknemer in staat stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst als de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen. Er bestaat een lijst met ‘gereglementeerde beroepen’, waarin uiteenlopende beroepen staan, zoals registerloods, deskundige asbestverwijderaar, deskundige duiker, beëdigd tolk of fysiotherapeut. Als het beroep van de werknemer op die lijst vermeld staat, is onder voorwaarden, een studiekostenbeding wel mogelijk, tenzij de opleiding alsnog in een cao verplicht wordt gesteld. In die laatste situatie is een studiekostenbeding niet mogelijk.
Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Voor een bestelauto is net als voor een personenauto bpm verschuldigd. Tot 1 januari 2025 konden ondernemers hiervoor echter onder voorwaarden een ondernemersvrijstelling krijgen. De Belastingdienst heeft antwoord gegeven op de vraag of bij export van een gebruikte bestelauto van vóór 2025 teruggave van bpm plaatsvindt, als voor deze bestelauto eerder bpm is betaald.
De Belastingdienst gaat in het antwoord uit van een situatie waarbij voor een bestelauto met een datum van eerste toelating van vóór 2025, eerder bpm was betaald. Dit gold voor situaties waarbij niet of niet langer aan de voorwaarden voor de bpm ondernemersvrijstelling was voldaan. Zo was de vrijstelling onder meer niet van toepassing als minder dan 10% van de met de bestelauto gereden kilometers zakelijk was.
Onder de tot 2025 geldende regeling was, als niet langer aan de voorwaarden werd voldaan, slechts bpm verschuldigd als na het tijdstip waarop een bestelauto voor het eerst in gebruik was genomen, een periode van minder dan vijf jaar was verstreken. Zo kon een bestelauto dus na vijf jaar ook bpm-vrij verkocht worden aan een particulier.
De vraag was of bij export recht bestaat op een teruggaaf van rest-bpm op het moment dat voor zo’n bestelauto van vóór 2025 al meer dan vijf jaar zijn verstreken na de datum van eerst ingebruikname. De Belastingdienst maakt duidelijk dat bij export andere regels gelden: ook na vijf jaar kan nog steeds een deel van de bpm teruggekregen worden bij export van een bestelauto van vóór 2025. Voorwaarde is wel dat voor die bestelauto daadwerkelijk eerder bpm is betaald.
Hoeveel bpm er teruggegeven wordt, is afhankelijk van de leeftijd van de auto. Hoe ouder de auto, hoe lager de bpm-teruggave. Er bestaat nog recht op teruggave tot een periode van 17 jaar en 10 maanden na de eerste ingebruikname. Daarna krijgt men bij export geen bpm meer terug.
Let op! De antwoorden van de Belastingdienst hebben alleen betrekking op bestelauto’s waarvan de datum van eerste toelating vóór 1 januari 2025 lag.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01