De KIA is een fiscale tegemoetkoming bedoeld om investeringen door met name kleinere ondernemingen te bevorderen. De KIA bestaat uit een percentage van het bedrag aan investeringen. Dit percentage neemt bij een bepaald bedrag aan investeringen af. Boven een investeringsbedrag van € 387.850 (2024) bedraagt het percentage nul. De KIA kan op de winst in mindering worden gebracht, waardoor minder belasting hoeft te worden betaald.
Tip! Meer informatie over de KIA vindt u hier.
De Belastingdienst heeft aangegeven hoe de KIA moet worden berekend als een bv deelneemt in meerdere vof’s. Daarbij is de Belastingdienst ervan uitgegaan dat de vof’s in het jaar investeren, maar dat de bv daarnaast ook zelf investeert.
Voorbeeld
Een bv heeft een belang van 40% in twee vof’s. De ene vof investeert in het jaar voor € 100.000, de andere voor € 80.000. De bv investeert zelf voor € 50.000.
Het totaal aan investeringen bedraagt € 100.000 + € 80.000 + € 50.000 = € 230.000. Het aandeel van de bv hierin bedraagt 40% x € 100.000 + 40% x € 80.000 + € 50.000 = € 122.000. De KIA over € 230.000 bedraagt € 11.915. De bv heeft dan recht op een KIA van € 11.915 x (€ 122.000/€ 230.000) = € 6.321.
De Belastingdienst geeft aan dat genoemde uitkomst gebaseerd is op de zogenaamde samentelregeling (opgenomen in artikel 3.41 lid 3 Wet Inkomstenbelasting).

De Tweede Kamer wil de acceptatieplicht voor contant geld invoeren omdat er op steeds meer plaatsen alleen nog digitaal betaald kan worden, terwijl niet iedereen dit wil of de mogelijkheid heeft om digitaal te betalen. Daarbij krijgt de regering wel de mogelijkheid om uitzonderingssituaties vast te leggen als dit vanwege de uitvoerbaarheid of veiligheid nodig is.
Minister Heijnen wijst er in een reactie op dat over het voorstel verplicht advies aan de ECB gevraagd wordt. Ook wijst hij erop dat bestuursrechtelijke geldschulden niet onder de acceptatieplicht vallen, maar dat hij er voorstander van is dat ook bij de overheid zoveel mogelijk contant betaald moet kunnen worden, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een paspoort.
Voor wat betreft eventuele uitzonderingen op de acceptatieplicht denkt de minister bijvoorbeeld aan periodieke betalingen voor energie of verzekeringen. Anderzijds vindt de minister de lagere kosten, snelheid, efficiency en het lagere risico op diefstal door het personeel geen gegronde redenen voor het maken van een uitzondering.
Het weigeren van contant geld vanwege veiligheidsaspecten zal nader dienen te worden onderzocht, aldus Heijnen. Bij een hoog risico op overvallen acht hij een weigering om cash te accepteren aanvaardbaar, maar het is onwenselijk als dit aspect door iedereen als argument kan worden ingeroepen voor een uitzonderingssituatie.
De minister kondigt nader overleg aan, waarbij onder meer ondernemers- en consumentenorganisaties zullen worden betrokken. Ook zal hij de financiële gevolgen van de acceptatieplicht hierbij betrekken.

De verhoging vloeit voort uit de koppeling die bestaat met de ontwikkeling van de contractlonen. Hiervan kan worden afgeweken, maar op grond van de feiten is dit niet nodig.
Sinds 1 januari 2024 wordt het minimumloon uitgedrukt in een wettelijk minimumuurloon. Dit betekent dat er geen vaste minimumdag-, -week- en -maandlonen meer voorgeschreven kan worden door de wet.
Let op! Per sector kan de omvang van een voltijds dienstverband verschillen, bijvoorbeeld 36, 38 of 40 uur per week.
Er wordt nog wel een referentiemaandloon vastgesteld om de hoogte en indexatie van een aantal uitkeringen vast te stellen. Dit referentiemaandloon gaat per 1 januari 2025 € 2.191,80 bruto bedragen.
Let op! Op de loonstrook moet u het geldende wettelijke minimumuurloon vermelden voor de betreffende leeftijd van de werknemer en de periode waar de loonstrook betrekking op heeft.
Tip! De brutobedragen van het minimumuurloon met ingang van 1 januari 2025 voor alle leeftijdscategorieën vindt u hier.
Er is erkenning voor uitdagingen waarmee deze groep werknemers in zware beroepen wordt geconfronteerd. De nieuwe regeling biedt een uitweg voor degenen die fysiek of mentaal niet in staat zijn hun werkzaamheden tot de AOW-gerechtigde leeftijd voort te zetten.

De huidige RVU-regeling is bedoeld om mensen die niet meer door kunnen werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd in staat te stellen eerder te stoppen met werken. Zij kunnen dan maximaal 3 jaar eerder stoppen met werken.
De AOW-leeftijd is op dit moment 67 jaar. Dat betekent dus dat werknemers op dit moment vanaf 64 jaar voor de regeling in aanmerking zou kunnen komen. Vanaf 2028 gaat de AOW-leeftijd naar 67 jaar en 3 maanden. Dus dat betekent dat vanaf 2025 het vroegste moment opschuift naar 64 jaar en 3 maanden. Deze regeling stopt op 31 december 2025.
Het is essentieel dat zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk doorwerken. De focus van werkgevers én werknemers moet dus gericht zijn op duurzame inzetbaarheid en doorwerken tot de AOW-leeftijd. De nieuwe RVU-regeling is daarom, meer nog dan de huidige regeling, uitsluitend bedoeld voor mensen met zware beroepen. Wat dat precies is en aan welke eisen moet worden voldaan, wordt per cao afgesproken. Een onafhankelijke instantie toetst die afspraken. Daarmee wil men voorkomen dat mensen die geen zwaar beroep hebben ook gebruik kunnen maken van deze regeling.
De huidige RVU-uitkering bedraagt maximaal € 2.182,- bruto per maand. Dit bedrag is gekoppeld aan de hoogte van de AOW. In de vernieuwde regeling blijft het bedrag gelijk. Daarnaast zal het mogelijk worden om € 300,- per maand extra te geven, zodat met name mensen met lage inkomens ook van de regeling gebruik kunnen maken.
Let op! Het is niet de bedoeling dat dit ruimere bedrag generiek zal worden ingezet. Het dient uitsluitend voor situaties waarin een extra bedrag nodig zal zijn.
Naast deze afspraken, of misschien wel beter gezegd, als basis onder deze afspraken, zijn ook afspraken gemaakt over duurzame inzetbaarheid. Doelstelling is dat iedereen moet en kan doorwerken tot de AOW-leeftijd. Om dat te bereiken zal worden ingezet op het verlichten van zwaar werk en het verkorten van blootstelling aan zwaar werk. Daarnaast zal worden ingezet op het op tijd aanbieden van begeleiding aan mensen met zwaar werk zodat zij een andere functie binnen of buiten de huidige onderneming of sector kunnen gaan vervullen.
Een ondernemer werkte voor zijn onderneming een groot gedeelte van het jaar ver weg van zijn woonplaats. Daarom huurde hij een verblijfsruimte dichtbij dat werk. De Belastingdienst erkende dat deze huurkosten ten behoeve van zijn onderneming werden gemaakt en stond aftrek van deze kosten van de winst toe.
De ondernemer moest echter ook eten en koos ervoor om de maaltijden niet zelf te bereiden, maar uit eten te gaan. De kosten hiervan wilde hij ook in aftrek brengen van zijn winst, maar de Belastingdienst, de rechtbank en het gerechtshof stonden dat niet toe. Zij vonden dat de noodzaak om te eten ook aanwezig was als de ondernemer gewoon thuis verbleef. De kosten waren daarom geen ondernemingskosten maar privékosten.
De Hoge Raad is het daar niet mee eens. De Hoge Raad vindt dat als de verblijfkosten zakelijk zijn, de kosten voor maaltijden dat in beginsel ook zijn. Alleen als het belopen van die kosten uitsluitend in de privésfeer zou zijn gelegen, kan dit anders zijn. Het enkele feit dat de kosten van uit eten gaan hoger zijn dan eten wat thuis bereid en genuttigd wordt, betekent echter nog niet dat het belopen van die kosten uitsluitend in de privésfeer gelegen is.
De ondernemer kon de kosten van het eten buiten de deur daarom gewoon in aftrek brengen.
Voor de aftrek van onder meer de kosten van voedsel is in de wet echter wel een correctie opgenomen voor het privé-element. De kosten van voedsel, drank en genotmiddelen, representatie, congressen, seminars, studiereizen en dergelijk komen tot een bedrag van € 5.600 per jaar daarom niet in aftrek van de winst. In plaats van een niet aftrekbaar bedrag van € 5.600, kan de ondernemer er echter ook voor kiezen om 80% van deze kosten in aftrek te brengen. De ondernemer uit de zaak die speelde bij de Hoge Raad kon daarom niet alle kosten voor het uit eten gaan in aftrek brengen, maar hield rekening met deze correctie.
Als u ook in verband met uw onderneming een verblijfsruimte ver weg van uw thuis huurt, kunt u naast de huurkosten, dus ook de kosten van uw maaltijden in aftrek brengen. In het arrest van de Hoge Raad ging het om kosten van eten buiten de deur, maar uit het arrest lijkt opgemaakt te kunnen worden dat dit ook geldt voor de kosten van het in de verblijfsruimte zelf bereiden van de maaltijden.
U moet uiteraard wel rekening houden met het niet aftrekbare bedrag van € 5.600 of maar 80% van de kosten in aftrek brengen.
Neem voor vragen contact op met onze adviseurs. Houd er verder rekening mee dat de staatssecretaris waarschijnlijk niet blij is met het oordeel van de Hoge Raad. Mogelijk betekent dit dat de wet op dit punt in de toekomst gewijzigd wordt.
Met de regeling Tijdelijke vrijstelling mrb en bpm (belasting van personenauto’s en motorrijwielen) voor ontheemden uit de Oekraïne kan een vrijstelling van Nederlandse mrb en bpm worden verkregen. Hiervoor moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Let op! De regeling is al een paar keer verlengd, maar eindigt nu op 4 maart 2025.
De tijdelijke vrijstelling geldt alleen als de Oekraïense vluchteling zich hiervoor bij de Belastingdienst heeft aangemeld. Dat hoeft maar één keer en dus niet elke keer bij een verlenging opnieuw. Oekraïense vluchtelingen die nog geen gebruikmaken van de regeling, kunnen zich nog altijd aanmelden. U leest hier hoe dat moet.
Voor de bpm kan de Oekraïense vluchteling een vrijstelling aanvragen. Als die vrijstelling wordt toegekend, hoeft hij ook vanaf 5 maart 2025 geen bpm te betalen. Aanvragen kan via het formulier Aanvraag vrijstelling bpm voor motorrijtuig uit Oekraïne. Voorwaarden voor deze vrijstelling zijn:
Let op! Als de vrijstelling verkregen is, mag de vluchteling het motorrijtuig binnen één jaar nadien niet verkopen, verhuren of uitlenen. Hij mag het motorrijtuig wel uitlenen aan inwonende gezinsleden met een rijbewijs.
Door het beëindigen van de regeling moeten Oekraïense vluchtelingen vanaf 5 maart 2025 wel mrb gaan betalen. Hiervoor moet het motorrijtuig uiterlijk op 4 maart 2025 voorzien zijn van Nederlandse kentekenplaten.
Tip! Het aanvragen van Nederlandse kentekenplaten kan veel tijd kosten. Het is daarom verstandig om de aanvraag zo snel mogelijk in te dienen.
Het aanvragen van Nederlandse kentekenplaten gaat als volgt:
Let op! Vergeet ook niet minimaal een WA-verzekering af te sluiten. Mogelijk moet het motorrijtuig ook nog APK gekeurd worden.
De hospice, een ANBI, had de betaalde btw over de voorbereidingskosten van de bouw van het hospice in aftrek gebracht, maar de inspecteur en ook de rechtbank gingen hier niet in mee. De stichting voerde aan dat er geen sprake is van een zorginstelling en dat men dus geen vrijgestelde diensten verrichtte. De stichting verricht namelijk zelf geen medische zorg, wel stervensbegeleiding. Ook verleent de hospice bijstand aan de naasten van de patiënt.
De stichting wees er ook op dat de gastenkamers slechts verhuurd worden aan personen met een levensverwachting van maximaal drie maanden, waarbij genezing niet meer mogelijk is. Medische zorg dient te worden geregeld via derden. Desondanks achtte de rechtbank de vrijstelling voor kort verblijf verhuur niet van toepassing.
De rechtbank concludeerde dat het geboden verblijf en de hierbij verleende zorg was vrijgesteld van btw op grond van de vrijstelling voor verblijfszorg. De vrijstelling is zowel van toepassing als er een indicatie is op grond van de Wlz (Wet langdurige zorg) als wanneer deze er niet is, aldus de rechtbank. In het laatste geval moet de zorg namelijk aangemerkt worden als een dienst van sociale aard. De rechtbank stelde de inspecteur dan ook in het gelijk, die de aftrek had geweigerd.

De NHG biedt kopers van een woning een financieel vangnet als er moeilijkheden optreden met betrekking tot de betaling van de hypotheeklasten, bijvoorbeeld als gevolg van echtscheiding, overlijden van een partner of werkloosheid. De woonlasten kunnen dan tijdelijk worden verlaagd. Ook kan bij gedwongen verkoop van de woning de restschuld soms worden kwijtgescholden en kan een restschuld bij verhuizing soms worden meegefinancierd.
Tip! Bij het afsluiten van een hypotheek met NHG mogen energiebesparende maatregelen worden meegefinancierd. Als mensen hun woning willen verduurzamen, komt de NHG-grens op € 477.000 te liggen. U vindt hier meer informatie.
Let op! Naast de maximale grens van € 450.000 (2025) gelden meer voorwaarden voor de aanvraag van een NHG. Hier vindt u alle informatie.
Het verkrijgen van een hypotheek met NHG kost nu nog 0,6% van het hypotheekbedrag. Vanaf volgend jaar (2025) wordt dit 0,4%. Een hypotheek met NHG kent bovendien een lager rentepercentage, waardoor de hypotheek per saldo toch voordeliger is.
Tip! De kosten van de aanvraag van een hypotheek met NHG zijn fiscaal aftrekbaar.
Let op! Deze uitspraak is dus van belang in zaken die spelen ná de wetsaanpassing van 1 januari 2022.

De thuiszorgorganisatie is een zogenoemde eigenrisicodrager voor de WIA. Dit houdt in dat het bedrijf zelf na twee jaar ziekte van de werknemer het risico draagt voor de WIA-uitkering als daar recht op is. Dit betekent dat hij zowel in financieel opzicht verantwoordelijk is, als ook een re-integratieplicht heeft. Als een werknemer recht heeft op een WIA-uitkering, stelt het UWV de eigenrisicodrager van die toekenning op de hoogte met de mededeling dat de uitkering voor rekening van de eigenrisicodrager komt (toerekening). Het UWV betaalt vervolgens de WIA-uitkering aan de werknemer en factureert die kosten maandelijks aan de eigenrisicodrager (verhaal).
Nadat de werknemer twee jaar arbeidsongeschikt was geweest, vroeg zij een WIA-uitkering aan bij het UWV. Het UWV kon door achterstanden niet op tijd vaststellen of de werknemer recht had op een WIA-uitkering.
In afwachting van de WIA-keuring, keerde het UWV daarom voorschotten uit aan de werknemer van de thuiszorgorganisatie. Deze voorschotten werden door het UWV aan de thuiszorgorganisatie toegerekend. Tegen dit besluit ging de thuiszorgorganisatie in beroep. Van de rechtbank kreeg de thuiszorgorganisatie gelijk. Het UWV was het hiermee niet eens en stelde hoger beroep in.
Op 1 januari 2022 is de WIA gewijzigd en is een bepaling opgenomen dat het UWV WIA-voorschotten mag verhalen op eigenrisicodragers. In de gewijzigde wet staat echter niet expliciet dat het UWV de voorschotten ook mag toerekenen aan de eigenrisicodrager. Volgens de CRvB zou de gewijzigde bepaling over het verhalen van voorschotten zinloos zijn als het UWV deze niet zou mogen toerekenen. Het toerekenen van de voorschotten is namelijk een noodzakelijke stap om de voorschotten te kunnen verhalen op de eigenrisicodragers.
De CRvB geeft het UWV dus gelijk. Het UWV mocht de betaalde voorschotten in rekening brengen bij de thuiszorgorganisatie. Eerder oordeelde de CRvB dat het UWV dit niet mocht. Maar die zaak speelde vóór de wetswijziging van 1 januari 2022.
De eerder voorgestelde wijzigingen hebben betrekking op vervoerkosten die een belastingplichtige maakt vanwege zorg, bijvoorbeeld voor bezoek aan een specialist. Nu mogen nog de werkelijke vervoerskosten van het inkomen worden afgetrokken, maar vanaf volgend jaar kan dit slechts tegen een vast bedrag van € 0,23 per km. Daarnaast wordt voorgesteld om de extra vervoerkosten die een zieke of invalide belastingplichtige maakt ten opzichte van een vergelijkbare, gezonde persoon, vanaf 2025 te bepalen op een vast bedrag van € 925 per jaar. Nu nog kunnen de werkelijke meerkosten in aftrek worden gebracht.
Het kabinet heeft onlangs aangegeven dat bij de bovengenoemde vervoerkosten in verband met bezoek aan bijvoorbeeld een specialist, naast het bedrag van € 0,23 per km, vanaf 2025 ook de parkeer-, veer- en tolgelden in aftrek komen. Deze aftrek was per ongeluk niet in de voorstellen opgenomen.
Let op! Bewaar wel de betalingsbewijzen van deze parkeer-, veer- en tolgelden. Anders is het namelijk niet mogelijk om deze in aftrek te brengen.
De uitbreiding zal ook gaan gelden bij de al bestaande aftrekmogelijkheid voor vervoerkosten in verband met ziekenbezoek van een langdurig verpleegde huisgenoot. Ook die kosten zijn onder voorwaarden aftrekbaar tegen € 0,23 per km, maar ook dit bedrag wordt dus uitgebreid met de aftrek van de werkelijke parkeer-, veer- en tolgelden.
Let op! De voorstellen zijn pas definitief als deze door de Tweede én de Eerste Kamer zijn goedgekeurd. Stemming in de Eerste Kamer staat gepland op 17 december 2024.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01