HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Beschermingsbewind

Een werknemer kan onder bewind worden gesteld wanneer hij of zij door lichamelijke of geestelijke problemen, verkwisting of problematische schulden niet in staat is om de eigen financiën te beheren. Dit geldt overigens niet alleen voor werknemers maar voor alle meerderjarigen. We spreken dan van beschermingsbewind.

Loon onder bewind gestelde werknemer betaalt aan werknemer

In een procedure bij een rechtbank had een werkgever het loon over de periode dat een nieuwe werknemer bij hem had gewerkt, van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024, aan de werknemer betaald. De werknemer was echter op 2 juni 2022 onder bewind gesteld. De betaling had daarom moeten plaatsvinden aan de bewindvoerder.

Loonvordering bewindvoerder

De bewindvoerder sommeerde de werkgever schriftelijk op 11 februari 2026 om het ten onrechte aan de werknemer betaalde bedrag alsnog aan haar te betalen. Als de werkgever hier niet toe zou overgaan, volgde een procedure bij de rechter. De bewindvoerder voerde aan dat de werkgever niet bevrijdend had betaald, omdat hij niet aan de bewindvoerder had betaald. De werkgever voerde aan dat hij niet wist dat de werknemer onder bewind was gesteld en dat de werknemer zelf had aangegeven dat het loon aan hem moest worden uitbetaald.

Door rechtbank toegewezen

De zaak kwam bij de rechtbank voor. De rechter oordeelde dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de werknemer maar aan de bewindvoerder. De werkgever had dus niet-bevrijdend betaald aan de werknemer. Dat de werkgever dit niet wist deed niet terzake. De rechtbank stelde dat de werkgever had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond omdat dit ingeschreven is in een openbaar register.

Let op! De bewindvoerder vorderde een brutobedrag aan loon, maar kreeg van de rechtbank een nettobedrag omdat de werknemer ook een nettobedrag aan loon had ontvangen. De bewindvoerder is immers niet verplicht tot het afdragen van de werkgeverspremies en andere werkgeversverplichtingen.

Controleer het curatele- en bewindregister

 Een werkgever doet er goed aan altijd het curatele- en bewindregister te raadplegen. Aan de hand van de achternaam en de geboortedatum kan de werkgever eenvoudig achterhalen of de werknemer in het register ingeschreven staat.

Betrek bewindvoerder ook bij beëindigen arbeidsovereenkomst

Al eerder is uitgemaakt dat een onder bewind gestelde werknemer niet bevoegd is in een ontbindingsprocedure op te treden. De bewindvoerder geldt als formele procespartij.  Wordt de bewindvoerder niet betrokken dan volgt een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 
Ook bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst met een onder bewind gestelde werknemer is medewerking nodig van de bewindvoerder.

Vordering op werknemer vanwege niet aflossen personeelslening

Bij een kantonrechter en in hoger beroep een gerechtshof speelde de volgende casus. Een werkgever had aan een werknemer een geldlening verstrekt van € 50.000 tegen een rente van 7% op jaarbasis. Bedragen die de werknemer niet tijdig afloste, mocht de werkgever inhouden op het eerstvolgende loon van de werknemer.

De geldlening was nog niet volledig terugbetaald toen de arbeidsovereenkomst met de werknemer eindigde. De werknemer betaalde nadien niets meer. De werkgever zag zich daarom genoodzaakt bij de rechter een bedrag van bijna € 52.000 te vorderen van de ex-werknemer.

Kantonrechter wijst vordering af

De kantonrechter stelde de werkgever niet in het gelijk. De door de werkgever verstrekte lening moest namelijk worden aangemerkt als een consumentenkrediet. Dit betekende dat de werkgever een informatieverplichting had ten opzichte van de werknemer. Bovendien had de werkgever een kredietwaardigheidstoets moeten uitvoeren.

Nu de werkgever niet kon laten zien dat voldaan was aan de informatieverplichting en de kredietwaardigheidstoets, wees de kantonrechter de vordering van de werkgever af.

Ook gerechtshof wijst vordering af

De werkgever liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in bij het gerechtshof. Volgens de werkgever was geen sprake van een consumentenkrediet, omdat de lening niet als kredietgever maar als werkgever in het kader van de arbeidsovereenkomst was verstrekt.

Het gerechtshof oordeel dat een overeenkomst van consumentenkrediet een wettelijk gereguleerde overeenkomst is. Daarbij verleent een kredietgever aan een consument krediet of zegt dit toe in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere soortgelijke betalingsfaciliteit.

Het gerechtshof was van oordeel dat de door de werkgever verstrekte lening binnen deze definitie viel. Het maakte niet uit dat de werkgever niet alleen de geldverstrekker, maar ook de werkgever was.

Is er een escape?

Er is wel een escape. De regels die betrekking hebben op het verstrekken van consumentenkrediet zijn namelijk niet van toepassing als:

Let op! De werkgever die procedeerde bij de kantonrechter en het gerechtshof kon zich hier niet op beroepen omdat de rente van 7% marktconform was.

Wees alert bij verstrekken van personeelsleningen

Wees dus alert bij het verstrekken van personeelsleningen. Het risico bestaat dat de lening wordt aangemerkt als een consumentenkrediet. In dat geval moet je vóór het verstrekken van de lening voldoen aan een informatieverplichting en een kredietwaardigheidstoets uitvoeren. Laat je daarom goed informeren door een deskundige of jouw personeelslening mogelijk een consumentenkrediet is.

Wat speelde er?

Een werknemer was sinds 1985 in dienst bij de werkgever voor 40 uur per week. Hij werd in 2015 ziek en viel langdurig uit. Hij hervatte zijn werk vanaf 2017 voor 20 uur per week. Hij ontving vanwege zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (voor 20 uur per week) vanaf 2017 ook een WIA-uitkering.

De werkgever wilde in 2017 het lagere aantal uren formaliseren door middel van een contractaanpassing. De werknemer ging hier niet in mee, omdat hij de mogelijkheid om verder op te bouwen wilde openhouden. Hij bleef de daaropvolgende jaren 20 uur per week werken. Na een nieuwe uitval in 2023 werd hij uiteindelijk volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

De arbeidsovereenkomst werd vervolgens met ingang van 1 april 2026 met wederzijds goedvinden van werkgever én werknemer beëindigd. Partijen kregen echter onenigheid over de hoogte van de transitievergoeding. De werkgever stelde dat deze gebaseerd moest zijn op een 20-urige werkweek. De werknemer vond dat er nog steeds een arbeidsovereenkomst was voor 40 uur per week. Het aantal uren was volgens hem niet aangepast. De transitievergoeding moest daarom gebaseerd worden op een 40-urige werkweek.

Oordeel rechter

De rechter moest eraan te pas komen. De rechtbank ging nog mee met de werkgever en berekende het deel van de transitievergoeding vanaf 2017 op basis van een 20-urige werkweek. Na hoger beroep oordeel het gerechtshof echter anders.

Volgens het gerechtshof was er geen sprake geweest van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer had immers niet expliciet ingestemd met een structurele vermindering van zijn arbeidsduur. Hij had juist aangegeven geen vermindering te willen en ook had hij zijn wens om zijn uren uit te breiden niet prijsgegeven. De werkgever had niet voldoende laten onderzoeken of uitbreiding van de uren medisch gezien nog mogelijk was. De bedrijfsarts was sinds 2017 zelfs niet meer betrokken geweest. De conclusie was daarom dat de overeengekomen arbeidsduur nog steeds 40 uur per week bedroeg.

Dit had tot gevolg dat de transitievergoeding geen € 29.699,55 bruto, maar het dubbele namelijk 
€ 59.399,10 bruto bedroeg.

Kun je dit voorkomen in de praktijk?

Het is de vraag of je de dubbele transitievergoeding kunt voorkomen in de praktijk.

Als de werknemer uit bovenstaande casus in 2017 akkoord was gegaan met de aangepaste arbeidsovereenkomst, was op dat moment sprake geweest van nieuw bedongen arbeid. Hij had dan ook recht gehad op een pro rato transitievergoeding voor de 20 uur die hij verloren had.

Let op! Nu in deze casus geen sprake was van nieuw bedongen arbeid, had de werkgever bij hernieuwde uitval niet langer de verplichting om het loon tijdens ziekte door te betalen. De werknemer had immers al 104 weken loon ontvangen. Dit is door de Hoge Raad zo bepaald in 2011. Dat is dan weer een voordeel voor de werkgever, maar een nadeel voor de werknemer.

Let op! Het is ingewikkelde materie. Het is van belang om als werkgever goed advies in te winnen en je werknemer goed te informeren over de consequenties van zijn keuze.

Eigen auto of auto van de zaak

Als eerste is van belang om vast te stellen of je werknemer met een eigen auto of met een auto van de zaak rijdt.

Eigen auto

Voor een werknemer met een eigen auto vormt het plaatsen van een laadpaal bij de woning of het geven van een vergoeding daarvoor over het algemeen belast loon. Die werknemer mag je namelijk maximaal € 0,25 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. De kosten van een laadpaal zijn in die € 0,25 begrepen.

Dus als je al € 0,25 per zakelijke kilometer vergoedt, zijn de kosten van de laadpaal (inclusief plaatsen) of de vergoeding daarvoor volledig belast loon. Vergoed je een lager bedrag per zakelijke kilometer, bijvoorbeeld € 0,20, dan kun nog € 0,05 per zakelijke kilometer onbelast geven voor de kosten van de laadpaal.

Let op! Als je al € 0,25 per zakelijke kilometer vergoedt, kun je de laadpaal of de vergoeding daarvoor wellicht nog aanwijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (wkr). Dat moet dan wel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets.

Auto van de zaak

Rijdt de werknemer in een auto van de zaak, dan kun je onbelast een laadpaal bij de woning van een werknemer plaatsen of een vergoeding daarvoor geven. De kosten van de laadpaal zijn namelijk verwerkt in de bijtelling voor privégebruik auto.

Let op! Rijdt de werknemer aantoonbaar niet meer dan 500 kilometer privé? Dan is er geen bijtelling voor privégebruik auto. Ook dan kun je onbelast een laadpaal bij de woning van een werknemer plaatsen of een vergoeding daarvoor geven omdat de laadpaal bedoeld is voor zakelijk gebruik.

Teruggave laadpaal?

Plaats je de laadpaal en gaat daarbij de eigendom over op de werknemer? Dan hoef je geen belast loon in aanmerking te nemen als de werknemer de laadpaal niet teruggeeft bij het einde van de lease- of arbeidsovereenkomst.

Let op! De laadpaal zal door natrekking vaak eigendom worden van de werknemer. Als de werknemer juridische eigenaar is van de grond waar de laadpaal op geplaatst wordt, wordt de werknemer door natrekking namelijk ook eigenaar van de laadpaal.

Het kan zijn dat de leasemaatschappij of werkgever een recht van opstal gevestigd heeft. In dat geval blijft de leasemaatschappij of werkgever de eigenaar van de laadpaal. Als de laadpaal dan niet teruggeëist wordt, zal sprake zijn van belast loon.

Let op! Is de laadpaal eigendom van de werknemer, maar heeft de werkgever een teruggavebeding afgesproken? Dan is ook sprake van belast loon als de werkgever de laadpaal niet terugeist. Hoe hoog dat loon is, is afhankelijk van de waarde van de laadpaal op dat moment.

Herroeping

De Belastingdienst heeft zich uitgesproken over een casus waarin iemand alle aandelen in een bv schonk aan een ander. In de schenkingsakte was een mogelijkheid opgenomen om deze schenking te herroepen. De schenker maakte gebruik van dit herroepingsrecht waardoor de aandelen weer terugkeerden in zijn vermogen.

Afrekening in box 2

De Belastingdienst heeft aangegeven dat in deze situatie bij de ontvanger van de schenking een afrekening plaatsvindt in box 2. De Belastingdienst vindt namelijk dat in zo’n geval een (fictieve) vervreemding van de aandelen plaatsvindt.

De waarde waartegen de vervreemding plaatsvindt is de waarde in het economische verkeer op het moment van de herroeping. De verkrijgingsprijs van de aandelen voor de ontvanger van de schenking is de waarde in het economische verkeer op het moment van schenking.

In een voorbeeld

Stel dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van schenking € 1.500.000 is. Als de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van herroeping € 2.000.000 is, wordt bij de ontvanger van de schenking een vervreemdingsvoordeel in box 2 in aanmerking genomen van € 500.000. De ontvanger betaalt hierover tot 31% belasting!

Let op! In dit vereenvoudigde voorbeeld van de werkelijkheid is geen rekening gehouden met eventuele uitgekeerde dividenden en eventuele gevolgen van de herroeping hiervoor.

Compensatie?

De (fictieve) vervreemding van de aandelen bij een herroeping van de schenking, kan zuur uitpakken voor de ontvanger van de schenking. Die wordt immers geconfronteerd met een afrekening in box 2, zonder dat hij/zij daar enige invloed op heeft of zelf inkomsten van heeft ontvangen.

Bij het schenken van de aandelen zou in de schenkingsovereenkomst wellicht een verplichting tot compensatie van de ontvanger van de schenking opgenomen moeten worden. Dit in verband met de kennis dat de Belastingdienst een belastbaar feit in aanmerking zal willen nemen bij herroeping van een schenking van box 2 aandelen.

Let op! De schenker profiteert ook van de afrekening die bij de ontvanger van de schenker plaatsvindt in box 2. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt voor de schenker namelijk verhoogd. In het voorbeeld dus naar € 2.000.000.

Tegengeluid?

In de literatuur is overigens niet iedereen het eens met het standpunt van de Belastingdienst. Zo zijn er geluiden dat in deze situatie geen vervreemdingsvoordeel bij de ontvanger van de schenking in aanmerking zou moeten komen. Bij de schenker zou dan zijn oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen weer moeten herleven. Er zijn echter ook geluiden die het standpunt van de Belastingdienst onderschrijven.

Let op! De Hoge Raad moet zich nog over een dergelijke situatie uitspreken. 

Aangifte en aanslagen inkomstenbelasting (IB)

Het was al mogelijk om in je berichtenbox aan te geven dat je de uitnodiging tot het doen van aangifte IB en je voorlopige en definitieve aanslag IB niet-winst alleen nog digitaal van de Belastingdienst ontvangt.

De digitale post komt in je berichtenbox op Mijn Overheid en/of in je berichtenbox app. Je kunt zo’n keuze weer herzien. Vanaf dat moment ontvang je de post van de Belastingdienst weer op papier.

Let op! Zet wel je e-mailnotificatie aan in Mijn Overheid zodat je een e-mail krijgt als er digitale post is.

Tip! De Belastingdienst heeft op de website een stappenplan voor het kiezen voor digitale post.

Zakelijk post

In Mijn Belastingdienst Zakelijk kun je nu ook doorgeven dat je zakelijke post alleen nog digitaal wilt ontvangen. Je ontvangt dan niet meteen alle zakelijke post digitaal. De Belastingdienst geeft aan dat de eerste brieven over de btw binnenkort digitaal beschikbaar zijn. Daarna komen de overige btw-brieven en tot slot de post over andere zakelijke belastingen digitaal beschikbaar.

Btw-ondernemerschap VvE

Voor het beheer en onderhoud van gemeenschappelijke delen van een onroerende zaak is een VvE geen btw-ondernemer. Hierdoor is de financiële bijdrage die de leden betalen aan de VvE ook niet belast met btw. Keerzijde daarvan is dat de VvE geen recht heeft op aftrek van btw op kosten die betrekking hebben op deze beheers- en onderhoudsactiviteiten. 

Voor ander activiteiten, zoals de exploitatie van laadpalen of de verhuur van ruimten, kan een VvE wel btw-ondernemer zijn. Daardoor kan een VvE wel recht hebben op aftrek van btw op kosten die betrekking hebben op deze btw-belaste activiteiten van de VvE.

Let op! Als de verhuur van ruimten is vrijgesteld van btw, kan de VvE de btw die daarop betrekking heeft ook niet in aftrek brengen. De onderstaande goedkeuring geldt niet voor deze niet-aftrekbare btw.

Goedkeuring

Omdat de VvE de btw op de beheers- en onderhoudskosten niet in aftrek kan brengen, vormt de btw een kostenpost. Dit kan tot cumulatie van btw leiden als de VvE leden-btw-ondernemers heeft die wel recht op btw-aftrek hebben. Daarom bestond vroeger al een bestendige gedragslijn die in 2011 als goedkeuring is opgenomen in het  Besluit Aftrek van omzetbelasting. Deze goedkeuring houdt in dat de leden-btw-ondernemers de door de VvE niet in aftrek gebrachte btw onder voorwaarden – naar rato- in aftrek mogen brengen. Op deze manier wordt de btw op de beheers- en onderhoudskosten doorgeschoven naar deze leden.

Het bedrag dat zij in aftrek mogen brengen, wordt berekend naar rato van de financiële bijdrage van de betreffende btw-ondernemer aan de vereniging.

Let op! Een ondernemer-lid dat de btw op de beheers- en onderhoudskosten in aftrek brengt op grond van deze goedkeuring, neemt voor de btw-heffing alle rechten en verplichtingen op zich alsof de btw aan hem in rekening is gebracht en alsof hij de beschikkingsmacht over het goed heeft verworven. Dit betekent dat de ondernemer eventueel ook rekening moet houden met de btw-herzieningsregels.

Verruiming goedkeuring in 2026

In de oorspronkelijke goedkeuring stond als voorwaarde dat de VvE niet mocht kwalificeren als btw-ondernemer. Omdat tegenwoordig steeds vaker voorkomt dat een VvE naast haar reguliere activiteiten, waarvoor zij geen btw-ondernemer is, ook btw-belaste activiteiten verricht, is deze voorwaarde verruimd. Nu geldt als voorwaarde voor de doorschuifmogelijkheid dat de VvE de betreffende goederen en diensten waarop de btw drukt, niet als ondernemer heeft aangeschaft. Hierdoor kan een VvE de btw op kosten voor haar reguliere activiteiten doorschuiven naar haar leden-btw-ondernemers, ondanks dat zij wel btw-ondernemer is voor eventuele andere activiteiten.

ERE-certificaten

ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden) hebben CO2-besparing als doel. Als je een daarvoor geschikt laadpunt hebt (dat is een laadpunt met een gecertificeerde MID-meter), kun je een vergoeding krijgen voor thuis geladen kWh’s. De hoogte van deze vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kWh’s en de marktwaarde van de certificaten.

Let op! Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moet je voldoen aan verschillende voorwaarden. Op de website van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) is hierover meer informatie te vinden. Hier vind je ook een lijst met erkende inboekdienstverleners.

Elektrische auto van de zaak

Ook als een werknemer een elektrische auto van de zaak thuis laadt, kan de werknemer in aanmerking komen voor een vergoeding voor de ERE-certificaten. De werknemer vraagt deze zelf aan. De Belastingdienst heeft bevestigd dat deze vergoeding geen loon vormt en dus onbelast is.

Let op! Dit geldt ook voor de dga met een auto van de zaak.

Wel van invloed op werkelijke laadkosten

Vergoed je aan de werknemer de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak, dan is dat ook onbelast. Dit zijn namelijk intermediaire kosten. Houd er wel rekening mee dat door de vergoeding voor de ERE-certificaten de werkelijke laadkosten omlaaggaan. Je kunt daarom minder onbelast aan de werknemer vergoeden als de werknemer een vergoeding voor ERE-certificaten ontvangt.

Let op! Dit geldt alleen als je de werkelijke laadkosten vergoed. Heb je met je werknemer afspraken gemaakt over doorlevering van de energie onder zakelijke marktconforme voorwaarden? Dan heeft de vergoeding voor de ERE-certificaten geen invloed op de onbelaste vergoeding. Bij zakelijke marktconforme voorwaarden is namelijk de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken bepalend. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.

2 of 8% overdrachtsbelasting

Op de levering van een woning is in 2026 in principe 8% overdrachtsbelasting verschuldigd. Gebruik je de woning na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf, dan geldt een tarief van 2%.

Let op! Voor starters geldt, onder voorwaarden, eventueel nog een startersvrijstelling.

Onvoorziene omstandigheden

Het kan zijn dat een koper een woning niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf kan gaan gebruiken door onvoorziene omstandigheden. In zo’n geval wordt de woning dan geacht toch anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt te zijn en kan het 2% tarief van toepassing blijven.

Doorverkoop na iets meer dan een maand

Er moet dan wel echt sprake zijn van onvoorziene omstandigheden. Een koper die een appartement kocht en niet bewoonde, vond dat in zijn geval sprake was van onvoorziene omstandigheden.

De dag na de levering van de woning kwam hij enige tijd vast te zitten in de lift. Door verslechtering van zijn gezondheid, kon hij moeilijk gebruikmaken van de trap. En vanwege zijn claustrofobie durfde hij na het liftincident, niet meer in de lift. Hij verkocht het appartement daarom binnen iets meer dan een maand weer door, zonder er zelf gewoond te hebben.

Claustrofobie geen bijzondere omstandigheid

De rechter vond dat er geen sprake was van onvoorziene omstandigheden. De lift was op het moment van aankoop van het appartement al aanwezig. Bovendien was niet aannemelijk dat sprake was van structurele gebreken of onveilige situaties met de lift. Het vast komen te zitten in de lift, was naar het oordeel van de rechter geen onvoorziene omstandigheid, ook niet in het licht van de claustrofobie.

Gevolg was dat over de levering van de woning 10,4% (het toenmalige tarief) overdrachtsbelasting verschuldigd was in plaats van 2%.

Verdeling inkomen en aftrek

Inkomens- en aftrekposten die je onderling mag verdelen zijn:

Let op! In je aangifte kun je voor de verdeling kiezen die voor jullie het gunstigst is.

Tot wanneer wijzigen verdeling?

De wijziging van de verdeling tussen partners kan nog plaatsvinden zolang de aanslagen van de belastingplichtige en zijn partner nog niet onherroepelijk vaststaan. Als je geen bezwaar maakt tegen de definitieve aanslag, staat deze zes weken na de dagtekening onherroepelijk vast. De aanslag staat nog niet onherroepelijk vast, als je tijdig bezwaar of beroep hebt ingesteld en dit nog loopt of er nog geen zes weken verstreken zijn na de uitspraak op bezwaar/beroep.

Let op! Procedeer je door tot aan de Hoge Raad, dan staat je definitieve aanslag na de uitspraak van de Hoge Raad meteen onherroepelijk vast. In dit geval geldt een uitzondering en kunt je daarna nog binnen zes weken verzoeken om wijziging van de verdeling.

Ook wijziging verdeling bij navordering

In geval van een navorderingsaanslag vond de Belastingdienst tot voor kort dat wijziging van de verdeling alleen betrekking kon hebben op inkomen en/of aftrekposten die waren nagevorderd. Alle andere onderdelen uit de al onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen IB konden volgens de Belastingdienst niet opnieuw worden verdeeld. De Hoge Raad was het hier niet mee eens en oordeelde dat de wijziging van de verdeling niet beperkt is tot de inkomensbestanddelen waarop de navordering betrekking heeft.

Geen wijziging verdeling vanwege toeslagen of bij verrekenbare verliezen

In twee andere uitspraken is beslist dat de beperking van de verdeling tot het moment van onherroepelijk vaststaan van de definitieve aanslagen, niet anders wordt vanwege gemiste toeslagen of verliesverrekening. 

Het ging hierbij in een zaak voor rechtbank Gelderland om toeslagen waarop geen recht bestond, omdat te veel vermogen was toegerekend aan een partner. Daardoor werd de vermogensgrens voor de toeslagen overschreden. Dat dit voor de belastingplichtige pas duidelijk werd na vaststelling van het bedrag aan toeslagen, maakte niet dat alsnog verzocht kon worden om een andere verdeling.

In de andere zaak besliste de Hoge Raad dat het verloren gaan van heffingskortingen nadat achterwaartse verliesverrekening was toegepast, eveneens geen reden was de termijn waarbinnen opnieuw verdeeld kan worden te verlengen.

Uitzondering na uitspraak massaalbezwaarprocedure kerstarrest

De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat je nog opnieuw kunt verdelen na de collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure van het kerstarrest.

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. 

De Hoge Raad oordeelde dat in zo’n situatie nog wel gekozen kan worden voor een andere verdeling van het box 3-inkomen als dat verzoek gedaan wordt binnen zes weken na de beschikking van de Belastingdienst met de nieuwe berekeningen.

 
Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram