Zo loopt er van 2 juli tot en met 28 augustus 2026 een internetconsultatie over het wetsvoorstel Passende huurcontracten. De bedoeling is om aan de ene kant huurders sneller huurbescherming te bieden en aan de andere kant voor studenten en arbeidsmigranten de mogelijkheid te bieden om een tijdelijk huurcontract af te sluiten.
Zo wordt verhuur voor korte duur (short stay) in het wetsvoorstel beperkt tot maximaal 30 dagen. Daarmee kan de short stay zonder huurbescherming eigenlijk alleen nog gebruikt worden voor vakantieverhuur.
Voor studenten komt er wel de mogelijkheid om een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten. Nu kan dat al als een student voor de studie verhuist naar een andere gemeente. Als het wetsvoorstel ongewijzigd wordt aangenomen kan dat straks ook voor een student die al binnen de gemeente woont. Het wordt daarnaast ook mogelijk om met een arbeidsmigrant een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten.
Let op! Het kabinet staat open om ook andere knelpunten op te lossen die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten op 1 juli 2024. In reactie op de internetconsultatie kan iedereen ideeën daarvoor aandragen.
Om hospitaverhuur aantrekkelijker te maken is bij de Tweede Kamer een wetswijziging ingediend om hospitaverhuur te stimuleren. Het streven is om met ingang van 1 januari 2027 het mogelijk te maken om:
Eigenaren van huurwoningen zijn verplicht om hun woningen dusdanig te verduurzamen dat deze uiterlijk op 1 januari 2029 minimaal het energielabel D hebben. Huurwoningen mogen dan niet meer de energielabels E, F of G hebben. Het ontwerpbesluit voor deze wettelijke minimumenergieprestatie-eisen voor huurwoningen is op 10 juli 2026 naar de Tweede en Eerste Kamer gezonden.
Let op! Voor het verduurzamen van je huurwoning kun je als private verhuurder een beroep doen op de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH).
Het kabinet gaat het juridisch makkelijker maken voor gemeenten om het optoppen, splitsen en woningdelen in bestaande gebouwen te faciliteren en belemmeringen weg te nemen. Hierdoor moeten de vergunningstrajecten minder complex en langdurig worden.
Let op!Het kabinet geeft aan dat gemeenten niet hoeven te wachten op de juridische uitwerking van dit voornemen. Via het Nationaal Expertisecentrum Woningbouw (NEW) kunnen gemeenten ook nu al ondersteuning krijgen.
For example, an online consultation on the ‘Appropriate Tenancy Agreements’ (in Dutch: Passende huurcontracten) Bill is running from 2 July to 28 August 2026. The aim is, on the one hand, to offer tenants rent protection more quickly, whilst, on the other hand, to provide students and migrant workers with the option of entering into a temporary tenancy agreement.
Under the bill, short-stay lettings are limited to a maximum of 30 days. This means that short-stay lettings without rent protection can effectively only be used for holiday lettings.
Students, however, will be given the option to enter into a temporary tenancy agreement for a maximum of two years. This is already possible if a student moves to another municipality to study. If the bill is passed without amendment, this will also apply to students who already live within the municipality. It will also become possible to enter into a temporary tenancy agreement of up to two years with a migrant worker.
Please note! The government is open to resolving other issues that have arisen following the entry into force of the Fixed-Term Tenancy Agreements Act (in Dutch: Wet vaste huurcontracten) on 1 July 2024. In response to the online consultation, anyone can submit ideas on this matter.
To make letting rooms more attractive, a legislative amendment has been tabled in the House of Representatives to encourage the letting of rooms (in Dutch: hospitaverhuur). The aim is to make it possible, with effect from 1 January 2027, to:
Owners of rental properties are obliged to improve the sustainability of their properties so that, by 1 January 2029 at the latest, they have at least energy label D. Rental properties may then no longer have energy labels E, F or G. The draft decree setting out these statutory minimum energy performance requirements for rental properties was sent to the House of Representatives and the Senate on 10 July 2026.
Please note! As a private landlord, you can apply for the Subsidy Scheme for the Sustainability and Maintenance of Rental Properties (SVOH) (in Dutch: Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen) to make your rental property more sustainable.
The government intends to make it legally easier for local authorities to facilitate the addition of extra storeys, the subdivision of properties and shared accommodation in existing buildings, and to remove obstacles. This should make the planning permission processes less complex and time-consuming.
Please note!The government has stated that local authorities do not need to wait for the legal implementation of this proposal. Local authorities can already obtain support through the National Centre of Expertise for Housing Construction (NEW) (in Dutch: Nationaal Expertisecentrum Woningbouw).
Aan de hand van milieuprestatie-eisen kan de duurzaamheid van een gebouw worden bepaald. Milieuprestatie-eisen zijn de minimale eisen waaraan een nieuw gebouw met betrekking tot het milieu moet voldoen. Onder meer de uitstoot van CO2 en waterverbruik zijn onderdeel van de milieuprestatie-eisen. De eisen waaraan gebouwen moeten voldoen zijn in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl)vastgelegd. Het berekenen van de milieuprestatie van een gebouw is verplicht voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
De milieuprestatie-eisen voor kantoren worden per 1 juli met 15% aangescherpt, wat betekent dat kantoren milieuvriendelijker moeten worden. Voor woningen blijven de eisen gelijk, maar verandert wel de berekeningsmethode. Vanaf 1 juli 2026 gaan er daarnaast ook milieuprestatie-eisen gelden voor gebouwen zoals scholen, winkels, zorginstellingen en bedrijfshallen. Dat is op dit moment nog niet het geval.
Voor de berekening van de milieuprestatie wordt gebruikgemaakt van cijfers uit de Nationale Milieudatabase. De invoering van de kenmerken van een gebouw, zoals de omvang, de gebruikte bouwproducten en de hoeveelheid ervan, levert uiteindelijk de milieuprestatie op. Om hierover inzicht te krijgen zijn speciale informatiebladen beschikbaar op het Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).
De milieuprestatie-eisen zorgen er ook voor dat bij de bouw weloverwogen keuzes gemaakt moeten worden. Zo zijn onder andere de vorm van het gebouw, het gebruikte materiaal en de geleverde installaties bepalend voor de milieuprestatie. Daarbij is ook het verband tussen energie- en milieuprestatie van belang, aangezien het energievriendelijk maken van een gebouw kan leiden tot extra materiaalgebruik.
De milieuprestatie van een gebouw kent ook een bredere toepassing. Zo wordt de prestatie onder meer gebruikt binnen de fiscale wetgeving op het gebied van de milieu-investeringsaftrek en bij de certificering van duurzaam vastgoed.
Tip! Meer informatie over de technische kant inzake de milieuprestatie-eisen tref je aan op iplo.nl zoekterm ‘milieuprestatie’.
In de Gemeentewet is sinds eind 2025 opgenomen dat een gemeente een leegstandsheffing kan opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan twaalf maanden leegstaan. Het betreffende artikel is per 21 maart 2026 in werking getreden.
Nu de wettelijke bepaling in de Gemeentewet in werking is getreden, kunnen gemeenten ervoor kiezen om de leegstandsheffing op te nemen in een lokale belastingverordening. Pas nadat de leegstandsheffing is opgenomen in zo’n lokale belastingverordening, gaan de twaalf maanden voor leegstand lopen. De gemeente kan dus niet meteen na de lokale belastingverordening de heffing opleggen.
Let op!De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt aan een modelverordening die gemeenten zouden kunnen gebruiken.
De hoogte van de heffing en de beslissing om een leegstandsheffing in te voeren wordt overigens bepaald door de gemeente. Het is dus een keuze en geen verplichting.
Wijzigingen in de Leegstandswet gaan binnenkort voor advies naar de Raad van State. Als deze wijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand tegen te gaan. Dit zijn onder meer:
De subsidie Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit (COVER) kan nu al aangevraagd worden tot uiterlijk 1 oktober 2026 12.00 uur. De subsidie is gericht op projecten ter vermindering van fossiele brandstoffen met betrekking tot vervoer in verband met het werk. Het kan daarbij gaan om woon-werkverkeer en om zakelijke reizen, maar niet om vrachtvervoer. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk inkopen van fietsen. De subsidie is alleen beschikbaar voor ondernemersorganisaties, zoals brancheorganisaties, ondernemersverenigingen of bedrijfsinvesteringszones in het mkb. Van een project wordt maximaal 75% via de COVER gefinancierd tot een maximum van € 100.000.
Ondernemers die op eigen of gehuurd terrein infrastructuur aanleggen voor het laden van elektrische voertuigen, kunnen vanaf 20 januari 2026 9.00 uur tot 18 december 2026 12.00 uur de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven (SPRILA) aanvragen. Het bedrag van de SPRILA hangt af van de investering en bedraagt voor mkb-bedrijven het dubbele van de subsidie voor niet-mkb-bedrijven.
Vanaf 3 februari 2026 9.00 uur kan de Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) aangevraagd worden. Dit kan tot uiterlijk 18 december 2026 12.00 uur. De subsidie kan verkregen worden voor het realiseren van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer, zoals vrachtwagens. Er is subsidie beschikbaar voor laadstations en voor stationaire batterijen. De subsidie bedraagt maximaal 20% van de gemaakte kosten.
Touringcarbedrijven en OV-concessiehouders kunnen vanaf 10 februari 2026 9.00 uur tot 30 november 2026 17.00 uur de Subsidie emissieloze touringcars (STour) aanvragen. De subsidie dekt een percentage van de meerkosten van een batterij-elektrische touringcar vergeleken met eenzelfde touringcar op diesel. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte krijgt u 60% (kleinbedrijf), 50% (middelgroot bedrijf) of 30% (grootbedrijf) subsidie, tot een maximum van €180.000, respectievelijk € 150.000 of € 90.000.
Met de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) kunt u subsidie krijgen voor ontwikkelingen op het gebied van waterstofmobiliteit, zoals waterstoftankstations, waterstofvoertuigen en logistieke toepassingen. De SWIM kan aangevraagd worden vanaf het voorjaar van 2026. De exacte data zijn niet nog bekend, maar er is nog wel veel informatie beschikbaar uit 2025.
De casus uit de aan de Belastingdienst gestelde vraag was als volgt. Een ondernemer plaatst niet-geïntegreerde zonnepanelen op grote daken. De ondernemer blijft zelf eigenaar, maar verhuurt de installatie aan de gebruiker van het gebouw waarop de zonnepanelen zijn geplaatst.
Naast de niet-geïntegreerde zonnepanelen maken ook de volgende zaken onderdeel uit van de installatie: rasters waarop de zonnepanelen worden gelegd, kabels en kabelgoten, transformators, omvormers en een op maat gemaakte groepenkast. Als de zonnepanelen niet aan het dak worden bevestigd, gebruikt de ondernemer ook ballasttegels om de constructie te verzwaren.
In het Nederlandse civiele recht is de zonnepaneleninstallatie een onroerende zaak.
Desondanks antwoordt de Belastingdienst dat de verhuur van de zonnepaneleninstallatie geen verhuur van een onroerende zaak is. De Belastingdienst oordeelt dat voor de btw de zonnepanelen roerend zijn, omdat ze afzonderlijk kunnen worden gebruikt en in bouwkundig opzicht geen onderdeel worden van de onroerende zaak waarop ze geplaatst zijn.
Let op! Dit oordeel geldt niet voor geïntegreerde zonnepanelen. Geïntegreerde zonnepanelen vervullen ook een rol als dakbedekking en worden daarmee in bouwkundig opzicht onderdeel van de onroerende zaak. Geïntegreerde zonnepanelen zijn dus wel onroerend.
Nu de verhuur van de zonnepaneleninstallatie naar het oordeel van de Belastingdienst geen verhuur van een onroerende zaak is, zal deze verhuur altijd met btw belast zijn.
De ondernemer in de casus maakt voor de installatie van de zonnepanelen gebruik van de diensten van een derde. Deze treedt op als uitvoerder en hield supervisie en controle. De Belastingdienst oordeelt dat de btw-verleggingsregeling hier niet van toepassing is omdat de derde geen fysieke werkzaamheden verricht aan een onroerende zaak. De derde realiseert, in de visie van de Belastingdienst, immers een roerende zaak en geen onroerende zaak.
Gevolg van dit oordeel is dat de derde bij installatie van niet-geïntegreerde zonnepanelen altijd btw berekenen en deze niet mag verleggen naar de opdrachtgever/hoofdaannemer. Let wel dat in het geval van installatie van zonnepanelen op een woning, onder voorwaarden, een nultarief geldt.
Let op! Ook in dit geval was het oordeel van de Belastingdienst anders geweest als het geïntegreerde zonnepanelen zouden zijn in plaats van niet-geïntegreerde zonnepanelen. Bij geïntegreerde zonnepanelen is de btw-verleggingsregeling wel van toepassing.
Let op! Ondanks dat de zonnepaneleninstallatie in het Nederlandse civiele recht een onroerend zaak is, neemt de Belastingdienst voor de btw een ander standpunt daarover in. Voor de heffing van de btw geldt namelijk een ander rechtskader en wordt niet in alle gevallen de Nederlandse civiele kwalificatie gevolgd.
De Hoge Raad sprak onlangs zijn oordeel uit over twee belastingplichtigen die elk een bouwkavel kochten op een perceel waarop zich nog een woning bevond. Beiden wilde het tarief het lage tarief van 2% toepassen omdat zij vonden dat zij voor de overdrachtsbelasting een woning verkregen.
De Hoge Raad oordeelde dat aan de hand van het civiele recht bepaald moet worden of sprake is van de verkrijging van een woning. De Hoge Raad onderscheidt daarbij drie situaties:
Als u de bouwkavel koopt om daarop een woning te bouwen die u als hoofdverblijf gaat gebruiken, kan de overdracht van de bouwkavel bij de notaris tegen 2% overdrachtsbelasting (of 0% als u de startervrijstelling kunt toepassen) als de aanschaf kan worden aangemerkt als koop van een woning. Is dat niet het geval, dan bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4%!
In de ene casus die voorlag bij de Hoge Raad bevond zich op de kavel nog 55% van de oppervlakte van een woning. De andere 45% bevond zich op een kavel die bestemd was voor een ontsluitingsweg. De Hoge Raad oordeelde dat deze twee kavels gezamenlijk eigenaar geworden waren van de woning. De koper van de kavel met 55% van de woning had daarmee een onverdeeld aandeel in de woning verkregen. Onder de huidige wetgeving zou in dit geval dus het 2% tarief overdrachtsbelasting kunnen worden toegepast.
De andere casus liep minder voorspoedig af. In deze casus bevond zich op de kavel voor minder dan 1% nog een buitenmuur van een woning en voor een deel een terras. De Hoge Raad vond de buitenmuur een bestanddeel van een woning. Nu de hoofdzaak van de woning op andere kavels lag, hoorde dit bestanddeel toe aan anderen. De koper van de kavel verkreeg daarom geen woning. In dit geval zou daarom onder de huidige wetgeving 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn.
Let op! Welk tarief overdrachtsbelasting u verschuldigd bent, is zeker in dit soort gevallen, niet eenvoudig. Laat u daarover daarom goed adviseren.
De mogelijkheid om stikstof uit te stoten hangt af van de vereiste omgevingsvergunning. In sommige gevallen kan de hoeveelheid uit te stoten stikstof, de stikstofdispositieruimte, worden gebruikt door andere ondernemers. Deze betalen hiervoor een prijs aan de ondernemer, die de na wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten de stikstofdispositieruimte aanbiedt.
De Belastingdienst neemt het standpunt in dat stikstofdispositieruimte een zelfstandig bedrijfsmiddel is. In een eerder Besluit (d.d. 27 oktober 1998, nr. DB98/2669M) is het standpunt ingenomen dat ammoniakrechten een zelfstandig bedrijfsmiddel vormen. Omdat stikstofdispositieruimte hiermee vergelijkbaar is, geldt dit daarom ook voor deze rechten. Ook rechtspraak uit het verleden steunt deze zienswijze.
De Belastingdienst geeft aan dat afschrijven op stikstofdispositieruimte niet mogelijk is. De omgevingsvergunning waarmee de stikstofdispositieruimte verbonden is, kent namelijk geen einddatum.
Aangegeven wordt dat het mogelijk is een HIR te vormen voor de ontvangen vergoeding die betaald wordt voor de mogelijkheid stikstof uit te stoten. Het is immers een verkregen vergoeding voor de vervreemding van een zelfstandig bedrijfsmiddel. Uiteraard moet voldaan worden aan de voor een HIR geldende voorwaarden.
Het is niet mogelijk deze HIR af te boeken op nieuwbouw als een ondernemer na beëindiging van stikstofbelastende activiteiten hierin investeert. Een investering in nieuwbouw dient namelijk te worden afgeschreven in meer dan tien jaar. De HIR vereist dan dat de nieuwe investering eenzelfde economische functie heeft als de vervreemde investering. Het huisvesten van bedrijfsactiviteiten heeft niet dezelfde economische functie als die van de stikstofdispositieruimte, namelijk een vergunning om bepaalde activiteiten te verrichten. Het afboeken op de HIR is daarom dan ook niet mogelijk.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01