HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Wettelijke regeling: e-mail mag onder voorwaarde

In de wet is opgenomen dat een bestuursorgaan zoals een heffingsambtenaar van een gemeente of een belastingambtenaar een bericht – en dus ook een uitspraak op bezwaar – per e-mail aan u mag verzenden. Voorwaarde is dat u zelf aangeeft dat u voldoende bereikbaar bent op dit e-mailadres.

Wanneer kenbaar?

De vraag is wanneer u heeft aangegeven dat u voldoende bereikbaar bent op een e-mailadres.

In de rechtspraak speelde een zaak waarin een burger bezwaar had gemaakt tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Hij had een daarvoor bestemd online contactformulier ingevuld en digitaal naar de heffingsambtenaar van de gemeente gestuurd. Hij was daarbij verplicht om zijn e-mailadres in te vullen. De heffingsambtenaar was van mening dat de burger hiermee had aangegeven dat hij voldoende bereikbaar was op dit e-mailadres. Hij verzond de uitspraken op bezwaar dan ook per e-mail. De burger merkte de uitspraken op bezwaar niet op en was daardoor ‘te laat’ om in beroep te gaan.

Oordeel Hoge Raad

Uiteindelijk kwam de vraag of de burger had aangegeven dat hij voldoende bereikbaar was op het e-mailadres bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde in zijn algemeenheid dat een burger dit ‘meer of minder’ uitdrukkelijk kan doen. Daarbij moet de burger ook aangeven voor welke berichten hij voldoende bereikbaar is per e-mail en op welk e-mailadres.
Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of een uiting of gedraging van een burger aan deze voorwaarden voldoet. De Hoge Raad gaf in zijn arrest een aantal aanwijzingen.

De Hoge Raad kwam dan ook tot het oordeel dat de heffingsambtenaar niet had kunnen concluderen dat de burger had aangegeven voldoende bereikbaar te zijn op het e-mailadres. Hij had dit immers alleen maar ingevuld op het contactformulier zonder verdere verklaring daarbij.

Advies Hoge Raad

Aan het arrest van de Hoge Raad kan nog een advies aan de ambtenaar ontleend worden. De ambtenaar kan altijd aan een burger vragen uitdrukkelijk aan te geven of hij de (bezwaar)procedure per e-mail wil voortzetten, daarop bereikbaar is en welk e-mailadres hij wil gebruiken. In het online contactformulier had de gemeente daar ruimte voor kunnen inrichten.

Let op! Bij de totstandkoming van de wettelijke regeling is in het parlement toegelicht dat, indien zowel post als e-mail mogelijk is bij de overheidsinstantie, u mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg (bijvoorbeeld per e-mail). U bent zo’n geval dus niet verplicht om in te stemmen met communicatie per e-mail.

Wel gebruik?

Maakt u tijdens de schorsing toch gebruik van de openbare weg, dan kan dit bij controle een naheffing met boete opleveren. De boete bedraagt in principe 50% van het bedrag van de naheffing.

Fout komt eigenaar duur te staan

In een zaak die onlangs werd behandeld door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, had de eigenaar van verschillende hobbyvoertuigen met een van de auto’s gereden waarvan het kenteken geschorst was. Volgens de eigenaar had hij zich vergist en was hij onbedoeld met een auto gaan rijden, waarvan hij ten onrechte dacht dat het kenteken niet geschorst was. Dit leverde hem een naheffing van € 1.379 op, met een boete van 100%.

Boete gematigd

Volgens de eigenaar dienden de naheffing en boete te worden gematigd, aangezien er sprake was van een vergissing en het, gelet op de omstandigheden, niet ging om belastingontwijking. De rechtbank ging hierin deels mee en achtte de naheffing terecht omdat er nu eenmaal van de openbare weg gebruik was gemaakt. De rechtbank vond wel dat de boete gematigd moest worden. 

Matiging tot 25%

De boete diende sowieso gematigd te worden tot 50%, aangezien dit per 1 juli 2023 via een aanpassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst zo was geregeld. De rechtbank vond echter een verdere matiging op zijn plaats, omdat er sprake was van een relatief zwaar voertuig. Dit resulteerde automatisch in een hoog bedrag aan naheffing en dus ook automatisch in een hoge boete. De rechtbank gaf aan niet in te kunnen zien waarom het gebruik van een auto met een hoger gewicht moet leiden tot een hogere boete en matigde de boete dan ook tot 25%.

Hof acht gewicht voor boete niet relevant 

De inspecteur was het met de verdere matiging van de boete tot 25% niet eens en legde de zaak voor aan het gerechtshof. Die laat de uitspraak in stand, maar tekent hier nadrukkelijk bij aan dat de boete passend en geboden is, zonder het gewicht van de auto in dit oordeel te betrekken. De inspecteur heeft de zaak nu voorgelegd aan de Hoge Raad.

 

Eén of meer prestaties?

Het Hof boog zich allereerst over de vraag of er sprake was van één of van meerdere prestaties. Duidelijk was dat het hospice in deze casus gastenkamers ter beschikking stelde, aan de gasten eten en drinken verstrekte en daarnaast algemene zorg verrichtte voor de gasten en hun naasten. Volgens het Hof was er sprake van één ondeelbare prestatie aan de gast, namelijk het verlenen van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase.

Niet splitsen

Volgens het Hof was er geen reden deze prestaties te splitsen. De prestaties waren namelijk zo nauw met elkaar verweven, dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Ook was er geen sprake van verschillende prestaties met één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Alleen dan moeten de prestaties wel gesplitst worden.

Geen vrijstelling

Het Hof oordeelde verder dat de prestatie ook niet was vrijgesteld. De prestatie kon niet aangemerkt worden als medische prestatie. Ook kwam deze prestatie niet in aanmerking voor de vrijstelling voor sociale en culturele diensten. Daarnaast kon niet worden geprofiteerd van het destijds nog geldende lage btw-tarief voor hotelovernachtingen, omdat de prestatie veel meer omvatte dan dergelijke verhuur.

Conclusie

Het Hof achtte de prestaties dus belast tegen het normale hoge btw-tarief. Het leverde de stichting die het hospice exploiteerde in deze casus daardoor een forse aftrek op van in rekening gebrachte btw als gevolg van verbouwingswerkzaamheden.

Hoge Raad: belastingrente Vpb te hoog

De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.

Massaalbezwaarprocedure

De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst doet deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026.

Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die collectieve uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar

De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 13 februari 2026 geïnformeerd over de inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar: Het arrest van de Hoge Raad is ook van toepassing op de belastingrente Vpb vanaf 2024. Eerder bestond daar nog twijfel over. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen. het oordeel van de Hoge Raad gaat dus gelden voor alle jaren vanaf het jaar 2022.

Hoogte belastingrente Vpb

Na de collectieve uitspraak op bezwaar gaat de Belastingdienst de belastingrente voor de Vpb verlagen van de percentages in de tweede kolom naar de percentages in de laatste kolom van onderstaande tabel:

 Periode  Vpb  Andere belastingen
 1-1-2022 t/m 30-06-2023  8%  4%
 1-7-2023 t/m 31-12-2023  8%  6%
 1-1-2024 t/m 31-12-2024  10%  7,5%
 1-1-2025 t/m 31-12-2025  9%  6,5%
 Vanaf 1-1-2026  7,5%  5%

Dagtekening aanslag ná 16 januari 2026

De Belastingdienst meldt dat alle belastingaanslagen Vpb met een te hoog belastingrentepercentage die een dagtekening hebben ná 16 januari 2026 automatisch verlaagd worden. U hoeft hier dus zelf geen actie voor te ondernemen, maar houd er rekening mee dat de automatische verlaging nog wel op zich laat wachten.

Let op! De rentepercentages zijn in de IT-systemen van de Belastingdienst inmiddels aangepast. Nieuwe aanslagen Vpb zouden daarom met de juiste, lagere, belastingrentepercentages berekend moeten worden.

Dagtekening aanslag tot en met 16 januari 2026

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening tot en met 16 januari 2026 en maakte u op tijd bezwaar, dan loopt de aanslag mee in de massaalbezwaarprocedure zoals hiervoor beschreven. U krijgt dan binnen zes maanden na de collectieve uitspraak automatisch bericht van de Belastingdienst.

Dagtekening aanslag vóór 5 december 2025

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vóór 5 december 2025 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan stond uw aanslag op 16 januari 2026 (de dag van de uitspraak van de Hoge Raad) al onherroepelijk vast. Het arrest van de Hoge Raad geldt dan helaas niet voor u. De Belastingdienst zal verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen afwijzen.

Dagtekening aanslag vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026

Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan geldt het arrest van de Hoge Raad wel voor u. Mogelijk moet u daarvoor nog een verzoek om ambtshalve vermindering doen. Hierover wordt hopelijk meer bekend op het moment dat de Belastingdienst de collectieve uitspraak op bezwaar doet.

Let op! Ligt de dagtekening van uw belastingaanslag Vpb met belastingrente op of vóór 16 januari 2026 en is de bezwaartermijn nog niet verlopen? Maak dan zekerheidshalve op tijd bezwaar. Hiermee voorkomt u een onnodige discussie met de Belastingdienst op een later moment.

Let op! Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u een verzoek tot vermindering indienen uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag. Het lijkt erop dat  de Belastingdienst de belastingrente op de voorlopige aanslag niet automatisch vermindert, zonder dat daar een verzoek voor gedaan is. Een tijdig verzoek om vermindering is daarom  raadzaam.

Belastingrente overige belastingen

De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. De Belastingdienst gaat al deze bezwaren in een collectieve uitspraak op bezwaar afwijzen. U krijgt daarvan niet zelf apart bericht van.

Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.

Als een bv een auto aan zijn dga verkoopt, moet dit voor de dividendbelasting en inkomstenbelasting tegen de werkelijke waarde van de auto. Voor de btw bestaat twijfel of dit mogelijk anders is. In verschillende rechtszaken lag de vraag voor of terecht een naheffingsaanslag btw was opgelegd, in de situatie waarin het verkoopbedrag voor de btw onder de werkelijke waarde van de auto lag. Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde.

Aankoop via verkapt dividend

In de zaak die voorlag bij gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000. In deze casus bedroeg het tijdsverloop tussen de aankoop van de auto door de bv en de doorverkoop aan de dga ongeveer vier maanden.

In drie andere zaken die voorlagen bij gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 en een auto met een waarde van € 25.016 na ongeveer vijf jaar verkocht aan de dga, elk voor € 2.624. In de derde zaak werd een auto met een waarde van € 34.040 na ongeveer 2,5 jaar verkocht aan de dga voor € 2.597. Ook nu werd een verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting voor het verschil tussen de waarde en de verkoopprijs.

Verschillend oordeel

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casussen die daar voorlagen, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én dit ook het wezenlijke (= het doorslaggevende) doel van de transactie is.

Let op!De Belastingdienst heeft de bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van misbruik van recht.

Gerechtshof Amsterdam en A-G: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga.

De A-G volgt het gerechtshof in de eindconclusie en adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding kan tot misbruik van recht leiden, naar het oordeel van de A-G. Van een abnormaal lage vergoeding is volgens de A-G als snel sprake als de vergoeding lager is dan de marktwaarde, tenzij er een economische verklaring voor de lagere vergoeding is.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch géén, A-G wél misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casussen geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto was overgedragen tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor volgens het gerechtshof onvoldoende. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel van de transactie was.

De A-G denkt daar dus anders over en adviseert de Hoge Raad ook in deze casussen te oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Let op!Het wachten is nu op de Hoge Raad. Daarbij is het niet zeker of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt. Ook zou de Hoge Raad in de zaken nog verschillend kunnen beslissen omdat de feiten in de zaken niet geheel gelijk zijn aan elkaar.

Onderverdeling

De normbedragen kennen een onderverdeling in veehouderij en akkerbouw. Voor de veehouderij geldt een vast bedrag per eenheid. Zo geldt voor melkgeiten bijvoorbeeld een bedrag van € 184 per stuk en voor pluimveegrondhuisvesting een bedrag van € 16,70 per netto leefoppervlak m2. Voor akkerbouw geldt een vast bedrag voor alle gewassen per hectare grond.

Hulpmiddel

Om met de normbedragen de waarde te berekenen, stelt de Belastingdienst ook een hulpmiddel beschikbaar. Door aan te geven welke agrarische zaken via erfenis of schenking zijn verkregen, kan de waarde worden bepaald. Ook kunnen onder meer langlopende schulden in het hulpmiddel worden opgenomen. De verkregen waarde dient te worden gebruikt voor de aangifte erf- of schenkbelasting.

Uitzonderingen 

Het hulpmiddel geeft ook aan wanneer dit middel niet gebruikt kan worden voor de waardeberekening. Het gaat dan om beleggingen en bedrijfsmiddelen die niet bestemd zijn voor activiteiten in de veehouderij en/of akkerbouw. Denk aan grond die eerder in een akkerbouwbedrijf gebruikt werd, maar nu verpacht wordt, of als er maar één gewas geteeld wordt.

Let op! Het hulpmiddel met de normbedragen voor 2026 komt later dit jaar beschikbaar.

Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit

De subsidie Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit (COVER) kan nu al aangevraagd worden tot uiterlijk 1 oktober 2026 12.00 uur. De subsidie is gericht op projecten ter vermindering van fossiele brandstoffen met betrekking tot vervoer in verband met het werk. Het kan daarbij gaan om woon-werkverkeer en om zakelijke reizen, maar niet om vrachtvervoer. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk inkopen van fietsen. De subsidie is alleen beschikbaar voor ondernemersorganisaties, zoals brancheorganisaties, ondernemersverenigingen of bedrijfsinvesteringszones in het mkb. Van een project wordt maximaal 75% via de COVER gefinancierd tot een maximum van € 100.000. 

Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven

Ondernemers die op eigen of gehuurd terrein infrastructuur aanleggen voor het laden van elektrische voertuigen, kunnen vanaf 20 januari 2026 9.00 uur tot 18 december 2026 12.00 uur de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven (SPRILA) aanvragen. Het bedrag van de SPRILA hangt af van de investering en bedraagt voor mkb-bedrijven het dubbele van de subsidie voor niet-mkb-bedrijven. 

Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer

Vanaf 3 februari 2026 9.00 uur kan de Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) aangevraagd worden. Dit kan tot uiterlijk 18 december 2026 12.00 uur. De subsidie kan verkregen worden voor het realiseren van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer, zoals vrachtwagens. Er is subsidie beschikbaar voor laadstations en voor stationaire batterijen. De subsidie bedraagt maximaal 20% van de gemaakte kosten.

Subsidie emissieloze touringcars

Touringcarbedrijven en OV-concessiehouders kunnen vanaf 10 februari 2026 9.00 uur tot 30 november 2026 17.00 uur de Subsidie emissieloze touringcars (STour) aanvragen. De subsidie dekt een percentage van de meerkosten van een batterij-elektrische touringcar vergeleken met eenzelfde touringcar op diesel. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte krijgt u 60% (kleinbedrijf), 50% (middelgroot bedrijf) of 30% (grootbedrijf) subsidie, tot een maximum van €180.000, respectievelijk € 150.000 of € 90.000.

Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit

Met de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) kunt u subsidie krijgen voor ontwikkelingen op het gebied van waterstofmobiliteit, zoals waterstoftankstations, waterstofvoertuigen en logistieke toepassingen. De SWIM kan aangevraagd worden vanaf het voorjaar van 2026. De exacte data zijn niet nog bekend, maar er is nog wel veel informatie beschikbaar uit 2025.

Hoge Raad: belastingrente Vpb te hoog

De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.

Voor de periode januari 2022 tot en met juni 2023 zou het percentage dan geen 8% maar 4% bedragen. Voor de tweede helft van 2023 zou dit percentage in plaats van 8% dan 6% bedragen.

Massaalbezwaarprocedure

De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst meldt dat deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026 wordt gedaan.

Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar

De inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar is nog niet bekend. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst lijkt min of meer op te maken dat de Belastingdienst het advies van de Hoge Raad volgt voor alle jaren vanaf 2022.

Helemaal zeker is dat echter nog niet. Zo wordt er in de vakliteratuur op gewezen dat de Hoge Raad zich misschien niet helemaal expliciet heeft uitgesproken over de jaren vanaf 2024. Dit zou misschien kunnen betekenen dat de Belastingdienst zich in de collectieve uitspraak nog niet uitlaat over de belastingrente vanaf 2024.

Bezwaar belastingrente Vpb

Zolang hier nog geen zekerheid over bestaat blijft het verstandig om tijdig (= binnen zes weken na dagtekening) bezwaar te maken tegen belastingrente op een definitieve aanslag Vpb. Betreft het belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb, dan kunt u daartegen niet in bezwaar. U moet dan verzoeken om die belastingrente te verminderen en daarna in bezwaar tegen de afwijzing.

Let op! Ontvangt u een definitieve of voorlopige aanslag Vpb met belastingrente, overleg dan met onze adviseurs.

Belastingrente overige belastingen

De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. Op de website van de Belastingdienst wordt op dit moment nog aangegeven dat een rechtbank hier nog uitspraak over moet doen in een proefprocedure en dat die uitspraak dan nog voorgelegd wordt aan de Hoge Raad.

Het is nog niet helemaal duidelijk of deze weg nog steeds gevolgd wordt of dat de Belastingdienst al eerder een collectieve uitspraak op bezwaar doet voor de overige belastingen.

Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.

Btw-teruggaaf

De ondernemer moet het verzoek om teruggaaf van Nederlandse btw digitaal indienen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. In Nederland kan btw teruggevraagd worden over de afgelopen vijf jaar. In sommige EU-landen kan dat niet en moet een verzoek om btw-teruggaaf vóór 1 oktober van het volgende jaar zijn ingediend.

Let op! In sommige gevallen is het mogelijk om alsnog een schriftelijk verzoek in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst als dat digitaal bij de Belastingdienst van het land van vestiging niet meer mogelijk is. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met de Belastingtelefoon Buitenland in Nederland.

Wijziging met ingang van 1 april 2026

Vanaf 1 april 2026 geldt een aanvullende eis voor het digitale verzoek om btw-teruggaaf. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan ook de factuur of het invoerdocument bijvoegen bij het verzoek als het factuurbedrag exclusief btw € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag exclusief btw € 250 of meer bedraagt.

Let op! De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.

Inlenersaansprakelijkheid

Een uitlener van arbeidskrachten moet loonbelasting, sociale verzekeringspremies en btw betalen over het uitlenen van die arbeidskrachten. Betaalt de uitlener niet, dan kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen.

Nieuw! Aansprakelijk voor 35% van de factuursom

Vanaf de inwerkingtreding van de Wtta – dit staat gepland per 2027 – kan de Belastingdienst de inlener en de doorlener aansprakelijk stellen voor (gezamenlijk) maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. De Belastingdienst mag dan dus een beroep doen op het vermoeden dat de omvang van de aansprakelijkheidsschuld 35% van de factuursom bedraagt.

Let op! Deze nieuwe aansprakelijkstelling is alleen mogelijk voor de belastingjaren vanaf 2027. Treedt de Wtta later dan op 1 januari 2027 in werking, dan is de nieuwe aansprakelijkstelling pas mogelijk voor belastingtijdvakken van inwerkingtreding van de Wtta.

Tegenbewijs omvang aansprakelijkheidsschuld

De inlener en doorlener mogen straks nog wel tegenbewijs leveren over de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld, bijvoorbeeld op basis van stukken uit de eigen administratie.

Uitzendonderneming is standaard uitlener

Nu moet de Belastingdienst voor de aansprakelijkstelling altijd eerst onderzoeken of sprake is van uitlening of aanneming. Straks hoeft dat niet meer. Van elke onderneming die is ingeschreven in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, mag de Belastingdienst aannemen dat het een uitlener is. De Belastingdienst kan dan dus op basis van de raadpleging van het register de inlenersaansprakelijkheid toepassen.

Let op! Het openbaar register is onderdeel van de Wtta.

Tegenbewijs inlener

De inlener of doorlener krijgt wel de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat sprake is van aanneming van werk.

Vrijwaring

Stort de inlener 35% van de factuursom op de g-rekening van de uitlener en voldoet de inlener aan administratieve verplichtingen, dan geldt straks een vrijwaring.

Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram