De subsidie Collectieven Verduurzaming Werkgebonden Personenmobiliteit (COVER) kan nu al aangevraagd worden tot uiterlijk 1 oktober 2026 12.00 uur. De subsidie is gericht op projecten ter vermindering van fossiele brandstoffen met betrekking tot vervoer in verband met het werk. Het kan daarbij gaan om woon-werkverkeer en om zakelijke reizen, maar niet om vrachtvervoer. Denk bijvoorbeeld aan het gezamenlijk inkopen van fietsen. De subsidie is alleen beschikbaar voor ondernemersorganisaties, zoals brancheorganisaties, ondernemersverenigingen of bedrijfsinvesteringszones in het mkb. Van een project wordt maximaal 75% via de COVER gefinancierd tot een maximum van € 100.000.
Ondernemers die op eigen of gehuurd terrein infrastructuur aanleggen voor het laden van elektrische voertuigen, kunnen vanaf 20 januari 2026 9.00 uur tot 18 december 2026 12.00 uur de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij Bedrijven (SPRILA) aanvragen. Het bedrag van de SPRILA hangt af van de investering en bedraagt voor mkb-bedrijven het dubbele van de subsidie voor niet-mkb-bedrijven.
Vanaf 3 februari 2026 9.00 uur kan de Subsidieregeling Publieke Laadinfrastructuur zwaar vervoer (SPULA) aangevraagd worden. Dit kan tot uiterlijk 18 december 2026 12.00 uur. De subsidie kan verkregen worden voor het realiseren van publiek toegankelijke laadlocaties voor zwaar vervoer, zoals vrachtwagens. Er is subsidie beschikbaar voor laadstations en voor stationaire batterijen. De subsidie bedraagt maximaal 20% van de gemaakte kosten.
Touringcarbedrijven en OV-concessiehouders kunnen vanaf 10 februari 2026 9.00 uur tot 30 november 2026 17.00 uur de Subsidie emissieloze touringcars (STour) aanvragen. De subsidie dekt een percentage van de meerkosten van een batterij-elektrische touringcar vergeleken met eenzelfde touringcar op diesel. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte krijgt u 60% (kleinbedrijf), 50% (middelgroot bedrijf) of 30% (grootbedrijf) subsidie, tot een maximum van €180.000, respectievelijk € 150.000 of € 90.000.
Met de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) kunt u subsidie krijgen voor ontwikkelingen op het gebied van waterstofmobiliteit, zoals waterstoftankstations, waterstofvoertuigen en logistieke toepassingen. De SWIM kan aangevraagd worden vanaf het voorjaar van 2026. De exacte data zijn niet nog bekend, maar er is nog wel veel informatie beschikbaar uit 2025.
De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.
Voor de periode januari 2022 tot en met juni 2023 zou het percentage dan geen 8% maar 4% bedragen. Voor de tweede helft van 2023 zou dit percentage in plaats van 8% dan 6% bedragen.
De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst meldt dat deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026 wordt gedaan.
Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.
De inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar is nog niet bekend. Uit de informatie op de website van de Belastingdienst lijkt min of meer op te maken dat de Belastingdienst het advies van de Hoge Raad volgt voor alle jaren vanaf 2022.
Helemaal zeker is dat echter nog niet. Zo wordt er in de vakliteratuur op gewezen dat de Hoge Raad zich misschien niet helemaal expliciet heeft uitgesproken over de jaren vanaf 2024. Dit zou misschien kunnen betekenen dat de Belastingdienst zich in de collectieve uitspraak nog niet uitlaat over de belastingrente vanaf 2024.
Zolang hier nog geen zekerheid over bestaat blijft het verstandig om tijdig (= binnen zes weken na dagtekening) bezwaar te maken tegen belastingrente op een definitieve aanslag Vpb. Betreft het belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb, dan kunt u daartegen niet in bezwaar. U moet dan verzoeken om die belastingrente te verminderen en daarna in bezwaar tegen de afwijzing.
Let op! Ontvangt u een definitieve of voorlopige aanslag Vpb met belastingrente, overleg dan met onze adviseurs.
De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. Op de website van de Belastingdienst wordt op dit moment nog aangegeven dat een rechtbank hier nog uitspraak over moet doen in een proefprocedure en dat die uitspraak dan nog voorgelegd wordt aan de Hoge Raad.
Het is nog niet helemaal duidelijk of deze weg nog steeds gevolgd wordt of dat de Belastingdienst al eerder een collectieve uitspraak op bezwaar doet voor de overige belastingen.
Let op! In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.
De ondernemer moet het verzoek om teruggaaf van Nederlandse btw digitaal indienen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. In Nederland kan btw teruggevraagd worden over de afgelopen vijf jaar. In sommige EU-landen kan dat niet en moet een verzoek om btw-teruggaaf vóór 1 oktober van het volgende jaar zijn ingediend.
Let op! In sommige gevallen is het mogelijk om alsnog een schriftelijk verzoek in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst als dat digitaal bij de Belastingdienst van het land van vestiging niet meer mogelijk is. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met de Belastingtelefoon Buitenland in Nederland.
Vanaf 1 april 2026 geldt een aanvullende eis voor het digitale verzoek om btw-teruggaaf. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan ook de factuur of het invoerdocument bijvoegen bij het verzoek als het factuurbedrag exclusief btw € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag exclusief btw € 250 of meer bedraagt.
Let op! De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.
Een uitlener van arbeidskrachten moet loonbelasting, sociale verzekeringspremies en btw betalen over het uitlenen van die arbeidskrachten. Betaalt de uitlener niet, dan kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wtta – dit staat gepland per 2027 – kan de Belastingdienst de inlener en de doorlener aansprakelijk stellen voor (gezamenlijk) maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. De Belastingdienst mag dan dus een beroep doen op het vermoeden dat de omvang van de aansprakelijkheidsschuld 35% van de factuursom bedraagt.
Let op! Deze nieuwe aansprakelijkstelling is alleen mogelijk voor de belastingjaren vanaf 2027. Treedt de Wtta later dan op 1 januari 2027 in werking, dan is de nieuwe aansprakelijkstelling pas mogelijk voor belastingtijdvakken van inwerkingtreding van de Wtta.
De inlener en doorlener mogen straks nog wel tegenbewijs leveren over de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld, bijvoorbeeld op basis van stukken uit de eigen administratie.
Nu moet de Belastingdienst voor de aansprakelijkstelling altijd eerst onderzoeken of sprake is van uitlening of aanneming. Straks hoeft dat niet meer. Van elke onderneming die is ingeschreven in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, mag de Belastingdienst aannemen dat het een uitlener is. De Belastingdienst kan dan dus op basis van de raadpleging van het register de inlenersaansprakelijkheid toepassen.
Let op! Het openbaar register is onderdeel van de Wtta.
De inlener of doorlener krijgt wel de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat sprake is van aanneming van werk.
Stort de inlener 35% van de factuursom op de g-rekening van de uitlener en voldoet de inlener aan administratieve verplichtingen, dan geldt straks een vrijwaring.
De casus uit de aan de Belastingdienst gestelde vraag was als volgt. Een ondernemer plaatst niet-geïntegreerde zonnepanelen op grote daken. De ondernemer blijft zelf eigenaar, maar verhuurt de installatie aan de gebruiker van het gebouw waarop de zonnepanelen zijn geplaatst.
Naast de niet-geïntegreerde zonnepanelen maken ook de volgende zaken onderdeel uit van de installatie: rasters waarop de zonnepanelen worden gelegd, kabels en kabelgoten, transformators, omvormers en een op maat gemaakte groepenkast. Als de zonnepanelen niet aan het dak worden bevestigd, gebruikt de ondernemer ook ballasttegels om de constructie te verzwaren.
In het Nederlandse civiele recht is de zonnepaneleninstallatie een onroerende zaak.
Desondanks antwoordt de Belastingdienst dat de verhuur van de zonnepaneleninstallatie geen verhuur van een onroerende zaak is. De Belastingdienst oordeelt dat voor de btw de zonnepanelen roerend zijn, omdat ze afzonderlijk kunnen worden gebruikt en in bouwkundig opzicht geen onderdeel worden van de onroerende zaak waarop ze geplaatst zijn.
Let op! Dit oordeel geldt niet voor geïntegreerde zonnepanelen. Geïntegreerde zonnepanelen vervullen ook een rol als dakbedekking en worden daarmee in bouwkundig opzicht onderdeel van de onroerende zaak. Geïntegreerde zonnepanelen zijn dus wel onroerend.
Nu de verhuur van de zonnepaneleninstallatie naar het oordeel van de Belastingdienst geen verhuur van een onroerende zaak is, zal deze verhuur altijd met btw belast zijn.
De ondernemer in de casus maakt voor de installatie van de zonnepanelen gebruik van de diensten van een derde. Deze treedt op als uitvoerder en hield supervisie en controle. De Belastingdienst oordeelt dat de btw-verleggingsregeling hier niet van toepassing is omdat de derde geen fysieke werkzaamheden verricht aan een onroerende zaak. De derde realiseert, in de visie van de Belastingdienst, immers een roerende zaak en geen onroerende zaak.
Gevolg van dit oordeel is dat de derde bij installatie van niet-geïntegreerde zonnepanelen altijd btw berekenen en deze niet mag verleggen naar de opdrachtgever/hoofdaannemer. Let wel dat in het geval van installatie van zonnepanelen op een woning, onder voorwaarden, een nultarief geldt.
Let op! Ook in dit geval was het oordeel van de Belastingdienst anders geweest als het geïntegreerde zonnepanelen zouden zijn in plaats van niet-geïntegreerde zonnepanelen. Bij geïntegreerde zonnepanelen is de btw-verleggingsregeling wel van toepassing.
Let op! Ondanks dat de zonnepaneleninstallatie in het Nederlandse civiele recht een onroerend zaak is, neemt de Belastingdienst voor de btw een ander standpunt daarover in. Voor de heffing van de btw geldt namelijk een ander rechtskader en wordt niet in alle gevallen de Nederlandse civiele kwalificatie gevolgd.
De Hoge Raad sprak onlangs zijn oordeel uit over twee belastingplichtigen die elk een bouwkavel kochten op een perceel waarop zich nog een woning bevond. Beiden wilde het tarief het lage tarief van 2% toepassen omdat zij vonden dat zij voor de overdrachtsbelasting een woning verkregen.
De Hoge Raad oordeelde dat aan de hand van het civiele recht bepaald moet worden of sprake is van de verkrijging van een woning. De Hoge Raad onderscheidt daarbij drie situaties:
Als u de bouwkavel koopt om daarop een woning te bouwen die u als hoofdverblijf gaat gebruiken, kan de overdracht van de bouwkavel bij de notaris tegen 2% overdrachtsbelasting (of 0% als u de startervrijstelling kunt toepassen) als de aanschaf kan worden aangemerkt als koop van een woning. Is dat niet het geval, dan bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4%!
In de ene casus die voorlag bij de Hoge Raad bevond zich op de kavel nog 55% van de oppervlakte van een woning. De andere 45% bevond zich op een kavel die bestemd was voor een ontsluitingsweg. De Hoge Raad oordeelde dat deze twee kavels gezamenlijk eigenaar geworden waren van de woning. De koper van de kavel met 55% van de woning had daarmee een onverdeeld aandeel in de woning verkregen. Onder de huidige wetgeving zou in dit geval dus het 2% tarief overdrachtsbelasting kunnen worden toegepast.
De andere casus liep minder voorspoedig af. In deze casus bevond zich op de kavel voor minder dan 1% nog een buitenmuur van een woning en voor een deel een terras. De Hoge Raad vond de buitenmuur een bestanddeel van een woning. Nu de hoofdzaak van de woning op andere kavels lag, hoorde dit bestanddeel toe aan anderen. De koper van de kavel verkreeg daarom geen woning. In dit geval zou daarom onder de huidige wetgeving 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn.
Let op! Welk tarief overdrachtsbelasting u verschuldigd bent, is zeker in dit soort gevallen, niet eenvoudig. Laat u daarover daarom goed adviseren.
Voor de vennootschapsbelasting (Vpb) en een aantal minder voorkomende belastingsoorten wordt een ander – hoger – percentage belastingrente berekend dan voor de overige belastingen. Het gaat om de volgende percentages aan te betalen belastingrente:
| Periode | Vpb | Overige belastingen |
| 1-1-2022 t/m. 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Bij overige belastingen moet u denken aan bijvoorbeeld de inkomstenbelasting (IB), de loonbelasting (LB) en de omzetbelasting (OB).
De Hoge Raad heeft een oordeel uitgesproken over de hoogte van de belastingrente voor de Vpb.
De Hoge Raad concludeert – kort samengevat – dat de hogere belastingrente voor de Vpb in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen goede rechtvaardiging is om bij de Vpb een hogere rente te berekenen dan bij de overige belastingen. Het besluit dat de belastingrente voor de Vpb beschrijft, is daarom onverbindend en moet buiten toepassing blijven.
De Hoge Raad oordeelt dat de belastingrente voor de Vpb moet worden vastgesteld op hetzelfde percentage als voor de overige belastingen geldt. Voor het jaar 2026 betekent dit bijvoorbeeld dat de belastingrente voor de Vpb geen 7,5% maar 5% mag bedragen. Voor de percentages van de andere jaren vanaf 2022 wordt verwezen naar de tabel.
In het belang van de vele andere procedures met betrekking tot de belastingrente over overige belastingen, heeft de Hoge Raad daar ook een oordeel over uitgesproken. De Hoge Raad oordeelt – kort samengevat – dat de belastingrente over overige belastingen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen, waaronder het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De conclusie is dat de belastingrente over de overige belastingen niet aangepast hoeft te worden.
Heeft u bezwaar gemaakt tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan zal de Belastingdienst aan dit bezwaar tegemoetkomen. De belastingrente zal vervolgens berekend worden aan de hand van de percentages die gelden voor overige belastingen (zie de tabel).
Als u een definitieve aanslag Vpb heeft ontvangen met dagtekening 5 december 2025 of later, dan zal de belastingrente op deze aanslag zeer vermoedelijk ook worden verminderd. De Belastingdienst zal de komende tijd meer informatie verstrekken over hoe een en ander in gang gezet wordt. Mogelijk moet u in een voorkomend geval nog een verzoek indienen.
Heeft u bezwaar gemaakt tegen de belastingrente op overige belastingen, dan zal de Belastingdienst dit bezwaar afwijzen.
Let op! Heeft u eerder een voorlopige aanslag Vpb mét belastingrente ontvangen, maar is de bezwaartermijn van de definitieve aanslag nog niet verstreken? Verzoek dan binnen de bezwaartermijn van de definitieve aanslag om vermindering van de belastingrente op de voorlopige aanslag. Het is nog niet duidelijk of u daarop ook nog recht heeft als de bezwaartermijn van de definitieve aanslag al is verstreken.
Is uw organisatie niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelastin of daarvan vrijgesteld? Of is uw organisatie een sportvereniging of sportstichting of een algemeen nut beogende instelling (ANBI)? Dan kunt u mogelijk een onbelaste vrijwilligersvergoeding toekennen aan uw vrijwilligers.
Voorwaarde is dat de vrijwilliger niet bij u in dienst is en de werkzaamheden niet uitvoert voor zijn beroep. Verder mag de vergoeding die de vrijwilliger krijgt niet in verhouding staan tot de omvang en het tijdsbeslag van het werk dat de vrijwilliger voor uw organisatie doet.
De onbelaste vergoeding die u in 2026 aan een vrijwilliger mag geven is € 5,75 per uur met een maximum van € 220 per maand en € 2.200 per jaar. Is de vrijwilliger jonger dan 21 jaar, dan is de maximale onbelaste vergoeding € 3,40 per uur met een maximum van € 220 per maand en € 2.200 per jaar.
Let op! De Belastingdienst ziet het bedrag van € 5,75 per uur en € 3,40 per uur als niet-marktconform. Wilt u een hogere uurvergoeding onbelast vergoeden, dan kan dat als u kunt uitleggen dat die hogere uurvergoeding niet-marktconform is.
Moet u op grond van de wettelijke bepalingen slechts een gering bedrag aan invorderingsrente betalen, dan wordt dat niet aan u in rekening gebracht. Sinds 1990 betreft dit een vast bedrag van maximaal € 23 (50 gulden voor de invoering van de euro). Dit bedrag is sinds die tijd niet verhoogd of geïndexeerd.
Met ingang van 1 januari 2026 is dit bedrag voor het eerst verhoogd naar € 49.
Let op! Vanaf nu zal het bedrag elke vijf jaar geïndexeerd worden.
Zou u daarom vanaf 1 januari 2026 invorderingsrente verschuldigd zijn tot maximaal € 49? Dan wordt dit niet aan u in rekening gebracht.
U bent invorderingsrente aan de Belastingdienst verschuldigd als u na de uiterste betaaldatum nog een bedrag aan belasting moet betalen. Dit geldt ook als u uitstel van betaling heeft gekregen. De periode waarover u invorderingsrente moet betalen, begint op de dag na de uiterste betaaldatum en loopt tot de dag waarop het geld op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven.
Let op! De invorderingsrente bedraagt vanaf 1 januari 2026 4,3%.
De normen betreffen de meest gangbare kostenposten, sommige bedrijfsmiddelen en voorraden voor agrarische bedrijven. De normen kennen een onderverdeling in veehouderij, land- en tuinbouw, agrarische bedrijfsgebouwen, landbouwmachines, productierechten en eigen gebruik. Per categorie wordt waar nodig een verdere onderverdeling gemaakt.
Er zijn ook normen beschikbaar met betrekking tot afschrijvingen. Dit betreft afschrijvingsmethodes, afschrijvingsgegevens en afschrijvingsnormen. Ook wordt aangegeven wanneer specifieke regels gelden, zoals een afschrijvingsbeperking.
De normen voor eigen gebruik zijn bedoeld als richtlijn. De onderlinge verschillen tussen gezinnen zijn dermate groot, dat een zo goed mogelijke schatting gemaakt moet worden op basis van de specifieke gezinssituatie, waarbij de richtlijnen een hulpmiddel zijn. Ook is aangegeven hoe u met een bepaalde gezinssituatie rekening moet houden met dit gebruik.
U kunt afwijken van de landbouwnormen als deze niet tot een juiste winstbepaling leiden. U moet dit wel kunnen onderbouwen. U dient verder ook rekening te houden met specifieke situaties, zoals de eventuele aanwezigheid van een warmtepomp.
De Landelijke Landbouwnormen bevatten ook voorbeeldberekeningen, zodat voor verschillende situaties duidelijk wordt hoe de kostprijs moet worden berekend.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01