Over de hoogte van de belastingrente liep de afgelopen jaren een rechtszaak. Uiteindelijk heeft de hoogste rechtsinstantie, de Hoge Raad, geoordeeld dat de belastingrente voor de btw niet te hoog is. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze belastingrente 5%.
U kunt deze belastingrente voorkomen door vóór 1 april 2026 uw btw-suppletie over het jaar 2025 in te dienen. Dus heeft u in 2025 te weinig btw aangegeven in uw btw-aangifte en dus te weinig btw afgedragen, corrigeer dit dan vóór 1 april 2026 met een btw-suppletie.
Let op!Ontvangt de Belastingdienst uw btw-suppletie 2025 niet vóór 1 april 2026, dan berekent de Belastingdienst vanaf 1 januari 2026 5% belastingrente.
U bent verplicht om een btw-suppletie in te dienen binnen acht weken nadat u constateerde dat u zo’n suppletie moet doen. Doet u dat niet, dan kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen.
Let op! De termijn van acht weken kan nog korter zijn. U moet uw btw-suppletie namelijk ook indienen voordat u weet of redelijkerwijs moet weten dat de Belastingdienst al bekend was of zou worden met de te weinig aangegeven of afgedragen btw.
Doet u zelf uw btw-suppletie, dan doet u dat digitaal via het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’. U vindt dit als u bent ingelogd op Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Bedraagt uw btw-suppletie € 1.000 of minder, dan verwerkt u de correctie in uw eerstvolgende btw-aangifte. U dient dan dus geen btw-suppletie in.
Tip! De Belastingdienst legt geen vergrijpboetes op als uw btw-suppletie € 1.000 of minder bedraagt.
Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.
In de online regelhulp komt u aan de hand van een ingevulde vragenlijst automatisch terecht bij de vraagstukken die in de betreffende situatie geregeld dienen te worden. Allereerst moet u aangeven welke rechtsvorm van toepassing is. De regelhulp is met name bestemd voor eenmanszaken, bv’s, vof’s en maatschappen. Vervolgens wordt gevraagd of een testament beschikbaar is.
Vervolgens kunt u aangeven of er personeel in dienst is en of het bedrijf over schulden beschikt. Dit zorgt namelijk voor extra te regelen zaken. Ook dient te worden aangegeven hoe het bedrijf gehuisvest is en of, en door wie, het wordt voortgezet.
De regelhulp speelt tevens in op twee specifieke branches, de agrarische en medische branche, en de hiermee samenhangende problemen.
Na invulling van de regelhulp verschijnt een overzicht van de te regelen zaken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in zaken die zo snel mogelijk geregeld moeten worden, dan wel binnen enkele maanden en zaken waarvan het regelen nog wel even kan wachten.
De opsomming van de te regelen zaken is ook voorzien van de nodige tips en adviezen. Ook wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen voor het personeel en welke instanties hierbij behulpzaam kunnen zijn.
Tip! In een situatie als deze helpen wij u uiteraard graag met het regelen van zaken en geven u daar deskundig advies bij.
Geldfit helpt met name bij het vinden van lokale hulp. De samenwerking met de Dienst Toeslagen sluit ook aan op een eerder initiatief ‘Aanpak Geldzorgen 2025-2027’. Via dit initiatief, vooral gericht op preventie, wordt geprobeerd om mensen met geldzorgen eerder in beeld te krijgen en te helpen of door te verwijzen. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke en andere overheidsorganisaties.
Een ander initiatief voor mensen met schulden is het Experiment Vroegsignalering. Via dit experiment richten de Dienst Toeslagen, de Belastingdienst en tien gemeenten zich op personen met betaalachterstanden. Hierbij worden personen benaderd die ook na een aanmaning hun belastingschuld nog niet hebben betaald, of een te veel ontvangen bedrag aan toeslag(en) niet hebben terugbetaald.
De Dienst Toeslagen probeert geldproblemen ook tegen te gaan. Personen die hulp nodig hebben kunnen via een maatschappelijk dienstverlener of intermediair van een persoonlijk begeleider gebruikmaken.
Er is online ook een tool beschikbaar waarmee kan worden nagegaan of er recht bestaat op één of meer financiële tegemoetkomingen. Via vragenlijsten wordt nagegaan of er landelijke of gemeentelijke regelingen zijn waarop personen met onvoldoende inkomen een beroep kunnen doen. De Voorzieningenwijzer geeft na invulling van enkele vragen over het inkomen en vermogen aan of er bijvoorbeeld recht bestaat op kwijtschelding van lokale belastingen of op bijzondere bijstand.
Ook de Belastingdienst heeft aandacht voor ondernemers met geldzorgen en biedt via een speciale site intermediairs extra informatie en de mogelijkheid hierover vragen te stellen.
Het kabinet schrapt het deel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Vbar) dat beoogde te verduidelijken wanneer iemand daadwerkelijk als zelfstandige werkt of eigenlijk werknemer is.
Zzp’ers moeten een duidelijkere positie en erkenning in de wet krijgen, waarbij voorrang wordt gegeven aan laagbetaalde zzp’ers. Voor hen moet snel duidelijkheid komen. Deze versnelde regeling en meer wil men vormgeven in een nieuwe Zelfstandigenwet. Deze Zelfstandigenwet betreft een afspraak uit het coalitieakkoord van het nieuwe kabinet. De komende tijd wordt het wetsvoorstel Zelfstandigenwet nader uitgewerkt.
Het kabinet wil dus het deel van het wetsvoorstel Vbar dat laagbetaalde zzp’ers beschermt snel in werking laten treden. Het betreft zzp’ers die tot € 38 per uur (per 1 januari 2026) verdienen.
Doet een zzp’er een beroep op het rechtsvermoeden, dan moet de opdrachtgever aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan is er sprake van schijnzelfstandigheid en heeft die zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen en ontslagbescherming.
Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 een vast douanerecht van € 3 per product geheven. Dit gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat, is vanaf 1 juli 2026 dus drie keer € 3 vast douanerecht verschuldigd.
Het douanerecht is straks van toepassing op alle goederen die de EU binnenkomen als de verkopers van buiten de EU zijn geregistreerd in het éénloketsysteem voor invoer van de EU. In het éénloketsysteem is 93% van alle e-commerce naar de EU geregistreerd.
Let op! De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten van € 150 of meer gelden nu namelijk al douanerechten.
Het betreft een tijdelijke oplossing tot 2028. De Raad van de Europese Unie heeft namelijk in november 2025 al toegezegd zo snel mogelijk douanerechten voor kleine pakketten in te voeren. Na invoering zal over alle goederen van minder dan € 150 douanerechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten.
Er ligt ook een voorstel om, naast het vast douanerecht, nog een handling heffing in te voeren van € 2 voor administratiekosten. Dit zou in moeten gaan vanaf november 2026, maar het kabinet dringt er bij de EU op aan om dit te vervroegen naar 1 juli 2026.
Daarnaast ligt er een voorstel voor een eerdere nationale handling fee. Italië en Roemenië voerden al zo’n nationale handling fee in, Frankrijk voert dat in vanaf 1 maart 2026. Nederland blijft echter de voorkeur hebben voor een Europese aanpak. De besluitvorming voor zo’n nationale handling fee blijft daarom vooralsnog uitgesteld.
Let op!De staatssecretaris van Financiën blijf de ontwikkelingen in andere EU-landen en op EU-niveau scherp volgen. Mogelijk leidt dat alsnog tot besluitvorming over invoering van een nationale handling fee.
In de praktijk zegt de curator kort na de faillietverklaring alle arbeidsovereenkomsten op, waarna het UWV de salarisbetalingen overneemt op grond van de loongarantieregeling in de WW. In dat verband wordt ook wel gesproken van een faillissementsuitkering.
De navolgende betalingsverplichtingen komen voor overname door het UWV in aanmerking:
De hoogte van de uitkering op grond van deze regeling is beperkt tot, kort gezegd, anderhalf maal het maximumdagloon volgens de sociale verzekeringswetten.
De eerste (voorschotten op) betalingen door het UWV volgen vaak na vier á vijf weken. Dat is soms wel anderhalve maand of meer na de reguliere betaaldatum van het salaris.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen beantwoord, waar het ging om de vraag of werknemers ten aanzien van een failliete werkgever recht hebben op wettelijke rente en/of wettelijke verhoging bij te late betaling van het salaris.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de boedel/curator zowel de wettelijke rente als ook de wettelijke verhoging verschuldigd is bij te late betaling van het salaris. Het is niet van belang dat vooraf duidelijk is dat het UWV gaat betalen. Er kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, aanleiding zijn om de wettelijke verhoging (maximaal 50%) te matigen. Dit moet in individuele gevallen door de rechter worden beoordeeld. Het faillissement of de betalingsonmacht kan daarbij een grond voor matiging zijn. Verder betreft de wettelijke verhoging een preferente boedelvordering en de wettelijke rente een concurrente boedelschuld.
Daarnaast gaf de Hoge Raad aan dat het bij een goede vervulling van de taak van de curator past, dat hij werknemers er kort op wijst dat zij ten aanzien van de boedel aanspraak kunnen maken op betaling van loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging.
Het staat al jaren op de planning, maar is nog steeds niet ingevoerd: de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum maximaal 10% van het opgebouwde pensioen in één keer uit te laten betalen. De gepensioneerde mag dit bedrag vrij besteden, er is dus geen verplicht bestedingsdoel.
Let op!De opname van een bedrag ineens kan overigens wel gevolgen hebben voor het recht op toeslagen.
Oorspronkelijk was het plan om deze mogelijkheid per 1 januari 2023 in te laten gaan, maar de ingangsdatum is keer op keer uitgesteld. De laatste stand van zaken was dat het niet eerder dan 1 juli 2026 zou ingaan. Vanwege de voorbereidingstijd die nodig is, is inmiddels duidelijk dat die ingangsdatum niet gehaald wordt. Het is aan het nieuwe kabinet om te besluiten over een nieuwe inwerkingtredingsdatum.
Tip! De mogelijkheid 10% ineens op te nemen komt ook beschikbaar voor lijfrentes.
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag Vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. Een paar maanden later werden ook de tijdige bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente op een aanslag IB en overige belastingmiddelen aangewezen als massaal bezwaar.
De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 deed de Belastingdienst deze collectieve uitspraken voor zowel de Vpb als de IB en overige belastingen.
Zoals verwacht, verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente Vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen vanaf het jaar 2022.
De belastingrente Vpb gaat berekend worden naar het percentage dat geldt voor de overige belastingen (waaronder de IB), zie onderstaande tabel.
| Periode | Belastingsrente Vpb was | Belastingsrente Vpb wordt |
| 1-1-2022 t/m 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Let op! In de IT-systemen van de Belastingdienst zijn inmiddels al de lagere belastingrentepercentages opgenomen. Aanslagen Vpb met een dagtekening na 7 februari 2026 worden daarom al met de lagere belastingrentepercentages berekend.
Maakt u (of wij namens u) tijdig bezwaar tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan ontvangt u binnen zes maanden een vermindering van de belastingrente van de Belastingdienst. Deze vermindering wordt berekend volgens de percentages in de derde kolom van de tabel.
Let op!Ontving u een aanslag Vpb met belastingrente met een dagtekening van 17 januari 2026 tot en met 7 februari 2026, dan hoeft u zelf geen actie te ondernemen. U hoeft dus geen bezwaar te maken. De Belastingdienst zal uit eigen beweging de belastingrente opnieuw berekenen met de lagere percentages.
Voor aanslagen Vpb met belastingrente met een dagtekening van 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 is misschien nog wel actie vereist. De Belastingdienst verlaagt voor deze aanslagen namelijk de belastingrente niet uit zichzelf. Is er daarom nog geen bezwaar ingediend, dien dan een verzoek in om ambtshalve vermindering.
Let op!Heeft de aanslag Vpb met belastingrente een dagtekening vóór 5 december 2025 en is daartegen geen tijdig bezwaar ingediend? Dan is er helaas niets meer mogelijk. Een verzoek om ambtshalve vermindering voor deze aanslagen wijst de Belastingdienst namelijk af. Dit is anders als het een voorlopige aanslag betreft. Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u namelijk een verzoek tot vermindering uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag Vpb indienen.
De Belastingdienst verklaart alle bezwaren tegen de belastingrente IB en overige belastingen in de massaalbezwaarprocedure ongegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de IB en overige belastingen afwijst. U krijgt hier niet zelf een bericht over.
Let op! Had u uitstel van betaling voor de belastingrente, dan krijgt u van de Belastingdienst nog wel een bericht dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.
Om te kunnen spreken van een overgang van onderneming is het van belang dat de onderneming haar identiteit heeft weten te behouden. Hierbij wordt gekeken naar een zevental factoren:
Werknemers worden bij een overgang van onderneming beschermd tegen ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen. De vraag is tot hoever deze bescherming reikt.
Uit de rechtspraak volgt dat het ontslagverbod vanwege overgang van onderneming opzij kan worden geschoven als de verkrijger na de overgang besluit tot aanpassing van zijn organisatie op grond van zogenaamde economische, technische of organisatorische redenen, de eETO-redenen. Het gaat dan om redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.
De Hoge Raad heeft zich onlangs gebogen over een zaak waarbij sprake was van overgang van onderneming waarna een werknemer ontslagen werd. De werknemer was sinds 1994 in dienst bij een supermarkt en was op dat moment personeelsverantwoordelijke (P&O) op basis van een dienstverband van acht uur per week. Dit hield in dat hij ondersteunende werkzaamheden verrichtte op het gebied van verzuimregistratie en contracthuishouding. De werknemer kreeg in mei 2023 te horen dat hij van rechtswege in dienst was getreden bij een andere franchisenemer als gevolg van overgang van onderneming. Deze verkrijger beschikte over een servicekantoor waar de HR-taken voor alle supermarkten van de verkrijger centraal worden verricht. De verkrijger stelde zich op het standpunt dat de functie van werkneemster binnen zijn organisatie niet inpasbaar en daarom overbodig was.
Het lukt hem niet de werknemer te herplaatsen. Hij vroeg daarom een ontslagvergunning aan bij het UWV, maar die werd door het UWV geweigerd. Vervolgens ging hij naar de kantonrechter waar hij meer succes had; de kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst. De werknemer ging hiertegen zonder succes in hoger beroep. Uiteindelijk stelde de werknemer cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad overweegt dat het moet gaan om ETO-redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Dit betekent echter niet dat er geen enkel verband mag bestaan tussen de overgang van onderneming en de aan het ontslag ten grondslag gelegde ETO-redenen. Er moet zowel rekening worden gehouden met de belangen van werknemers als ook met de belangen van werkgevers.
Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat naarmate een reorganisatie sneller na de overgang plaatsvindt, de werkgever beter moet kunnen uitleggen waarom het ontslag niet met die overgang samenhangt.
In dit geval volgt de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof dat de verkrijger de aangevoerde ETO-redenen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Aan het ontslag van werknemer lag de beslissing van de verkrijger om de werkzaamheden anders te organiseren en dat stond los van de overgang van onderneming.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01