De greentimerregeling houdt een verlaagd bijtellingspercentage van 14% over de cataloguswaarde van oudere elektrische auto’s in. Het gaat daarbij om elektrische auto’s in de leeftijd van 5 tot 8 jaar. Meer details zijn over deze voorgenomen regeling op dit moment nog niet bekend, behalve dat het plan is om deze in 2029 in te voeren.
Staatssecretaris Bertram van Infrastructuur en Waterstaat liet in een brief van 21 september 2026 weten dat er gewerkt wordt aan een inkomensafhankelijke inruilregeling. Na demontage van een geschikte, oudere fossiele auto zou dan eenmalig een uitkering volgen voor de aankoop van een tweedehands elektrisch voertuig (EV) of voor een maandelijkse korting op het leasebedrag van een tweedehands EV.
Deze regeling gaat uitgevoerd worden door RVO, in samenwerking met de Belastingdienst en de RDW.
Let op! Meer details van deze regeling zijn op dit moment nog niet bekend. Het doel was om de regeling eind september 2026 ter consultatie aan te bieden. De regeling zou daarna zo snel mogelijk opengesteld gaan worden, bij voorkeur nog in het laatste kwartaal van 2026. Het is nog even afwachten of die datum gehaald gaat worden.
Met de handling fee van € 2 per productgroep willen de Europese lidstaten stimuleren dat dezelfde producten in grotere hoeveelheden tegelijk geïmporteerd worden. Dit is voor de Douane beter en efficiënter te controleren. De handling fee wordt op 1 november 2026 waarschijnlijk in alle EU-lidstaten tegelijk ingevoerd.
Omdat de € 2 per productgroep geldt, zullen vooral kleinere pakketjes getroffen worden door de handling fee. De toeslag van € 2 is dan ook een compensatie voor de kosten die de Douane moet maken om de kleine pakketjes te controleren.
Let op! De hoogte van de handling fee wordt iedere twee jaar door de Europese Commissie herzien zodat de hoogte van deze onkostenvergoeding kan worden aangepast aan de actuele ontwikkelingen.
Op de invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 ook al € 3 invoerrechten per productgroep geheven. Door het vervallen van de vrijstelling van invoerrechten die vóór 1 juli 2026 voor dit soort pakketten gold, is de stroom kleine pakketten van buiten de EU vanaf 1 juli 2026 al flink gedaald. Zo betrof de daling in augustus 2026 ten opzichte van augustus 2025 75%. Desondanks verwerkt de Douane nog dagelijks een pakketstroom met meer dan 500.000 aangifteregels.
Een parkeerder betaalde via een parkeerapp parkeerbelasting maar door een gps-fout betaalde hij parkeerbelasting in een andere gemeente dan de gemeente waar zijn auto stond. Omdat voor de werkelijke parkeerlocatie niet was betaald, legde de gemeente een naheffingsaanslag op.
Volgens het hof mag van een parkeerder worden verwacht dat hij controleert of de door de app voorgestelde parkeerzone overeenkomt met de plaats waar hij heeft geparkeerd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de parkeerlocatie dicht bij een zonegrens of gemeentegrens ligt. De fout in deze zaak was niet veroorzaakt door onjuiste informatie in de app over tarief- of parkeerzone maar door de werking van het gps-signaal. Deze fout komt volgens het hof voor risico van de parkeerder.
Het hof maakt onderscheid tussen de selectie van de parkeerzone en de juistheid van het getoonde tarief. De parkeerder moet eerst controleren of de juiste zone is geselecteerd. Is dat het geval, dan mag hij in beginsel vertrouwen op het tarief dat de app voor die zone toont. De verantwoordelijkheid van de gemeente ziet volgens deze benadering op de juistheid van de informatie die zij aan de aanbieder van de parkeerapp verstrekt. Die verantwoordelijkheid strekt zich volgens het hof niet uit tot een onjuiste zoneselectie als gevolg van een gps-fout.
Let op! Controleer bij het starten van een parkeeractie altijd of de door de app voorgestelde parkeerzone overeenkomt met de plaats waar de auto staat. Dit is extra belangrijk in de buurt van een zone- of gemeentegrens. Bewaar bij twijfel zo mogelijk schermafbeeldingen van de locatie, de voorgestelde en geselecteerde zone, het tarief en de parkeeractie.
In zijn arrest van 5 juni 2020 oordeelde de Hoge Raad dat een parkeerder mocht vertrouwen op het tarief dat in een door de gemeente toegestane parkeerapp werd getoond. Het onjuiste tarief was in die zaak veroorzaakt door een fout in de informatie-uitwisseling tussen de gemeente en de aanbieder van de app. De gemeente had daardoor volgens de Hoge Raad niet aan haar informatieplicht voldaan; van de parkeerder kon niet worden verlangd dat hij het tarief in de app ook nog vergeleek met de bebording of de parkeerautomaat.
De uitspraak van het hof ligt daarmee gedeeltelijk in het verlengde van het arrest van de Hoge Raad, maar brengt ook een nieuwe risicoverdeling aan. Daarbij kan de vraag worden gesteld of een gps-fout werkelijk buiten de risicosfeer van de gemeente behoort te vallen. De gemeente staat immers het gebruik toe van een parkeerapp die automatisch een zone voorstelt. Het is uiteindelijk aan de Hoge Raad om hierover duidelijkheid te geven.
Bij scheidingen voor 1 mei 1995 wordt het opgebouwde pensioen dat aan de ex-partner toekomt, via verrekening aan hem of haar toebedeeld. De pensioengerechtigde ontvangt dan wel het hele pensioen, maar moet het aan de ex-partner toekomende deel doorbetalen aan hem of haar.
Voor scheidingen vanaf 1 mei 1995 geldt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS). De ex-partner ontvangt onder deze wet het aan hem of haar toekomende deel van het pensioen rechtstreeks van het pensioenfonds.
Door invoering van de tariefmaatregel in 2020 zijn persoonsgebonden aftrekposten beperkt in aftrek. In 2026 is de aftrek maximaal 37,56 %. Hierdoor kan er een verschil ontstaan tussen het in aftrek gebracht doorbetaalde pensioen (maximaal aftrekbaar tegen 37,56 %) en de belasting over het doorbetaalde pensioen (maximaal belast tegen het hoogste tarief van 49,50%).
Dit verschil kan alleen ontstaan bij scheidingen voor 1 mei 1995. Bij scheidingen vanaf 1 mei 1995 doet zich dit niet voor omdat het pensioen rechtstreeks door het pensioenfonds betaald wordt aan de ex-partner
In een casus die voorgelegd werd bij gerechtshof Den Haag over iemand die voor 1 mei 1995 scheidde van zijn partner, oordeelde het gerechtshof dat dit verschil in behandeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Het gerechtshof stond daarom aftrek van het doorbetaalde pensioen toe, zonder toepassing van de tariefmaatregel.
De Hoge Raad oordeelde echter dat een scheiding voor 1 mei 1995 en een scheiding vanaf 1 mei 1995 geen gelijke gevallen zijn. Er kan daarom ook geen strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Gevolg is dat op de aftrek van het doorbetaalde pensioen de tariefmaatregel gewoon van toepassing is.
Onder de nieuwe regels vanaf 2026 moet de eerste lijfrentetermijn bij leven uitgekeerd zijn uiterlijk op 31 december van het jaar waarin je de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt.
Tot en met 2025 gold nog een hele andere termijn. Toen stond nog in de wet dat de eerste lijfrentetermijn bij leven uitgekeerd moet zijn uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het jaar van de contractueel overeengekomen datum bij leven.
Is op de uiterste datum de eerste lijfrentetermijn niet uitgekeerd? Dan wordt de gehele lijfrente geacht te zijn afgekocht op 1 januari van het jaar na de uiterste datum. Dit geldt zowel onder de regels tot en met 2025 als vanaf 2026. Het is dus van belang om te zorgen dat de eerste lijfrentetermijn uiterlijk op de uiterste datum wordt uitgekeerd.
Ligt de contractueel overeengekomen einddatum van jouw lijfrente in 2025 en heb je nog niet de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt? Dan zou je kunnen denken dat je nog wel even de tijd hebt voordat de eerste lijfrentetermijn uitgekeerd moet zijn. Immers onder de nieuwe regels vanaf 2026 heb je de tijd tot 31 december van het jaar waarin je de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt.
De Belastingdienst vindt echter dat op deze lijfrente de regels tot en met 2025 nog van toepassing zijn. Dat betekent dat de eerste lijfrentetermijn volgens de Belastingdienst uiterlijk op 31 december 2026 uitgekeerd moet zijn! Houd daar rekening mee en voorkom dat je op 1 januari 2027 te maken krijgt met een afkoop van de gehele lijfrente.
Let op! Als de eerste lijfrentetermijn door bijzondere omstandigheden niet op tijd kan worden uitgekeerd, kan de termijn verlengd worden. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn als het verlopen de termijn niet aan jou te wijten is.
Als je zorgkosten maakt, kun je misschien een deel daarvan in aftrek brengen in je aangifte IB. Dit is afhankelijk van welke zorgkosten je maakt (niet alle zorgkosten komen voor aftrek in aanmerking). Verder geldt er een drempel die je in aftrek moet brengen op de kosten voordat je tot de aftrek komt.
Let op! De Belastingdienst heeft de voorwaarden op een rij gezet. Verder vind je op de website een stappenplan om de hoogte van je aftrek te berekenen en een overzicht van de zorgkosten die wel en niet aftrekbaar zijn.
In de belastingplannen die op Prinsjesdag 2026 zijn gepresenteerd is opgenomen dat de aftrek zorgkosten met ingang van 2028 vervalt.
Let op! Naast de aftrek zorgkosten vervalt dan ook de tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ-regeling).
In het wetsvoorstel is geen overgangsrecht opgenomen. Dit betekent dat ook een teruggave voor zorgkosten die je na 31 december 2027 ontvangt niet meer leidt tot negatieve persoonsgebonden aftrek.
De belastingplannen moet nog door de Tweede én Eerste Kamer worden aangenomen. Het vervallen van de aftrekpost is daarom nog niet definitief.
Daarbij wordt opgemerkt dat de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht om de Tweede Kamer te informeren over mogelijkheden om de aftrek specifieke zorgkosten te behouden maar deze doelmatiger te maken en meer gericht op ziektekosten van chronisch zieken. Mogelijk verdwijnt de aftrek daarom toch niet voor iedereen, maar wordt deze meer gericht op chronisch zieken.
Een eigenaar woonde op een perceel met formeel een bedrijfsfunctie. De eigenaar nam zelf een actieve rol in het veranderen van de functie. Zo droeg de eigenaar zelf de kosten voor het maken van het TAM-omgevingsplan, stuurde hij een participatiebrief aan de buren en stelde deze stukken ter beschikking van de gemeente. De gemeente bracht € 7.000 aan leges in rekening.
De eigenaar had niet uitdrukkelijk schriftelijk gevraagd om het omgevingsplan te wijzigen. Toch was volgens de rechtbank sprake van een aanvraag. Uit email-correspondentie en de actieve rol van de eigenaar bleek dat de wijziging op zijn verzoek tot stand was gekomen. Toch betekende dit niet automatisch dat de gemeente leges mocht heffen. Dat mag alleen wanneer sprake is van werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate worden verricht voor een individueel belang. Bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan staat volgens de rechtbank echter het publieke belang voorop. De gemeente stelt hiermee namelijk regels vast over het gebruik van grond en de fysieke leefomgeving.
Dat de wijziging maar één perceel betreft en de eigenaar zelf voordeel heeft van de wijziging, maakt dit niet anders. De rechtbank vernietigde daarom de legesaanslag.
Let op! Dit betekent niet dat een gemeente bij een ruimtelijk initiatief helemaal geen leges mag heffen. Voor het behandelen van een omgevingsvergunning kunnen wel leges verschuldigd zijn.
Zo mocht een gemeente wel leges heffen voor de behandeling van een vergunningaanvraag van een regionale netbeheerder voor het veranderen en vergroten van een energieontvangst- en verdeelstation. Hoewel een betrouwbare energievoorziening ook een publiek belang dient, waren de werkzaamheden rond de vergunningaanvraag vooral gericht op het individuele belang van de netbeheerder.
Het is daarom belangrijk om te kijken waarvoor de gemeente de leges in rekening brengt. Gaat het om het vaststellen of wijzigen van het omgevingsplan, of om het behandelen van een concrete vergunningaanvraag?
De procedure speelde in 2025, toen gemeenten nog gebruik konden maken van de tijdelijke TAM-werkwijze. Sinds 1 januari 2026 kunnen gemeenten daarmee geen nieuwe wijzigingsprocedure meer starten. De uitspraak is hiermee van belang voor nog aanhangige procedures waarin een TAM-omgevingsplan speelt. Ook buiten TAM-procedures lijkt de uitspraak echter relevant, omdat de rechtbank haar oordeel baseert op het onderscheid tussen een individueel en een publiek belang, en niet op de gebruikte technische standaard.
Let op! Geen leges betekent niet dat een wijziging altijd kosteloos is. De gemeente kan bepaalde kosten op een andere wettelijke of contractuele grondslag verhalen, bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst. Uitgangspunt blijft altijd dat dezelfde kosten niet dubbel in rekening mogen worden gebracht.
Het voorstel is om per 2028 alle financiële instrumenten onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen. Naast onroerende zaken en aandelen in startups- en scale-ups zal de vermogenswinstbelasting dan ook gelden voor andere aandelen, obligaties en opties. Het kabinet neemt in de uitwerking ook een regeling voor landgoederen binnen de natuurschoonwet mee.
Let op! Zo’n 10% van de vermogensbestanddelen valt in 2028 en 2029 dan nog niet in de vermogenswinstbelasting, maar in de vermogensaanwasbelasting. Het is de bedoeling dat de vermogenswinstbelasting voor deze vermogensbestanddelen in 2030 wordt ingevoerd.
De dekking van de aanpassing in box 3 en andere aanpassingen worden onder meer gevonden in box 3 zelf:
Het voorstel is om in de jaren 2027 tot en met 2030 het tarief van de tweede schijf in box 2 met 1,8% punt te verlagen naar 29,2%. De hoop is dat dga’s door de verlaging meer dividend uitkeren, waarmee een deel van de box 3-aanpassingen en de andere aanpassingen gedekt kunnen worden.
| Jaar | Schijf | Belastbaar inkomen box 2 | Tarief |
| 2026 | 1 | tot € 68.843 | 24,50% |
| 2 | vanaf € 68.843 | 31,00% | |
| 2027 | 1 | tot € 69.607 | 24,50% |
| 2 | vanaf € 69.607 | 29,20% |
Tip! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.
Een ander dekkingsvoorstel is het verlagen van de € 500.000 grens in excessief lenen bij de eigen bv naar € 100.000. Dit gebeurt in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 is de grens dan € 420.000. Eind 2031 zal de grens € 100.000 zijn.
Let op! De uitzondering die nu al geldt voor eigenwoningschulden bij de bv blijft bestaan. Deze schulden tellen dus ook vanaf 2027 niet mee.
Het kabinet wil werken meer laten lonen. Dit wil het kabinet niet langer doen door een verdere verhoging van de arbeidskorting. De arbeidskorting wordt daarom met € 133 verhoogd in plaats van € 173. Het kabinet verhoogt wel de grens waarboven het tarief van 49,5% geldt. In plaats van een inkomen vanaf € 78.426 begint het toptarief van 49,5% in 2027 vanaf € 80.578. Door deze verhoging wordt ook de algemene heffingskorting langzamer afgebouwd.
De eerder voorgenomen hervormingen op de WW, de tegemoetkoming arbeidsongeschikten en de WIA (IVA) van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaan niet door. Het kabinet wil met werkgevers en werknemers komen tot een sociaal akkoord met daarin de benodigde hervormingen. Het van de begroting halen van de hervormingen betekent dat dit ten laste gaat van de begrotingen van alle ministeries, met uitzondering van Defensie, Justitie en Veiligheid, het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.
Let op! De aanpassingen in box 1, 2 en 3 worden opgenomen in een novelle. Deze novelle moet vóór 31 december 2026 door de Tweede én Eerste Kamer zijn aangenomen. Zoals het kabinet zelf al aangeeft is dat een ambitieus tijdpad. Het is nog afwachten of dat ook gehaald wordt.
De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.
Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.
In de Eerste Kamer zou waarschijnlijk geen meerderheid voor het wetsvoorstel komen. Eind februari 2026 liet de Minister van Financiën al weten het wetsvoorstel daarom aan te willen passen. Op Prinsjesdag 2026 zouden de aanpassing in een novelle op het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Om die reden heeft de Eerste Kamer stemming over het wetsvoorstel tot nader orde uitgesteld.
Het is het kabinet niet gelukt om tot een voorstel tot aanpassing te komen dat kan rekenen op een breed draagvlak in het parlement. Op Prinsjesdag 2026 verscheen daarom geen novelle maar een Kamerbrief waarin het kabinet aangeeft in gesprek te willen met de Tweede en Eerste Kamer over het vervolg.
Let op! De Eerste Kamer werd in de Kamerbrief ook gevraagd om het wetsvoorstel voorlopig niet verder in behandeling te nemen. De Eerste Kamer heeft de minister en staatssecretaris uitgenodigd voor een gesprek op 5 oktober en beslist daarna of ze aan het verzoek tegemoet komen.
In de Kamerbrief geeft het kabinet vier scenario’s, waarbij als vertrekpunt voor alle scenario’s geldt: invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.
Een schenking onder schuldigerkenning wordt ook wel een schenking op papier genoemd. De schenker keert het geschonken bedrag dan niet uit, maar blijft dit schuldig.
Om te voorkomen dat de papieren schenking bij de berekening van de erfbelasting alsnog meetelt, is het verstandig om de schenking bij een notaris vast te leggen. Als de ontvanger van de schenker je partner is of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad, dien je dan ook een rente af te spreken en te vergoeden van minimaal 6%. Meestal bedraagt de rente bij een schenking op papier daarom 6%.
In de schenkingsovereenkomst kan zijn opgenomen dat je de schenking kan herroepen.
De Belastingdienst heeft al eerder aangegeven dat het recht op herroepen op zich geen waarde heeft voor box 3. Maar let op, dit kan anders zijn als je van plan bent om te gaan herroepen.
Wil je box 3 berekenen op basis van je werkelijke rendement, dan is de vraag hoe je dit berekent in het jaar van de schenking en de herroeping. De Belastingdienst heeft aangegeven dat er in beide jaren geen vermogensaanwas is voor de schenker en de ontvanger.
Bij de schenker wordt alleen de betaalde rente als negatief regulier voordeel in aanmerking genomen bij de berekening van het werkelijke rendement. Bij de ontvanger van de schenking wordt alleen de ontvangen rente in aanmerking genomen als regulier voordeel.
Let op! De Belastingdienst vindt in dit geval een rentepercentage van 6% zakelijk. Daarom hoef je bij de berekening van het werkelijke rendement geen zakelijkheidscorrectie toe te passen.
De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 normaal gesproken gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer.
Is sprake van een vordering of schuld met een vaste rente, zoals bij een schenking onder schuldigerkenning? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd hoger of lager is dan de vaste rente van in dit geval 6%.
De Belastingdienst heeft echter goedgekeurd dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van deze waarde in het economische verkeer. Deze goedkeuring geldt echter alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Doe je dat niet, dan moet je de contante waarde berekenen. In dat geval zal er in het jaar van schenken en/of herroepen mogelijk toch sprake kunnen zijn van vermogensaanwas.
Let op! Deze goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028, maar het is nog de vraag of deze datum gehaald wordt.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01