HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Let op! Niet alle punten die hieronder worden genoemd, komen uit het Belastingplan 2027. Enkele wijzigingen waren al eerder besloten, maar daar zijn aanpassingen op gedaan.

1. Minder fiscale voordelen voor ondernemers

Vanaf 2027 versobert het kabinet verschillende fiscale voordelen voor ondernemers. 

De ondernemersaftrek verlaagt de winst waarover een ondernemer inkomstenbelasting betaalt. Voor verschillende onderdelen van deze aftrek geldt vanaf 2027 een verdere versobering.

Let op! Deze regeling geldt voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur én recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. 

De stakingsaftrek en de meerwerkaftrek verdwijnen aan het begin van het derde kalenderjaar na het jaar waarin de verlaging ingaat. Bij inwerkingtreding per 2027 vervallen de regelingen dus per 1 januari 2030.

Per 1 januari 2028 vervalt nog een ander fiscaal voordeel voor ondernemers: de willekeurige afschrijving voor starters.

Vooral startende ondernemers, ondernemers die binnen enkele jaren willen stoppen en ondernemers met een meewerkende partner merken de gevolgen. De keuze voor een eenmanszaak, vof of bv vraagt daardoor opnieuw om een berekening op basis van de concrete winst en de persoonlijke situatie.

Let op! Laat bij grotere veranderingen in je winst, samenwerking of bedrijfsopvolging opnieuw berekenen welke rechtsvorm bij jouw onderneming past.

Tip! Door het hogere verzamelinkomen kunnen ook toeslagen veranderen. Controleer daarom voor 2027 en 2028 tijdig je geschatte inkomen voor de toeslagen.

2. Meer ruimte voor reiskosten, versobering van de WKR

Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 maximaal € 0,25 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dat was € 0,23. De verhoging geldt ook voor woon-werkverkeer. Het kabinet legt deze verhoging nu met terugwerkende kracht vast in de wet.

Let op! De verhoging betekent niet automatisch dat iedere werknemer recht heeft op € 0,25 per kilometer. Dat hangt af van de arbeidsovereenkomst, cao en het eigen mobiliteitsbeleid. Voor werkgevers kan een hogere vergoeding leiden tot hogere loonkosten.

Tegenover deze verruiming staat ook een versobering van de werkkostenregeling (WKR). De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten vervalt. Werkgevers mochten werknemers tot nu toe onbelast 20% personeelskorting geven over de waarde van het product in het economisch verkeer, tot een bedrag van maximaal € 500 per jaar. Deze vrijstelling verdwijnt. De korting kan vanaf 2027 nog wel ten laste van de vrije ruimte worden gebracht. Overschrijd je de vrije ruimte? Dan betaal je over het bedrag daarboven 80% eindheffing. 

De vrije ruimte over de eerste € 400.000 fiscale loonsom stijgt per 1 januari 2027 van 2% naar 2,16%. Daardoor krijg je maximaal € 640 extra vrije ruimte per jaar. Deze verhoging is al eerder aangenomen en maakt dus geen onderdeel uit van het Belastingplan 2027.

Tip! Pas het personeelshandboek, declaratiebeleid en de salarisadministratie tijdig aan en beoordeel of een hogere kilometervergoeding financieel en arbeidsvoorwaardelijk wenselijk is. Maakt je organisatie gebruik van personeelskorting op branche-eigen producten? Bekijk dan wat het vervallen van deze vrijstelling betekent. Dit zal zich vooral voordoen in de detailhandel en industrie.

3. Fossiel rijden duurder, grens youngtimerregeling naar 20 jaar

Stel je als werkgever vanaf 2027 een personenauto met uitstoot ook voor privégebruik beschikbaar aan een werknemer? Dan krijg je te maken met een pseudo-eindheffing van 12% van de cataloguswaarde. Deze heffing komt naast de bijtelling van de werknemer en mag je niet doorberekenen aan de werknemer. Voor auto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht.

De pseudo-eindheffing is vorig jaar al aangenomen, maar na overleg worden vier aanpassingen voorgesteld. 

De youngtimerregeling wordt geleidelijker versoberd dan eerder was vastgelegd, en ook minder vergaand. De bijtelling blijft gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer, maar de leeftijdsgrens stijgt in 2027 van 16 jaar naar 17 jaar en vanaf 2028 naar 20 jaar. De eerder voorziene snelle verhoging naar 25 jaar per 2027 gaat daarmee niet door. Voor auto’s die uiterlijk op 31 december 2025 al ter beschikking zijn gesteld en die in 2027 17 jaar worden, geldt overgangsrecht. Deze auto’s mogen de youngtimerregeling gedurende heel 2027 blijven toepassen. Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling alleen nog voor auto’s ouder dan 20 jaar.

Voor werkgevers wordt de keuze voor een zakelijke auto met name door de pseudo-eindheffing belangrijker. De contractduur, aandrijving en het moment waarop een auto voor het eerst ter beschikking wordt gesteld, kunnen grote fiscale gevolgen hebben. Een bestaande leaseplanning kan daardoor veel duurder of juist aantrekkelijker uitpakken.

Tip! Breng vóór nieuwe leasebeslissingen de totale werkgeverskosten, werknemersbijtelling, looptijd en fiscale overgangsregels goed in kaart.

4. Minder inflatiecorrectie verhoogt belastingdruk in box 1

Normaal gesproken stijgen de grenzen van de belastingschijven en verschillende heffingskortingen in box 1 mee met de inflatie. Zo blijft de belastingdruk normaal gesproken gelijk als het inkomen stijgt, in lijn met de inflatie.

In 2027 en 2028 past het kabinet de inflatiecorrectie slechts gedeeltelijk toe. Zonder deze maatregel zou de inflatiecorrectie voor 2027 2,6% bedragen. Daarvan wordt 48% toegepast. Hierdoor stijgen schijfgrenzen en heffingskortingen minder mee met de inflatie. De 48% wordt overigens niet toegepast op de tweede schijfgrens, deze blijft daarom in 2027 gelijk aan 2026. De eerste schijfgrens stijgt van € 38.883 naar € 39.247. De tweede schijfgrens blijft € 78.426.

Tegelijkertijd wijzigen de box 1-tarieven. Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt het tarief in de eerste schijf met 0,48%: van 35,75% in 2026 naar 36,23% in 2027. Het tarief in de tweede schijf stijgt met 0,60%: van 37,56% naar 38,16%. Het tarief in de derde schijf blijft 49,50%. 

Door de verhoging van de tarieven en beperkte indexering stijgt de belastingdruk in box 1. Dit effect wordt beperkt voor woningbezitters die de hypotheekrente ook tegen het hogere tarief van maximaal 38,16% kunnen aftrekken. 

Let op! Beoordeel je loon, dividend en winst altijd in samenhang. De belastingdruk kan namelijk onverwacht hoger zijn, omdat de algemene heffingskorting afhangt van het verzamelinkomen. Deze kan dus ook door een dividenduitkering dalen.

5. Uitstel box 3

Box 3 belast privévermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. In het huidige stelsel berekent de Belastingdienst het rendement grotendeels met forfaits. Is je werkelijke rendement lager, dan kun je onder voorwaarden tegenbewijs leveren.

Het kabinet heeft de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig uitgesteld. In de Voorjaarsnota 2027 komt het kabinet met een nieuw voorstel. Daardoor wordt de beoogde invoering per 1 januari 2028 niet gehaald of blijft deze datum op zijn minst onzeker. Het kabinet onderzoekt opnieuw of een vermogenswinstbelasting beter past dan een vermogensaanwasbelasting.

Bij een vermogensaanwasbelasting telt ook een nog niet gerealiseerde waardestijging jaarlijks mee. Bij een vermogenswinstbelasting volgt heffing pas bij bijvoorbeeld verkoop. Voor ondernemers en dga’s met beleggingen, verhuurd vastgoed of andere moeilijk verkoopbare bezittingen maakt dat een groot verschil.

Let op! Zolang er geen nieuw stelsel geldt, blijft een goede administratie van rente, dividend, huur, kosten en waardeveranderingen belangrijk. Deze gegevens zijn nodig voor de tegenbewijsregeling én voor de afweging tussen beleggen in privé of via een bv.

Tip! Wacht niet op het nieuwe stelsel. Leg het werkelijke rendement per vermogensbestanddeel jaarlijks vast en bewaar onderliggende documenten.

6. Meer steun voor innovatie en verduurzaming

Het kabinet maakt verschillende fiscale regelingen voor investeringen en innovatie aantrekkelijker. Zo stijgt de energie-investeringsaftrek per 1 januari 2027 van 40% naar 45,5%. Investeer je in kwalificerende energiezuinige bedrijfsmiddelen? Dan mag je daardoor een groter deel van je investering extra aftrekken van de winst.

Ook de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk wordt verruimd. Het forfaitaire uurloon stijgt van € 29 naar € 33. Deze regeling verlaagt de loonheffing die je als werkgever afdraagt als je medewerkers werken aan technisch nieuwe producten, processen of programmatuur.

Maakt je onderneming gebruik van de innovatiebox? Ook deze regeling wordt aantrekkelijker. Vanaf 1 januari 2027 stijgt het maximale forfaitaire bedrag van € 25.000 naar € 100.000 per jaar. Het forfait blijft maximaal 25% van de winst. Ook de huidige toepassingsduur van drie jaar verandert niet. Hierdoor kun je een groter deel van de winst tegen het lagere innovatiebox-tarief laten belasten.

Tip! Wil je gebruikmaken van de energie-investeringsaftrek? Controleer vóórdat je verplichtingen aangaat of het bedrijfsmiddel op de energielijst staat. Dien vervolgens je aanvraag in bij RVO binnen de geldende termijn van drie maanden.

7. Fiscale stimulans voor start-ups en scale-ups

Om innovatie en groei van specifieke jonge ondernemingen te stimuleren, introduceert het kabinet een aantrekkelijke fiscale regeling voor aandelenopties van werknemers bij start-ups en scale-ups. In principe betaalt de werknemer de belasting wanneer hij de aandelen die hij uit de opties heeft verkregen, daadwerkelijk verkoopt. Na aftrek van de uitoefenprijs die aan de aandelen is toe te rekenen, wordt onder voorwaarden slechts 65% van het voordeel belast als loon. Verkoopt de werknemer het aandelenoptierecht in plaats van de aandelen? Dan geldt deze lagere grondslag niet. De werknemer kan ook schriftelijk kiezen voor eerdere belastingheffing op het moment van uitoefening van het optierecht of zodra de aandelen verhandelbaar zijn.

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die kwalificeren als start-up of scale-up en een beschikking hebben van RVO. Deze beschikking is vanaf de dagtekening acht jaar geldig. Onder voorwaarden kun je de beschikking steeds met vijf jaar verlengen, tot een totale looptijd van maximaal 23 jaar. Daarnaast geldt in principe een minimale periode van twee jaar tussen de toekenning van het aandelenoptierecht en de verkoop van dit recht of de aandelen die daaruit voortkomen. Verkoopt de werknemer eerder vanwege een verkoop op beursgang van de onderneming? Dan geldt een uitzondering en is de regel wel van toepassing.

De regeling moet op 1 januari 2027 ingaan. De definitieve inwerkingtreding vindt plaats op een tijdstip dat bij koninklijk besluit wordt bepaald. Aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, kunnen mogelijk ook gebruikmaken van de regeling. Daarvoor moeten de aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken en moet aan de overige voorwaarden zijn voldaan. In dat geval moet je onderneming de beschikking uiterlijk op 31 december 2027 bij RVO aanvragen.

Tip! Onderzoek tijdig of je onderneming in aanmerking komt voor een RVO-beschikking. Beoordeel daarnaast of werknemersparticipatie je kan helpen om talent aan te trekken, te belonen en te behouden.

8. Hogere Aof-premie door vrijheidsbijdrage

Ook werkgevers moeten een zogenoemde vrijheidsbijdrage leveren om de stijgende defensie-uitgaven te bekostigen. Het kabinet wil deze lastenverzwaring grotendeels innen via een verhoging van de premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Volgens de raming levert deze verhoging in 2027 € 1,5 miljard aan extra premieopbrengsten op. Vanaf 2028 gaat het structureel om € 1,7 miljard per jaar.

De hoge en lage Aof-premiepercentages staan nog niet vast. De premiepercentages worden later bekendgemaakt, tegelijk met de jaarlijkse premiepercentages voor de werknemersverzekeringen. Daardoor is nog niet duidelijk hoeveel je werkgeverslasten precies stijgen. 

Tip! Houd in je personeelsbegroting voor 2027 rekening met hogere werkgeverslasten. Pas je loonkostenberekening aan zodra de hoge en lage Aof-premiepercentages voor 2027 officieel zijn vastgesteld.

9. Overdrachtsbelasting op beleggingswoningen naar 7%

Koop je een woning waarin je niet zelf duurzaam gaat wonen? Dan betaal je overdrachtsbelasting tegen het algemene woningtarief. Dit geldt bijvoorbeeld voor een verhuurde woning of vakantiewoning. Per 1 januari 2027 daalt dit tarief van 8 naar 7%. Het tarief van 2% voor een woning waarin je zelf gaat wonen en de startersvrijstelling blijven ongewijzigd. 

Let op!Voor bedrijfspanden geldt deze verlaging niet. Bij gemengde objecten, transformaties en projectontwikkeling kan discussie ontstaan over welk deel als woning kwalificeert. Het gebruik en de staat van het object op het moment van verkrijging spelen daarbij een belangrijke rol.

Door de tariefsverlaging kan het interessant zijn om opnieuw naar het moment van transactie te kijken. Houd daarbij ook rekening met andere factoren, zoals financiering, rendement, btw en de juridische structuur.

Tip! Laat vóór ondertekening van de koopovereenkomst beoordelen welk tarief voor jouw situatie geldt. Onderzoek daarbij of het zinvol en haalbaar is om de levering bij de notaris uit te stellen tot na 1 januari 2027.

10. Aftrek voor specifieke zorgkosten verdwijnt in 2028

Bepaalde niet-vergoede zorgkosten zijn nu onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomstenbelasting. Denk aan specifieke geneesmiddelen, hulpmiddelen, dieetkosten, vervoer en extra gezinshulp. De aftrek geldt pas nadat rekening is gehouden met vergoedingen en een inkomensafhankelijke drempel.

Het kabinet schaft de aftrek voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 af. Ook de daaraan gekoppelde regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten, de TSZ-regeling, verdwijnt. Voor mensen met een chronische ziekte werkt het kabinet aan een gerichte compensatieregeling. Het wetsvoorstel kent geen overgangsrecht. De maatregel raakt vooral mensen met een chronische ziekte, beperking of structureel hoge, niet-vergoede zorgkosten. Ook ondernemers en dga’s kunnen hierdoor privé met hogere nettolasten te maken krijgen. Het financiële effect verschilt sterk, omdat niet iedere zelf betaalde zorguitgave nu aftrekbaar is.

Tip! Breng terugkerende aftrekbare zorgkosten in kaart. Zo wordt zichtbaar welk belastingvoordeel vanaf 2028 mogelijk wegvalt en in hoeverre een toekomstige compensatieregeling daarin voorziet.

Herroeping

De Belastingdienst heeft zich uitgesproken over een casus waarin iemand alle aandelen in een bv schonk aan een ander. In de schenkingsakte was een mogelijkheid opgenomen om deze schenking te herroepen. De schenker maakte gebruik van dit herroepingsrecht waardoor de aandelen weer terugkeerden in zijn vermogen.

Afrekening in box 2

De Belastingdienst heeft aangegeven dat in deze situatie bij de ontvanger van de schenking een afrekening plaatsvindt in box 2. De Belastingdienst vindt namelijk dat in zo’n geval een (fictieve) vervreemding van de aandelen plaatsvindt.

De waarde waartegen de vervreemding plaatsvindt is de waarde in het economische verkeer op het moment van de herroeping. De verkrijgingsprijs van de aandelen voor de ontvanger van de schenking is de waarde in het economische verkeer op het moment van schenking.

In een voorbeeld

Stel dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van schenking € 1.500.000 is. Als de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van herroeping € 2.000.000 is, wordt bij de ontvanger van de schenking een vervreemdingsvoordeel in box 2 in aanmerking genomen van € 500.000. De ontvanger betaalt hierover tot 31% belasting!

Let op! In dit vereenvoudigde voorbeeld van de werkelijkheid is geen rekening gehouden met eventuele uitgekeerde dividenden en eventuele gevolgen van de herroeping hiervoor.

Compensatie?

De (fictieve) vervreemding van de aandelen bij een herroeping van de schenking, kan zuur uitpakken voor de ontvanger van de schenking. Die wordt immers geconfronteerd met een afrekening in box 2, zonder dat hij/zij daar enige invloed op heeft of zelf inkomsten van heeft ontvangen.

Bij het schenken van de aandelen zou in de schenkingsovereenkomst wellicht een verplichting tot compensatie van de ontvanger van de schenking opgenomen moeten worden. Dit in verband met de kennis dat de Belastingdienst een belastbaar feit in aanmerking zal willen nemen bij herroeping van een schenking van box 2 aandelen.

Let op! De schenker profiteert ook van de afrekening die bij de ontvanger van de schenker plaatsvindt in box 2. De verkrijgingsprijs van de aandelen wordt voor de schenker namelijk verhoogd. In het voorbeeld dus naar € 2.000.000.

Tegengeluid?

In de literatuur is overigens niet iedereen het eens met het standpunt van de Belastingdienst. Zo zijn er geluiden dat in deze situatie geen vervreemdingsvoordeel bij de ontvanger van de schenking in aanmerking zou moeten komen. Bij de schenker zou dan zijn oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen weer moeten herleven. Er zijn echter ook geluiden die het standpunt van de Belastingdienst onderschrijven.

Let op! De Hoge Raad moet zich nog over een dergelijke situatie uitspreken. 

Verdeling inkomen en aftrek

Inkomens- en aftrekposten die je onderling mag verdelen zijn:

Let op! In je aangifte kun je voor de verdeling kiezen die voor jullie het gunstigst is.

Tot wanneer wijzigen verdeling?

De wijziging van de verdeling tussen partners kan nog plaatsvinden zolang de aanslagen van de belastingplichtige en zijn partner nog niet onherroepelijk vaststaan. Als je geen bezwaar maakt tegen de definitieve aanslag, staat deze zes weken na de dagtekening onherroepelijk vast. De aanslag staat nog niet onherroepelijk vast, als je tijdig bezwaar of beroep hebt ingesteld en dit nog loopt of er nog geen zes weken verstreken zijn na de uitspraak op bezwaar/beroep.

Let op! Procedeer je door tot aan de Hoge Raad, dan staat je definitieve aanslag na de uitspraak van de Hoge Raad meteen onherroepelijk vast. In dit geval geldt een uitzondering en kunt je daarna nog binnen zes weken verzoeken om wijziging van de verdeling.

Ook wijziging verdeling bij navordering

In geval van een navorderingsaanslag vond de Belastingdienst tot voor kort dat wijziging van de verdeling alleen betrekking kon hebben op inkomen en/of aftrekposten die waren nagevorderd. Alle andere onderdelen uit de al onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen IB konden volgens de Belastingdienst niet opnieuw worden verdeeld. De Hoge Raad was het hier niet mee eens en oordeelde dat de wijziging van de verdeling niet beperkt is tot de inkomensbestanddelen waarop de navordering betrekking heeft.

Geen wijziging verdeling vanwege toeslagen of bij verrekenbare verliezen

In twee andere uitspraken is beslist dat de beperking van de verdeling tot het moment van onherroepelijk vaststaan van de definitieve aanslagen, niet anders wordt vanwege gemiste toeslagen of verliesverrekening. 

Het ging hierbij in een zaak voor rechtbank Gelderland om toeslagen waarop geen recht bestond, omdat te veel vermogen was toegerekend aan een partner. Daardoor werd de vermogensgrens voor de toeslagen overschreden. Dat dit voor de belastingplichtige pas duidelijk werd na vaststelling van het bedrag aan toeslagen, maakte niet dat alsnog verzocht kon worden om een andere verdeling.

In de andere zaak besliste de Hoge Raad dat het verloren gaan van heffingskortingen nadat achterwaartse verliesverrekening was toegepast, eveneens geen reden was de termijn waarbinnen opnieuw verdeeld kan worden te verlengen.

Uitzondering na uitspraak massaalbezwaarprocedure kerstarrest

De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat je nog opnieuw kunt verdelen na de collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure van het kerstarrest.

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. 

De Hoge Raad oordeelde dat in zo’n situatie nog wel gekozen kan worden voor een andere verdeling van het box 3-inkomen als dat verzoek gedaan wordt binnen zes weken na de beschikking van de Belastingdienst met de nieuwe berekeningen.

 

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst, maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.

 

Compensatie werkelijke schade

Bij de compensatie van gedupeerden van de toeslagenaffaire werd in beginsel uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Kan je aantonen dat jouw werkelijke schade groter was, dan kun je de Commissie Werkelijke Schade laten beoordelen of je recht hebt op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Raad van State: bij niet tijdig beslissen geen dwangsom

Bij het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade, kunnen in principe dwangsommen worden opgelegd. De Raad van State besliste hierover op 3 juni 2026 dat de normale wettelijke termijn geldt. Ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verzonden. Wanneer deze termijn wordt overschreden hoeft er van de Raad van State tot 3 juni 2027 echter geen dwangsom betaald te worden. 

Reden hiervoor is dat de dwangsom er niet toe leidt dat de Dienst Toeslagen eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade gaat beslissen. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland: wel een dwangsom

Rechtbank Midden-Nederland wijkt op 27 juli 2026 in drie uitspraken hiervan af en legt toch dwangsommen op aan de Dienst Toeslagen. Hoewel de rechtbank de problemen bij de Dienst Toeslagen herkent, oordeelt de rechtbank dat de wet aan de rechter geen mogelijkheid geeft om geen dwangsom op te leggen in een procedure over niet tijdig beslissen.

Rechtbank Midden-Nederland houdt daarbij wel een langere beslistermijn aan dan de Raad van State. De Dienst Toeslagen krijgt in deze drie zaken van de rechtbank een beslistermijn van 66 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken. Haalt de Dienst Toeslagen deze termijn niet, dan is de dwangsom € 50 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Let op! In casu betekent dit in de drie zaken die bij rechtbank Midden-Nederland dat de uiterste beslistermijn van de Dienst Toeslagen voordat de dwangsom gaat lopen 6 juli 2027, 15 juli 2027 en 3 augustus 2027 is. Al met al gaat de dwangsom dus in deze drie zaken niet eerder lopen dan 3 juni 2027, de datum waarop de dwangsomloze periode van de Raad van State eindig

Let op!Tegen de uitspraken van rechtbank Midden-Nederland is inmiddels hoger beroep ingesteld. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt op 16 september 2026 het hoger beroep van de Dienst Toeslagen tegen één van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland.

Let op!Op 27 augustus 2026 volgde rechtbank Gelderland en op 14 september 2026 volgde rechtbank Amsterdam de beslissing van rechtbank Midden-Nederland en weken daarmee ook af van de Raad van State. Rechtbank Amsterdam bepaalde de dwangsom echter niet op € 50 per dag maar op € 100 per dag met een maximum van totaal € 15.000.

Overdrachtsbelasting

Bij de koop van een woning is de koper in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het normale tarief bij verkrijging van een woning bedraagt op dit moment 8%. Wordt de woning door de koper na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan geldt een tarief van 2% of is, onder voorwaarde, een startertsvrijstelling van toepassing. Maar geldt er ook een termijn waarbinnen je de woning als hoofdverblijf moet gaan gebruiken?

Woning verbouwd

Of er een termijn geldt voor het als hoofdverblijf gaan gebruiken, is voor een verbouwing van een woning besproken bij de totstandkoming van de wet. Ook in de rechtspraak is dit al enkele keren aan de orde geweest. Daarbij is geen termijn genoemd waarbinnen de verbouwing voltooid dient te zijn. In 96% van de gevallen wordt een woning namelijk binnen een jaar bewoond. Duurt een verbouwing langer, dan kan door de Belastingdienst gevraagd worden aannemelijk te maken dat je de woning toch anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken.

Terminaal ziek

In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Nederland had een echtpaar een woning gekocht, maar gingen hier niet direct zelf in wonen. In plaats daarvan verhuurden ze de woning aan hun terminaal zieke dochter en haar twee kinderen. Ze gaven aan het appartement gekocht te hebben omdat ze zelf kleiner wilden gaan wonen. Ze zouden het gelijkvloerse appartement na het overlijden van hun dochter zelf gaan bewonen.

Welk tarief overdrachtsbelasting?

Voor de rechtbank stond de vraag centraal welk tarief overdrachtsbelasting van toepassing was. De ouders wezen erop dat het hun intentie was de woning op termijn zelf als hoofdverblijf te gaan gebruiken en bepleitten een tarief van 2%. Volgens de Belastingdienst was de woning echter aangekocht voor de dochter. De Belastingdienst vond dat het echtpaar daarom de woning na verkrijging niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf was gaan gebruiken. Het normale tarief van toen nog 10,4% (voor woningen is dat nu 8%, waarschijnlijk vanaf 2027 7%) was daarom van toepassing, aldus de Belastingdienst.

Geen fatale termijnen

De rechtbank kwam echter tot de conclusie dat de woning was gekocht met de intentie deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Dat dit niet direct na aankoop gebeurde was volgens de rechtbank niet van belang, nu aannemelijk was dat de intentie aanwezig was en ook zou worden uitgevoerd na overlijden van de dochter. 

De wet bevat ook geen fatale termijnen, waarbinnen de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt moet gaan worden, aldus de rechtbank.

De rechtbank achtte het ook niet aannemelijk dat de woning voor de dochter was gekocht, aangezien die er nog maar een korte periode in kon wonen. Vanwege de situatie van de dochter was de aankoop door het echtpaar vervroegd en het bewonen door henzelf slechts kort uitgesteld. Er diende dan ook uitgegaan te worden van een overdrachtsbelastingtarief van 2%.

Let op! De uitspraak van rechtbank Noord-Nederland betekent niet dat bij elk uitgesteld gebruik van bewoning, het 2% tarief van toepassing is. Dit is altijd afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Bovendien is nog niet bekend of er mogelijk hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Overleg daarom over uw eigen situatie met onze adviseurs.

 

Huurtoeslag

Als je inkomen over 2025 en je vermogen per 1 januari 2025 niet te hoog was en je een zelfstandige woonruimte huurde in dat jaar, heb je mogelijk recht op huurtoeslag. Vroeg je de huurtoeslag voor 2025 nog niet aan, dan heb je nog tot en met 31 december 2026 de tijd om dat alsnog te doen.

Tip! Meer informatie over de huurtoeslag vind je op de website van de Belastingdienst bij het onderdeel Huurtoeslag.

Zorgtoeslag

Als je inkomen over 2025 en je vermogen op 1 januari 2025 niet te hoog was, heb je over 2025 recht op zorgtoeslag. Ook de zorgtoeslag 2025 kun je nog tot en met 31 december 2026 aanvragen.

Let op! Er gelden nog meer voorwaarden. Meer informatie vind je op de website van de Belastingdienst bij het onderdeel Zorgtoeslag.

Kindgebonden budget

Met het kindgebonden budget kun je een bijdrage krijgen in de kosten voor je kinderen tot 18 jaar. Ook voor het kindgebonden budget 2025 mag je inkomen en vermogen niet te hoog zijn. Kom je in aanmerking, vraag dan het kindgebonden budget 2025, uiterlijk 31 december 2026 aan.

Let op! Kijk voor alle voorwaarden en meer informatie op de website van de Belastingdienst, onderdeel Kindgebonden budget.

Proefberekening

Op de website van de Belastingdienst kun je een proefberekening maken van de toeslagen waarop je voor het jaar 2025 recht hebt. Die berekening kan je overigens ook maken voor eerdere jaren en voor het jaar 2026.

Kortere termijn kinderopvangtoeslag

Voor kinderopvangtoeslag gelden andere termijnen. De kinderopvangtoeslag kun je met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht aanvragen. Je kunt dus nu geen kinderopvangtoeslag 2025 meer aanvragen.

Andere termijn voor ondernemers met uitstel

Vroeg je als ondernemer uitstel aan voor het indienen van je aangifte inkomstenbelasting 2025? Dan geldt voor jou een andere termijn voor het aanvragen van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget. Je kunt deze toeslagen voor het jaar 2025 nog aanvragen tot de datum waarop je uitstel voor het indienen van je aangifte afloopt.

Startersvrijstelling

Bij de koop van een woning is de koper in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het normale tarief bij verkrijging van een woning bedraagt op dit moment 8%. Wordt de woning door de koper na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan geldt een tarief van 2%. Er bestaat dan ook een eenmalige startersvrijstelling voor kopers die minstens 18 jaar oud zijn en jonger zijn dan 35 jaar, als de woning een maximale waarde heeft van €555.000 (cijfer 2026).

Sloop gevolgd door nieuwbouw

In een rechtszaak bij gerechtshof Amsterdam had een echtpaar een woning gekocht, deze vervolgens helemaal laten slopen (inclusief de fundering) en op dezelfde plaats een nieuwe woning laten bouwen. Het echtpaar had geen overdrachtsbelasting afgedragen, ervan uitgaande dat er recht bestond op de startersvrijstelling. De Belastingdienst was het hiermee niet eens en had een naheffingsaanslag opgelegd naar het normale tarief.

Nieuwe woning in aanbouw

Bij het tot stand komen van het lage tarief en de vrijstelling overdrachtsbelasting is bepaald dat deze ook gelden voor de verkrijging van een nieuwe woning in aanbouw. Van dit laatste is sprake vanaf het moment dat de fundering van een woning is aangebracht.

Woning opgehouden te bestaan

Het gerechtshof kwam in het geval van het echtpaar tot de conclusie dat er geen recht bestond op de startersvrijstelling, omdat de verkochte woning volledig gesloopt was, inclusief fundering. De oude woning was volledig opgehouden te bestaan en kon dus niet meer worden bewoond. Daarom werd niet voldaan aan de eis dat de verkregen woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt zou gaan worden.

Had de fundering verschil gemaakt?

Als de fundering niet was gesloopt, had dit in deze casus verschil gemaakt. De Belastingdienst had namelijk bij de rechtbank verklaard dat wel aan het hoofdverblijfcriterium was voldaan als de fundering was gebleven en gebruikt was voor de nieuwe woning.

Het echtpaar vond hun situatie vergelijkbaar met situaties waarin de fundering wel behouden was, maar het gerechtshof ging daar niet in mee. De Hoge Raad heeft eerder namelijk beslist dat er voor de overdrachtsbelasting geen sprake is van discriminatie als bouwgrond mét fundering wel als een woning wordt aangemerkt en bouwgrond zonder fundering niet. Het echtpaar deed dan ook tevergeefs een beroep op het gelijkheidsbeginsel om alsnog de startersvrijstelling te kunnen claimen.

Let op! Het is niet helemaal duidelijk of het funderingscriterium ook betrekking heeft op sloopwoningen. Het gerechtshof geeft in de uitspraak aan dat uit de wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid dat dit criterium alleen geldt voor woningen in aanbouw. In dat geval is de verklaring van de Belastingdienst bij de rechtbank begunstigend beleid geweest, waarvan het niet helemaal duidelijk is of dit door de Belastingdienst breed gedragen wordt. Overleg over uw eigen situatie daarom altijd met onze adviseurs.

 

Right of access to tax records 

It is laid down in law that taxpayers have the right to inspect their own tax files held by the Tax and Customs Administration. In the letter, the State Secretary sets out how the implementation of this right of access to tax files will take shape in the coming years, what the intended timetable is and what exceptions will be made to the right of access.  

Fragmented 

At present, the Tax and Customs Administration does not yet have a centralised file system: the information in the tax file remains highly fragmented across dozens of unlinked systems. To facilitate the right of access to tax files, the Tax and Customs Administration will therefore need to implement a change in its working methods. The aim is to achieve a structured, externally oriented and accessible filing system, according to the State Secretary. The documents in the tax file will be made available digitally in stages over the coming years. 

‘Keuze digitaal’ programme 

Under the ‘Keuze digitaal’ programme currently being implemented within the Tax and Customs Administration, decisions, invitations, reminders and submitted documents will gradually become available on MijnBelastingdienst (Business) by 2030. This will later be expanded to include standard letters and automated messages, followed by information from individual files, for example regarding the processing of a tax return. 

 Timeline 

The letter also sets out a provisional timetable, which includes the planned introduction of the right of access to tax records:  

Exception for excise duties and consumption taxes 

For Customs, the right of tax inspection would only apply to excise duties and consumption taxes. However, the State Secretary is excluding these levies from the right of tax inspection. The State Secretary points out that this does not mean that Customs is not committed to further improving the information position and legal protection of taxpayers.

Fiscaal inzagerecht

Wettelijk is vastgelegd dat belastingplichtigen recht hebben op inzage in hun eigen fiscale dossier bij de Belastingdienst. In de brief geeft de staatssecretaris aan hoe de implementatie van dit fiscaal inzagerecht de komende jaren gestalte gaat krijgen, wat het beoogde tijdpad is en welke uitzonderingen er op het inzagerecht gemaakt gaan worden.

Versnipperd

Op dit moment is bij de Belastingdienst nog geen centrale dossiervorming: de informatie van het fiscale dossier is nog vergaand versnipperd in tientallen niet aan elkaar gekoppelde systemen. Voor het fiscale inzagerecht zal de Belastingdienst daarom een verandering in de manier van werken door moeten voeren. Het doel is het bereiken van een gestructureerde, extern gerichte en ontsluitbare dossiervorming, aldus de staatssecretaris. De stukken van het fiscaal dossier zullen de komende jaren stapsgewijs digitaal beschikbaar gesteld worden.

Programma ‘Keuze digitaal’

Met het op dit moment binnen de Belastingdienst uitgevoerde programma ‘Keuze digitaal’ zullen beschikkingen, uitnodigingen, herinneringen en ingediende stukken tot 2030 stapsgewijs beschikbaar komen in MijnBelastingdienst (Zakelijk). Dit wordt later uitgebreid met standaardbrieven en automatische berichten, gevolgd door informatie uit individuele dossiers bijvoorbeeld over de behandeling van een aangifte.

Tijdpad

In de brief staat ook een voorlopig tijdpad, waarin de voorgenomen invoering van het fiscale inzagerecht is opgenomen:

Uitzondering accijnzen en verbruiksbelastingen

Voor de Douane zou het fiscale inzagerecht alleen van toepassing zijn op accijnzen en verbruiksbelastingen. De staatssecretaris zondigt deze heffingen echter uit van het fiscale inzagerecht. Dit laatste betekent niet dat de Douane zich niet inzet op het verder verbeteren van de informatiepositie en rechtsbescherming van belastingplichtigen, zo geeft de bewindsman aan.

Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram