Is uw woning als ondernemingsvermogen geëtiketteerd, dan moet u jaarlijks een bedrag voor privégebruik bijtellen bij uw winst. De hoogte van dit bedrag betreft een percentage van de WOZ-waarde.
De percentages zijn in 2026 lager dan in 2025. Alleen de percentages voor een WOZ-waarde tot en met € 12.500 en voor een WOZ-waarde hoger dan € 1.350.000 zijn gelijk gebleven.
De villabelasting is de belastingheffing over de WOZ-waarde boven een bepaald bedrag. Over die waarde bedraagt het percentage van de bijtelling 2,35%. In 2025 startte dit hogere percentage bij een WOZ-waarde boven de € 1.330.000. In 2026 geldt een hoger startpunt en bedraagt de bijtelling 2,35% voor de waarde boven de € 1.350.000.
Let op! Over de vraag of de villabelasting mogelijk in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of Europees recht oordeelde Gerechtshof Amsterdam op 21 oktober 2025 dat dit niet het geval is. De Hoge Raad moet nog over deze vraag oordelen.
Als gevolg van de hiervoor beschreven wijzigingen ziet de tabel voor de bijtelling privégebruik woning er in 2026 als volgt uit. Voor het vergelijk is tussen haakjes het percentage voor 2025 vermeld.
| WOZ-waarde van het woongedeelte | Percentage 2026 |
| €0 tot en met € 12.500 | 0,65% |
| € 12.501 tot en met € 25.000 | 0,80% (in 2025 nog 0,85%) |
| € 25.001 tot en met € 50.000 | 0,90% (in 2025 nog 0,95%) |
| € 50.001 tot en met € 75.000 | 1,00% (in 2025 nog 1,05%) |
| € 75.001 tot en met € 1.350.000 (in 2025: € 1.330.000) | 1,10% (in 2025 nog 1,20%) |
| Meer dan € 1.350.000 (in 2025: € 1.330.000) | € 14.850 (in 2025: € 15.960) plus 2,35% voor de waarde boven € 1.350.000 (in 2025: € 1.330.000) |
Iedereen met een partner heeft onder de Wtp recht op een partnerpensioen. Dit geldt dus niet alleen voor gehuwden en geregistreerde partners, maar ook voor samenwonende partners. Deze laatste groep hoeft daartoe geen samenlevingscontract te hebben, maar kan na overlijden nog met een samenlevingsverklaring aantonen partner te zijn.
In de praktijk betekent dit dat voor iedereen op basis van een ‘huwelijks-/samenlevingsfrequentie’ een partnerpensioen wordt verzekerd. Dat is makkelijker dan steeds bijhouden wie wel, geen of niet meer een partner heeft. Vanaf 18 jaar komt een werknemer dus ook in aanmerking voor partnerpensioen.
Let op! Er geldt geen plicht om een partnerpensioen toe te zeggen.
Het partnerpensioen mag maximaal 50% van het salaris zijn. In de praktijk blijkt dat 25 tot 35% gebruikelijk is. Als een (oudere) werknemer nog recht heeft op een opgebouwd partnerpensioen – al dan niet premievrij vanuit een vorige werkgever –, dan komt dat boven op het nieuwe partnerpensioen. Ook al wordt gebruikgemaakt van het overgangsregime na 2028 voor zittende werknemers met een (stijgende) beschikbare premiestaffel, het partnerpensioen moet voor iedereen voldoen aan de Wtp. Er moet voor worden gezorgd dat het nieuwe partnerpensioen vergelijkbaar is met het oude. Indien nodig kan een werknemer dan kiezen voor een persoonlijke aanvulling.
Alle partnerpensioenen worden op risicobasis verzekerd. Bij uitdiensttreding – en dus ook voor diegenen die zzp’er worden – vervalt de verzekering. Wel wordt de verzekering automatisch voortgezet voor personen die ‘in between jobs’ (WW-periode) zitten en kan het nadien vaak vrijwillig voortgezet worden. Het partnerpensioen wordt dan gefinancierd uit de spaarpot voor het ouderdomspensioen. Op de pensioeningangsdatum moet opnieuw worden gekozen of, en zo ja hoeveel, partnerpensioen er wordt ‘aangekocht’.
Tot slot moet het wezenpensioen in de Wtp, als dat wordt toegezegd, tot de leeftijd van 25 jaar duren. Een andere leeftijd is niet meer toegestaan. Nu is het nog tot 18 of maximaal 30 jaar. Het wezenpensioen bedraagt dan maximaal 10% van het salaris voor een halve wees en 20% voor een volledige wees. Ook dit wordt weer op risicobasis verzekerd.
Let op! Het nieuwe partnerpensioen is niet moeilijk, maar moet wel én goed geregeld, én goed gecommuniceerd worden..
In 2026 geldt bij de overdracht van een woning die een koper zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, onder voorwaarden, een overdrachtsbelastingtarief van 2%. Dit is niet anders dan in 2025 toen hiervoor ook al het 2%-tarief gold.
Wat wel gewijzigd is, is het tarief voor overige woningen. Verkrijgt u een woning die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, dan gold daar in 2025 nog een overdrachtsbelastingtarief van 10,4%. Vanaf 2026 is dit tarief 8%.
Bij overige woningen moet u denken aan een vakantiewoning, een woning die u koopt voor een studerend kind of een woning die u verhuurt.
Voor de verkrijging van overig onroerend goed blijft het overdrachtsbelastingtarief, net als in 2025, 10,4%.
Starters tot 35 jaar oud kunnen bij de aankoop van een woning die zij als hoofdverblijf gaan gebruiken, onder voorwaarden, een vrijstelling toepassen. Ze betalen dan geen overdrachtsbelasting. Een van de voorwaarden is dat de marktwaarde van de woning niet hoger is dan een bepaald bedrag.
In 2026 geldt de startersvrijstelling tot een marktwaarde van € 555.000 (2025: € 525.000). Is de marktwaarde hoger, dan geldt de startersvrijstelling niet, dus ook niet tot het bedrag van € 555.000.
Tip! Het grensbedrag voor de startersvrijstelling in 2027 is ook al bekend. In 2027 geldt de startersvrijstelling tot een bedrag van € 615.000. Voor de toepassing van de vrijstelling is de datum van de levering van de woning bij de notaris bepalend.
Geen wijziging met ingang van 1 januari 2026, maar waar werkgevers nu al in hun bedrijfsvoering rekening mee moeten houden, is de 12% pseudo-eindheffing in de loonbelasting vanaf 2027. Vanaf dat moment is een werkgever 12% pseudo-eindheffing verschuldigd over de cataloguswaarde van een personenauto met CO2-uitstoot die hij aan een werknemer ter beschikking stelt. De heffing geldt niet voor auto’s die niet privé gebruikt worden, waarbij woon-werkverkeerkilometers als privé worden aangemerkt. Verder geldt de heffing ook niet voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot of voor auto’s die geen personenauto zijn (bijvoorbeeld een bestelauto).
Let op! Voor personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt de heffing pas vanaf 18 september 2030.
Voor het privégebruik van nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt in 2026 een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Wordt in 2027 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking gesteld, dan bedraagt de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 (cataloguswaarde) en 22% daarboven. Deze bijtelling geldt voor de eerste 60 maanden na de maand waarin de auto voor het eerst is toegelaten op de weg. Voor auto’s op waterstof of zonne-energie gelden de bijtellingspercentages van 18% en 20% overigens over de gehele cataloguswaarde.
Let op! De bijtelling voor auto’s met CO2-uitstoot bedraagt in 2026 22%. Betreft het een auto van vóór 2017, dan bedraagt de bijtelling 25% over de cataloguswaarde. Dit is alleen anders als het een auto zonder CO2-uitstoot is of een auto die onder de youngtimerregeling valt. In dat geval bedraagt de bijtelling voor de auto zonder CO2-uitstoot 21% van de cataloguswaarde tot € 30.000 en 25% daarboven. Voor de youngtimer geldt 35% van de waarde in het economisch verkeer.
De bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, bedraagt in 2026 35% van de waarde in het economisch verkeer. Dit wordt ook wel de youngtimerregeling genoemd. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.
Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.
Tip! Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder is geworden, geldt overgangsrecht. Voor deze auto mag heel 2026 uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.
Let op! Met ingang van 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.
Per 1 januari en 1 juli wordt het wettelijk bruto minimumuurloon altijd geïndexeerd. Per 1 januari 2026 is dit voor werknemers van 21 jaar of ouder verhoogd naar € 14,71 (per 1 juli 2025 bedroeg dit nog € 14,40). Voor werknemers tussen de 15 en 20 jaar gelden minimumuurlonen die hiervan zijn afgeleid. Er is een voornemen om deze percentages per 1 januari 2027 te verhogen van 80 naar 87,5% voor een 20-jarige, voor een 19-jarige van 60 naar 75%, voor een 18-jarige van 50 naar 62,5%, voor een 17-jarige van 39,5 naar 50% en voor een 16-jarige van 34,5 naar 40%.
De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid zoals die gold in 2025 wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Deze gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.
De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid, heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd konden worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.
Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en dus ook verzuimboetes opleggen.
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan het normbedrag in 2025 en bedraagt € 58.000 per jaar. Welk gebruikelijk loon u in 2026 moet toepassen is niet alleen afhankelijk van dit normbedrag, maar ook van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking en van het loon van de meest verdienende werknemer van uw bv of daarmee verbonden bv’s.
De vrije ruimte in de WKR bedraagt in 2026, net als in 2025, 2% van de loonsom tot € 400.000 en 1,18% daarboven. Vanaf 1 januari 2027 gaat de vrije ruimte omhoog naar 2,16% van de loonsom tot € 400.00 en 1,18% daarboven.
De onbelaste vergoeding voor thuiswerken bedraagt in 2026 € 2,45 per dag (2025: € 2,40). Ook het normbedrag voor de waarde van maaltijden in kantines of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie stijgt in 2026 naar € 4,05 per maaltijd (2025: € 3,95). Het normbedrag voor huisvesting in inwoning stijgt van € 6,80 per dag in 2025 naar € 7,00 per dag in 2026.
De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding bedraagt in 2026 € 2.200 per jaar en € 220 per maand (in 2025 € 2.100 per jaar en € 210 per maand). De onbelaste vrijwilligersvergoeding moet binnen de maximale bedragen blijven en de vrijwilliger moet de werkzaamheden niet bij wijze van beroep verrichten voor aangewezen, niet-commerciële organisaties. De Belastingdienst gaat ervan uit dat de werkzaamheden niet bij wijze van beroep worden verricht als de maximumuurvergoeding in 2026 € 5,75 bedraagt (in 2025 was dit nog € 5,60). Voor vrijwilligers jonger dan 21 jaar bedraagt deze maximumuurvergoeding € 3,40 (in 2025 € 3,30).
Het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak is met ingang van 2026 gewijzigd. Zo heeft u voor dit LKV geen doelgroepverklaring meer nodig, maar moet u in het doelgroepregister bij het UWV nakijken of de werknemer daarin is opgenomen. Verder vervalt het maximum van drie jaar. U heeft vanaf 2026 daarom recht op dit LKV zolang de werknemer bij u in dienst is én in het doelgroepregister is opgenomen. Voor scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk bestaat vanaf 2026 geen recht meer op het LKV, tenzij u gebruik kunt maken van het overgangsrecht voor dienstbetrekkingen die vóór 2026 aanvingen.
Let op! Een ander LKV, het LKV oudere werknemers, is per 1 januari 2026 afgeschaft voor dienstbetrekkingen die begonnen op of ná 1 januari 2024. Voor dienstbetrekkingen van vóór die tijd, blijft ook in 2026 nog recht bestaan op het LKV oudere werknemers tot het einde van de looptijd van maximaal drie jaar.
Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn verplicht om te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, afgekort WPM. Het voornemen bestaat om bedrijven tot 250 werknemers vanaf 2027 uit te zonderen van deze verplichting. Hiervoor is wetgeving in voorbereiding. De staatssecretaris treedt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg over de handhaving tot 1 januari 2027. Hij wil graag dat gemeenten en omgevingsdiensten tot 1 januari 2027 terughoudend omgaan met hun handhavingsbevoegdheden bij bedrijven tot 250 werknemers.
Na de overstap informeert de Belastingdienst alle klanten via de site en via de berichten die belastingplichtigen ontvangen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bericht dat u een aanslag moet betalen of een toeslag deels terug moet betalen.
Let op! Tot 1 mei 2026 verandert er niets voor belastingplichtigen.
Vanaf half januari 2026 start de Belastingdienst met het verstrekken van nadere informatie over de wisseling van bank. Zorg dat u tijdig op de verandering inspeelt, om vertraging van uw betalingen en boetes te voorkomen. U vindt hier meer informatie.
De box 3-heffing is in 2026 nog gebaseerd op inkomen uit uw vermogen gebaseerd op forfaitaire rendementspercentages. Deze (voorlopige) percentages zijn eind 2025 bekendgemaakt:
| Categorie | Forfaitair rendementspercentage |
| Bank- en spaartegoeden | 1,28% (voorlopig) |
| Schulden | 2,70% (voorlopig) |
| Overige bezittingen | 6,00% (definitief) |
Let op! De percentages voor bank- en spaartegoeden en voor schulden worden pas begin 2027 definitief vastgesteld. De Belastingdienst houdt in 2026 bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2026 rekening met de hierboven genoemde voorlopige percentages.
De categorie overige bezittingen omvat alles wat geen bank- of spaartegoed of een schuld is. Daarbij moet u denken aan beleggingen, aandelen, obligaties en vorderingen. Het percentage voor overige bezittingen is wel al definitief en bedraagt 6%.
Als uw werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement, kunt u ook in 2026 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement.
Let op! Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als u deze nog niet te gelde heeft gemaakt.
Het heffingsvrije vermogen is in 2026 hoger dan in 2025. Bedroeg dit in 2025 nog € 57.684, in 2026 komt het heffingsvrije vermogen uit op € 59.357. Dit heffingsvrije vermogen geldt per belastingplichtige. Heeft u een fiscale partner, dan bedraagt het heffingsvrije vermogen gezamenlijk het dubbele (€ 118.714 in 2026).
Ook andere bedragen in box 3 zijn met ingang van 2026 gewijzigd. Zo is de vrijstelling contant geld verhoogd van € 661 in 2025 naar € 672 in 2026. Dit bedrag geldt per belastingplichtige. Met een fiscale partner bedraagt in 2026 de vrijstelling gezamenlijk het dubbele, namelijk € 1.344.
Heeft u schulden, dan mag u in box 3 alleen rekening houden met deze schulden voor zover ze hoger zijn dan de zogenaamde schuldendrempel. Deze schuldendrempel bedraagt in 2026 net als in 2025 € 3.800 per belastingplichtige en € 7.600 voor fiscale partners gezamenlijk.
Heeft u groene beleggingen? De vrijstelling bedraagt in 2026 € 26.715 (2025: € 26.312). Heeft u een fiscale partner dan bedraagt de vrijstelling € 53.430 voor u gezamenlijk (2025: € 52.624). Houd er rekening mee dat de vrijstelling in 2027 nog maar € 200 (€ 400 voor fiscale partners gezamenlijk) bedraagt en per 2028 wordt afgeschaft.
Tip! U heeft in 2026 en 2027 ook recht op een heffingskorting van 0,1% voor uw groene beleggingen. Deze heffingskorting wordt in 2028 ook afgeschaft.
Het tarief in box 3 is in 2026 net als in 2025 36%.
Of u kwijtschelding krijgt als erfgenaam voor de belastingschulden van de overledene, hangt af van uw (financiële) situatie. Is er voldoende financiële draagkracht, dan krijgt u geen kwijtschelding.
Let op! U kunt alleen kwijtschelding krijgen als u daarom verzoekt. Dit doet u met een door de Belastingdienst beschikbaar gesteld formulier.
U bent partner van de overledene als u met hem/haar getrouwd was of een geregistreerd partnerschap had. In zo’n geval kijkt de Belastingdienst bij het beoordelen van de kwijtschelding ook naar uw eigen financiële omstandigheden.
Bent u echter alleen erfgenaam en geen partner van de overledene? Dan kijkt de Belastingdienst niet naar uw eigen financiële omstandigheden. De Belastingdienst kijkt dan vooral of de belastingschuld (deels) uit de erfenis betaald kan worden.
Als u van tevoren weet dat de nalatenschap meer schulden dan bezittingen bevat, kunt u deze misschien beter niet aanvaarden, maar verwerpen. Een andere mogelijkheid is beneficiair aanvaarden. In zo’n geval aanvaardt u de erfenis, onder voorwaarde dat u niet privé aansprakelijk bent voor de schulden uit de erfenis.
Tip! De Belastingdienst heeft online informatie over wat u kunt doen bij een belastingschuld van een overledene. Neem voor advies over uw eigen situatie contact op met onze adviseurs.
Veelal wordt geschonken aan kinderen. Hiervoor gelden dan ook de meeste vrijstellingen, die ook voor 2026 zijn geïndexeerd. U mag aan ieder kind in 2026 € 6.908 belastingvrij schenken (2025: € 6.713).
Er geldt ook een tweetal eenmalig verhoogde vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan hun kinderen. Zo mogen ouders in 2026 aan ieder kind in de leeftijd tussen de 18 en 40 jaar – uiterlijk op de 40e verjaardag – eenmalig een bedrag van € 33.129 (2025: € 32.195) schenken.
Let op! Als u dit eenmalig verhogde bedrag in 2026 schenkt, mag u uw kind niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij schenken.
Volgt uw kind een dure studie? Dan mag u eenmalig een bedrag van € 69.009 (2025: € 67.064) aan uw kind tussen 18 en 40 jaar schenken ter financiering hiervan. Aan deze schenking is een aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de studie minstens € 20.000 per jaar kosten, exclusief de kosten van het levensonderhoud. U moet de schenking notarieel vastleggen. Ook moet u aannemelijk kunnen maken dat de schenking daadwerkelijk voor de studie gebruikt is.
Let op! Ook hier geldt dat als u dit bedrag schenkt, u uw kind in dat jaar niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij mag schenken.
Let op! U mag de verhoogde vrijstellingen alleen gebruiken als er in het verleden niet eerder gebruikgemaakt is van een verhoogde vrijstelling. Dit geldt ook voor de verhoogde vrijstelling die enige jaren gold ten behoeve van een eigen woning.
Schenkt u een bedrag aan een ander dan uw kind, bijvoorbeeld aan uw kleinkind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 2.769 (2025: € 2.690).
Let op! Alle genoemde vrijstellingen gelden per kalenderjaar.
Schenkt u meer dan de genoemde bedragen, dan betalen uw kinderen in 2026 10% belasting over een bedrag tot € 158.669 (2025: € 154.197). Over het meerdere betalen ze 20% belasting. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18% belasting over een bedrag tot € 158.669 en 36% over het meerdere. Voor alle anderen bedraagt het tarief 30% tot € 158.669 en 40% over het meerdere.
Naast de bedragen van de vrijstellingen in de schenkbelasting, zijn ook de vrijgestelde bedragen in de erfbelasting verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Dit levert de onderstaande vrijstellingen op:
| 2025 | 2026 | |
| Vrijstelling partner | € 804.698 | € 828.035 |
| Vrijstelling invalide kind | € 76.453 | € 78.671 |
| Vrijstelling (klein)kinderen | € 25.490 | € 26.230 |
| Vrijstelling ouder | € 60.359 | € 62.110 |
Let op! Het tarief in de erfbelasting is gelijk aan het tarief in de schenkbelasting.
Met betrekking tot bovenstaande vrijstellingen is van belang dat kinderen die geen juridische band hebben met hun biologische ouder gelijkgesteld worden aan kinderen die deze band wel hebben. Over schenkingen en erfenissen van hun biologische, maar niet juridische ouder, gelden voortaan dus dezelfde vrijstellingen.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01