De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechter was daarna niet meer mogelijk.
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet was het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.
De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst stond dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast waren komen te staan.
Op 27 maart 2026 gaf de Hoge Raad antwoord op door rechtbank Den Haag gestelde vragen over deze situatie. De Hoge Raad antwoordde dat de belastingplichtige in zo’n situatie samen met zijn fiscale partner nog wel kan kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen.
De belastingplichtige en zijn fiscale partner hebben daar, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet onbeperkt de tijd voor. Dit moet namelijk binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de aanslag verminderde als gevolg van het toegepast rechtsherstel.
Voorbeeld
De Belastingdienst deed op 4 februari 2022 de collectieve uitspraak op bezwaar. De aangifte inkomstenbelasting 2019 werd door de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 bij beschikking verminderd als gevolg van het toegepaste rechtsherstel. U kon daarna nog binnen zes weken na 20 juli 2022 samen met uw fiscale partner verzoeken om aan andere verdeling van het box 3-inkomen.
De meeste maatregelen waren in het coalitieakkoord al opgenomen of al eerder bekendgemaakt door het vorige kabinet. Houd er rekening mee dat niet alle door het kabinet voorgenomen fiscale maatregelen rechtstreeks uit de Voorjaarsnota kunnen worden afgeleid. Er zijn dus nog andere voorgenomen fiscale maatregelen dan in dit artikel zijn opgenomen.
Let op! De impact van de recente geopolitieke spanningen is nog niet meegenomen in de Voorjaarsnota.
Vrijheidsbijdrage
Werkgevers en burgers gaan vanaf 2027 een bijdrage voor de veiligheid betalen.
Op het gebied van bouwen en wonen is ook een aantal maatregelen af te leiden.
Voor ondernemers komt uit de Voorjaarsnota o.a. het volgende naar voren:
Voor particulieren zijn, naast de vrijheidsbijdrage, ook de volgende maatregelen opgenomen:
Het kabinet komt vanaf de Voorjaarsnota 2023 jaarlijks met een lijst met opmerkelijke belastingconstructies. De bij de Voorjaarsnota 2026 gepubliceerde lijst bevat zeven constructies die in 2025 ook al op de lijst stonden en twee nieuwe. De nieuwe constructies zijn:
Hiervoor is het eerst van belang om te bepalen of de crypto’s tot uw zakelijke vermogen of tot uw privévermogen horen.
Zo horen de crypto’s tot uw zakelijke vermogen als:
In alle andere gevallen zijn de crypto’s onderdeel van uw privévermogen. Het gaat dan bijvoorbeeld om crypto’s die u kocht met duurzaam overtollige liquide middelen, die niet direct nodig zijn voor uw bedrijfsuitoefening of binnen afzienbare tijd nodig zijn voor investeringen.
Crypto’s die tot uw zakelijke vermogen behoren, tellen mee voor uw winst uit onderneming in box 1. U geeft de crypto’s aan op uw balans tegen de kostprijs of lagere marktwaarde. Gaat de omwisseling van crypto’s gepaard met winst, dan verwerkt u dat in uw winst- en verliesrekening. Datzelfde geldt voor een verlies dat ontstaat bij omwisseling van crypto’s.
Let op! Betaalt uw afnemer in crypto’s, dan moet u dit omrekenen in euro’s. Dit omgerekende bedrag is dan uw omzet.
Privé-crypto’s geeft u aan in box 3. Hiervoor is in de aangifte IB 2025 een apart veld opgenomen onder ‘bankrekeningen en overige bezittingen’. De waarde van de crypto’s rekent u om in euro’s. Voor de IB 2025 moet u uitgaan van de waarde op 1 januari 2025 00.00 uur.
Let op!Het heffingsvrije vermogen in 2025 bedraagt € 57.684, of als u een fiscale partner heeft € 115.368 voor u en uw partner gezamenlijk. In verband met andere inkomensafhankelijke regelingen moet u in de IB 2025 echter ook al box 3 aangeven voor een totaal vermogen boven € 37.395.
Is uw totale werkelijke rendement lager dan het fictieve rendement, dan kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling in box 3. Ook voor uw crypto’s moet u dan het werkelijke rendement doorgeven. De berekening hiervan gaat aan de hand van de volgende gegevens:
Voorbeeld
Uw crypto’s hebben op 1 januari 2025 een waarde van € 50.000 en op 31 december 2025 een waarde van € 60.000. In 2025 kocht u voor een bedrag van € 7.000 crypto’s en verkocht u voor een bedrag van € 12.000 crypto’s.
Uw werkelijk rendement op de crypto’s is dan € 60.000 (waarde 31-12-2025) minus € 50.000 (waarde 1-1-2025) minus € 7.000 (aankopen) plus € 12.000 (verkopen) = € 15.000.
Minen en handel in crypto’s zullen over het algemeen belast zijn in box 3. Voor minen kan dat anders worden als uw opbrengsten hoger zijn dan de kosten. Voor handel kan dat anders worden als u meer activiteiten verricht voor de handel dan normaal is voor beleggingsactiviteiten.
Tip! Overleg met een van onze adviseurs of het minen en de handel in uw situatie nog tot box 3 behoort of moet worden aangemerkt als inkomsten uit overig werk of winst uit onderneming.
Op het ouderdomspensioen dat een echtgenoot tijdens het huwelijk opbouwt hebben beide echtgenoten voor een gelijk deel recht. Om die reden regelt de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding, Wvps, dat bij een echtscheiding dit tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen uiteindelijk aan beide echtgenoten voor een gelijk deel wordt uitgekeerd.
Let op!De Wvps maakt geldt zowel bij een huwelijk in gemeenschap van goederen als bij huwelijkse voorwaarden.
U kunt in uw huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant wel gezamenlijk regelen dat de Wvps niet van toepassing is. Dit betekent dat bij een echtscheiding het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van een echtgenoot uiteindelijk toch niet voor de helft aan de andere echtgenoot wordt uitgekeerd
Als een echtgenoot afziet van zijn recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van de andere echtgenoot, kan er sprake zijn van een schenking door deze andere echtgenoot aan de ander. Dit is het geval als de echtgenoot niet financieel wordt gecompenseerd.
Let op! Als de echtgenoot die afziet van zijn recht op de helft van het ouderdomspensioen van de ander wel voldoende wordt gecompenseerd, zal er geen sprake zijn van een schenking. Zo’n compensatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden als bij de verdeling van de gemeenschap van goederen meer wordt toebedeeld aan deze echtgenoot.
De Wvps is ook van toepassing op geregistreerde partnerschappen. Wat in deze tekst beschreven staat voor gehuwden geldt daarom ook voor geregistreerde partners.
Let op!Het voorgaande is gebaseerd op een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst. In vakliteratuur en de praktijk is de nodige kritiek op dit standpunt geuit. Neem voor uw eigen situatie daarom altijd contact op met één van onze adviseurs.
Bij het vaststellen van een billijke vergoeding wordt vaak gekeken naar de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd en het loon dat de werknemer dan nog ontvangen zou hebben gedurende die periode. Met andere woorden: wat is de loonwaarde die de werknemer als gevolg van het ernstig verwijtbare eindigen van het dienstverband heeft gemist. Moet er dan rekening worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering die de werknemer over deze periode ontvangt? Hierover bestond verdeeldheid in de literatuur.
De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering over die periode op het gederfde loon in mindering mag brengen. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon), maar ook met eventuele voordelen die daarmee voldoende samenhangen. Denk hierbij aan het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven.
Het is echter ook weer geen wet van Meden en Perzen dat de WW-uitkering altijd in mindering moet worden gebracht op de loonbetaling. De Hoge Raad overweegt dat in welke mate de vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, mede afhangt van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering. Denk aan de situatie dat iemand nog jaren te gaan heeft tot zijn pensioen. In dat geval kan de werknemer, afhankelijk van bijvoorbeeld het soort werk en de arbeidsmarkt er groot belang bij hebben om zijn potentiële aanspraak op de opgebouwde WW-rechten te behouden. Dan is het mogelijk niet redelijk en niet wenselijk deze als schadebeperkingsmaatregel op de te begroten billijke vergoeding in mindering te brengen.
Het zal een interessante puzzel worden. Nog afgezien van de vraag of er, als de plannen van het nieuwe kabinet doorgaan, nog wat overblijft van de WW om van de billijke vergoeding af te trekken
De Hoge Raad geeft aan dat op verzoek de afschriften van de betreffende gegevens moeten worden verstrekt en dat deze ook per gemeente kunnen verschillen, maar dat hierover geen uitleg hoeft te worden gegeven. Of de gegevens nuttig of noodzakelijk zijn voor de waardebepaling, is niet van belang. De bronnen van de betreffende gegevens hoeft een gemeente echter niet aan te geven.
De gemeente moet ook inzage geven tot informatie wat gaat over eventueel gebruikte berekeningen. Ook zaken die een belastingplichtige zelf kan vinden, bijvoorbeeld via internet, moeten ter beschikking worden gesteld. Het vermelden van een site op internet kan in beginsel voldoende zijn, tenzij de site niet meer beschikbaar is.
Is door een gemeente een taxatieverslag gebruikt, dan is dit alleen niet voldoende als er ook gegevens zijn gebruikt die hier niet in staan, maar wel bij de waardebepaling zijn gebruikt. De informatieverplichting geldt bovendien niet alleen voor het pand waarvoor de WOZ-waarde is bepaald, maar ook voor de vergelijkingsobjecten waar deze waarde mede op is gebaseerd.
Voor wat betreft de factoren waarop de waarde kan worden bepaald, noemt de Hoge Raad primaire en secundaire objectkenmerken. Bij primaire objectkenmerken gaat het onder meer om het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte. Bij de secundaire kenmerken gaat het met name om zaken als kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-kenmerken) van een woning. Hierop toegepaste correcties vanwege afwijkingen van het gemiddelde dienen ook als gegeven te worden verstrekt, maar de basis waarop deze correcties zijn gebaseerd weer niet, aldus de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor correcties gebaseerd op een al dan niet aanwezigheid van een reserve in een Vereniging van Eigenaren.
Gemeentes hoeven daarentegen geen informatie te verstrekken die gebaseerd is op kennis en ervaring, of van de bronnen ervan. Hiervan kunnen immers geen afschriften worden verstrekt, zo meent de Hoge Raad.
De bewijslast dat niet de benodigde gegevens door de gemeente zijn verstrekt, ligt bij de belastingplichtige. Dit is echter anders als deze niet over deze gegevens kan beschikken, omdat ze in bezit zijn van de gemeente en deze de gegevens niet heeft verstrekt. In dat geval dient de gemeente aan te tonen dat de gevraagde gegevens niet aan de waardebepaling van de woning hebben bijgedragen.
Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.
In de online regelhulp komt u aan de hand van een ingevulde vragenlijst automatisch terecht bij de vraagstukken die in de betreffende situatie geregeld dienen te worden. Allereerst moet u aangeven welke rechtsvorm van toepassing is. De regelhulp is met name bestemd voor eenmanszaken, bv’s, vof’s en maatschappen. Vervolgens wordt gevraagd of een testament beschikbaar is.
Vervolgens kunt u aangeven of er personeel in dienst is en of het bedrijf over schulden beschikt. Dit zorgt namelijk voor extra te regelen zaken. Ook dient te worden aangegeven hoe het bedrijf gehuisvest is en of, en door wie, het wordt voortgezet.
De regelhulp speelt tevens in op twee specifieke branches, de agrarische en medische branche, en de hiermee samenhangende problemen.
Na invulling van de regelhulp verschijnt een overzicht van de te regelen zaken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in zaken die zo snel mogelijk geregeld moeten worden, dan wel binnen enkele maanden en zaken waarvan het regelen nog wel even kan wachten.
De opsomming van de te regelen zaken is ook voorzien van de nodige tips en adviezen. Ook wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen voor het personeel en welke instanties hierbij behulpzaam kunnen zijn.
Tip! In een situatie als deze helpen wij u uiteraard graag met het regelen van zaken en geven u daar deskundig advies bij.
Geldfit helpt met name bij het vinden van lokale hulp. De samenwerking met de Dienst Toeslagen sluit ook aan op een eerder initiatief ‘Aanpak Geldzorgen 2025-2027’. Via dit initiatief, vooral gericht op preventie, wordt geprobeerd om mensen met geldzorgen eerder in beeld te krijgen en te helpen of door te verwijzen. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke en andere overheidsorganisaties.
Een ander initiatief voor mensen met schulden is het Experiment Vroegsignalering. Via dit experiment richten de Dienst Toeslagen, de Belastingdienst en tien gemeenten zich op personen met betaalachterstanden. Hierbij worden personen benaderd die ook na een aanmaning hun belastingschuld nog niet hebben betaald, of een te veel ontvangen bedrag aan toeslag(en) niet hebben terugbetaald.
De Dienst Toeslagen probeert geldproblemen ook tegen te gaan. Personen die hulp nodig hebben kunnen via een maatschappelijk dienstverlener of intermediair van een persoonlijk begeleider gebruikmaken.
Er is online ook een tool beschikbaar waarmee kan worden nagegaan of er recht bestaat op één of meer financiële tegemoetkomingen. Via vragenlijsten wordt nagegaan of er landelijke of gemeentelijke regelingen zijn waarop personen met onvoldoende inkomen een beroep kunnen doen. De Voorzieningenwijzer geeft na invulling van enkele vragen over het inkomen en vermogen aan of er bijvoorbeeld recht bestaat op kwijtschelding van lokale belastingen of op bijzondere bijstand.
Ook de Belastingdienst heeft aandacht voor ondernemers met geldzorgen en biedt via een speciale site intermediairs extra informatie en de mogelijkheid hierover vragen te stellen.
Uw verpachte gronden in box 3 moet u in uw aangifte IB aangeven tegen de waarde in het economische verkeer. Om de berekening hiervan te vereenvoudigen heeft de Belastingdienst uitgangspunten en normen voor het jaar 2025 gepubliceerd. Met behulp hiervan kunt u de waarde berekenen.
Let op!U bent niet verplicht om gebruik te maken van deze uitgangspunten en normen. U kunt de waarde ook vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. U moet dit dan wel onderbouwen.
De uitganspunten en normen kunnen alleen gebruikt worden voor verpachte gronden die in gebruik zijn als gras- of akkerland. Voor alle andere gebruikstoepassingen moet u de waarde vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor tuinland, glastuinbouw en bollenland.
Let op! Kijk in de brochure van de Belastingdienst voor meer soorten grond waarvoor u de uitgangspunten en normen niet kunt toepassen. Hier vindt u ook de andere voorwaarden en de wijze waarop u de waarde moet berekenen.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01