Let op! Het coalitieakkoord omvat de plannen van het minderheidskabinet. Deze plannen zijn nog niet in detail uitgewerkt. Daarnaast moet het minderheidskabinet nog onderhandelen met andere partijen in de Tweede en Eerste Kamer om hiervoor een meerderheid te krijgen. Houd er daarom rekening mee dat bepaalde zaken niet doorgaan of alleen in gewijzigde vorm.
De coalitie wil bouwen aan een slanke en slagvaardige overheid, onder meer door een periodieke Vereenvoudigingswet, waarbij gestart wordt met het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels. Andere voornemens zijn onder meer een efficiencytaakstelling, met als doel de apparaatsuitgaven structureel te verminderen.
De coalitie erkent dat ondernemers cruciaal zijn voor het bereiken van meer economische groei, voor brede welvaart en voor de uitdagingen van de toekomst. De coalitie wil daarom de ondernemer faciliteren en rust, reinheid en regelmaat creëren door onder meer de volgende plannen:
Let op! Er is ook een aantal plannen die bij bepaalde ondernemers minder goed ontvangen zullen worden, onder meer de verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9% naar 21% vanaf 2028 en de invoering van een suikertaks op voorgepakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van minimaal 6%.
De coalitie wil zzp’ers meer ruimte en duidelijkheid geven om te ondernemen. De plannen hiervoor zijn onder meer:
De coalitie heeft ook plannen voor werkgevers, onder andere:
Bouwen en wonen staat hoog op de agenda van de coalitie. Een aantal voorgenomen maatregelen:
Ook voor de particulier bevat het coalitieakkoord plannen. Een greep hieruit:
Tip! Hiervoor heeft u een selectie van plannen uit het coalitieakkoord gelezen. Wilt u het hele coalitieakkoord lezen, dan treft u dat hier aan.
Als een arts medicijnen aan u voorschrijft, kunt u de kosten daarvan als zorgkosten in aanmerking nemen in uw aangifte inkomstenbelasting. Hierbij geldt de voorwaarde dat de kosten van die medicijnen niet al aan u vergoed worden.
Let op! De wettelijke eigen bijdrage voor ziektekosten kunt u nooit als zorgkosten in aanmerking nemen. Dat geldt ook voor het eigen risico van uw zorgverzekering.
Aan de Belastingdienst is gevraagd of het ook mogelijk is om medicijnen die niet in Nederland en ook niet in de EU geregistreerd zijn als zorgkosten in aanmerking te nemen. Volgens de Belastingdienst is dat onder voorwaarden mogelijk.
Daarbij moet eerst worden vastgesteld dat het gaat om wat in Nederland omschreven wordt als een medicijn. Dat is een middel dat wordt gebruikt om de fysiologische functies bij de mens te herstellen, verbeteren of wijzigen. Het middel mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan de behandeling of voorkoming van een ziekte.
Volgens de Belastingdienst is aftrek als zorgkosten vervolgens mogelijk als deze medicijnen zijn voorgeschreven door een in Nederland gevestigde arts.
Formeel kan een in Nederland gevestigde arts een niet geregistreerd medicijn niet voorschrijven. Maar als deze arts kan aangeven dat het medicijn kan leiden tot verbetering van de klinische conditie van de patiënt en bovendien aangeeft hoe het medicijn moet worden gebruikt, wordt dit aangemerkt als een voorschrift.
Verder is aftrek ook mogelijk als de medicijnen zijn voorgeschreven door een naar Nederlandse maatstaven kwalificerende arts in het buitenland. Uit de rechtspraak volgt dat uitleg over het gebruik van een medicijn door een arts hierbij gelijkgesteld kan worden met een voorschrift van een arts.
Uiteraard moet ook nog aan de overige algemene voorwaarden die gelden voor aftrek van zorgkosten voldaan worden. Houd er ook rekening mee dat voor de aftrek van specifieke zorgkosten een inkomensafhankelijk drempelbedrag geldt. Alleen als alle zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen in een jaar boven dit drempelbedrag uitkomen, leidt dit tot een aftrekbaar bedrag.
De casus uit de aan de Belastingdienst gestelde vraag was als volgt. Een ondernemer plaatst niet-geïntegreerde zonnepanelen op grote daken. De ondernemer blijft zelf eigenaar, maar verhuurt de installatie aan de gebruiker van het gebouw waarop de zonnepanelen zijn geplaatst.
Naast de niet-geïntegreerde zonnepanelen maken ook de volgende zaken onderdeel uit van de installatie: rasters waarop de zonnepanelen worden gelegd, kabels en kabelgoten, transformators, omvormers en een op maat gemaakte groepenkast. Als de zonnepanelen niet aan het dak worden bevestigd, gebruikt de ondernemer ook ballasttegels om de constructie te verzwaren.
In het Nederlandse civiele recht is de zonnepaneleninstallatie een onroerende zaak.
Desondanks antwoordt de Belastingdienst dat de verhuur van de zonnepaneleninstallatie geen verhuur van een onroerende zaak is. De Belastingdienst oordeelt dat voor de btw de zonnepanelen roerend zijn, omdat ze afzonderlijk kunnen worden gebruikt en in bouwkundig opzicht geen onderdeel worden van de onroerende zaak waarop ze geplaatst zijn.
Let op! Dit oordeel geldt niet voor geïntegreerde zonnepanelen. Geïntegreerde zonnepanelen vervullen ook een rol als dakbedekking en worden daarmee in bouwkundig opzicht onderdeel van de onroerende zaak. Geïntegreerde zonnepanelen zijn dus wel onroerend.
Nu de verhuur van de zonnepaneleninstallatie naar het oordeel van de Belastingdienst geen verhuur van een onroerende zaak is, zal deze verhuur altijd met btw belast zijn.
De ondernemer in de casus maakt voor de installatie van de zonnepanelen gebruik van de diensten van een derde. Deze treedt op als uitvoerder en hield supervisie en controle. De Belastingdienst oordeelt dat de btw-verleggingsregeling hier niet van toepassing is omdat de derde geen fysieke werkzaamheden verricht aan een onroerende zaak. De derde realiseert, in de visie van de Belastingdienst, immers een roerende zaak en geen onroerende zaak.
Gevolg van dit oordeel is dat de derde bij installatie van niet-geïntegreerde zonnepanelen altijd btw berekenen en deze niet mag verleggen naar de opdrachtgever/hoofdaannemer. Let wel dat in het geval van installatie van zonnepanelen op een woning, onder voorwaarden, een nultarief geldt.
Let op! Ook in dit geval was het oordeel van de Belastingdienst anders geweest als het geïntegreerde zonnepanelen zouden zijn in plaats van niet-geïntegreerde zonnepanelen. Bij geïntegreerde zonnepanelen is de btw-verleggingsregeling wel van toepassing.
Let op! Ondanks dat de zonnepaneleninstallatie in het Nederlandse civiele recht een onroerend zaak is, neemt de Belastingdienst voor de btw een ander standpunt daarover in. Voor de heffing van de btw geldt namelijk een ander rechtskader en wordt niet in alle gevallen de Nederlandse civiele kwalificatie gevolgd.
De Hoge Raad sprak onlangs zijn oordeel uit over twee belastingplichtigen die elk een bouwkavel kochten op een perceel waarop zich nog een woning bevond. Beiden wilde het tarief het lage tarief van 2% toepassen omdat zij vonden dat zij voor de overdrachtsbelasting een woning verkregen.
De Hoge Raad oordeelde dat aan de hand van het civiele recht bepaald moet worden of sprake is van de verkrijging van een woning. De Hoge Raad onderscheidt daarbij drie situaties:
Als u de bouwkavel koopt om daarop een woning te bouwen die u als hoofdverblijf gaat gebruiken, kan de overdracht van de bouwkavel bij de notaris tegen 2% overdrachtsbelasting (of 0% als u de startervrijstelling kunt toepassen) als de aanschaf kan worden aangemerkt als koop van een woning. Is dat niet het geval, dan bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4%!
In de ene casus die voorlag bij de Hoge Raad bevond zich op de kavel nog 55% van de oppervlakte van een woning. De andere 45% bevond zich op een kavel die bestemd was voor een ontsluitingsweg. De Hoge Raad oordeelde dat deze twee kavels gezamenlijk eigenaar geworden waren van de woning. De koper van de kavel met 55% van de woning had daarmee een onverdeeld aandeel in de woning verkregen. Onder de huidige wetgeving zou in dit geval dus het 2% tarief overdrachtsbelasting kunnen worden toegepast.
De andere casus liep minder voorspoedig af. In deze casus bevond zich op de kavel voor minder dan 1% nog een buitenmuur van een woning en voor een deel een terras. De Hoge Raad vond de buitenmuur een bestanddeel van een woning. Nu de hoofdzaak van de woning op andere kavels lag, hoorde dit bestanddeel toe aan anderen. De koper van de kavel verkreeg daarom geen woning. In dit geval zou daarom onder de huidige wetgeving 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn.
Let op! Welk tarief overdrachtsbelasting u verschuldigd bent, is zeker in dit soort gevallen, niet eenvoudig. Laat u daarover daarom goed adviseren.
Voordeel van het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling is dat u in box 1 en box 3 geen belasting betaalt over uw huuropbrengsten. Bovendien blijft uw recht op hypotheekrenteaftrek in stand. U moet wel in uw aangifte inkomstenbelasting rekening houden met het gehele eigenwoningforfait voor uw woning.
U kunt gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
Let op! Onder huuropbrengsten worden alle vergoedingen begrepen die de huurder aan u betaalt en die betrekking hebben op de verhuur.
Kunt u de kamerverhuurvrijstelling niet toepassen? Dan verhuist het verhuurde deel van uw woning naar box 3. Of u daarover dan box 3-heffing verschuldigd bent is afhankelijk van uw overige bezittingen en schulden in box 3.
Tip! Voor meerderjarige jongeren tot 35 jaar bestaat er, onder voorwaarden, een eenmalige vrijstelling als de woning niet meer kost dan € 555.000 (2026) én als hoofdverblijf dient.
In een zaak die voor rechtbank Noord-Holland werd behandeld, ging het om een woning die na aankoop binnen drie maanden weer werd doorverkocht. De vrouw die de woning had gekocht had verklaard dat het de bedoeling was geweest dat ze de woning na verkrijging zelf zou gaan bewonen. Bij de verkoop was 2% overdrachtsbelasting (OVB) in rekening gebracht, maar volgens de inspecteur was dit ten onrechte en dus volgde er een naheffing over het verschil ten opzichte van het hoge tarief.
De vrouw vocht de naheffing aan en stelde dat ze de woning weer had verkocht, omdat ze bij het eerste zelfstandige bezoek aan de woning was getroffen door een paniekaanval. De vrouw was behandeld voor PTSS-klachten en gaf aan dat iets in de woning, een ruimte of een geur, de aanval had veroorzaakt en ervoor had gezorgd dat ze de woning uit was gevlucht. Daarna had ze de woning alleen nog durven te betreden voor het halen van de post en had ze de woning zo snel mogelijk weer verkocht.
Voor de rechter gaf de vrouw aan dat er naar haar mening sprake was van een onvoorziene omstandigheid, waardoor het lage tarief OVB van 2% diende te worden toegepast. Dat ze eerder had aangegeven spijt te hebben gehad van haar aankoop, volgde uit het feit dat ze op basis van eerdere ervaringen niet had durven vertellen dat de paniekaanval de doorslag voor de verkoop had gegeven.
De rechtbank achtte het geloofwaardig dat het de intentie van de vrouw geweest was de woning zelf te gaan bewonen. Dit bleek onder meer uit het feit dat ze offertes had laten maken en een met een aannemer contact had gehad om de woning te laten opknappen en verbouwen. Ook was het aannemelijk dat de vrouw last had gehad van PTSS-klachten. Dat ze hiervoor in het verleden was behandeld, maakte nog niet dat de paniekaanval te voorzien was geweest, zoals de inspecteur aanvoerde.
De rechtbank wees er ook op dat tijdens het tot stand komen van de wet enkele voorbeelden waren genoemd van onvoorziene omstandigheden, zoals een echtscheiding en werkloosheid, maar dat dit geen uitputtende opsomming betrof. De paniekaanval kon dan ook als zodanig bestempeld worden, aangezien de vrouw wel degelijk van plan was geweest de woning zelf duurzaam te gaan bewonen. De naheffingsaanslag kwam dan ook te vervallen.
De extra kosten van een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet zijn voor bepaalde ziektebeelden en aandoeningen aftrekbaar voor vaste bedragen. Deze vaste bedragen zijn in 2026 gewijzigd als gevolg van actuele inzichten in diëten en het aanbod van dieetproducten. Voor bepaalde diëten betekent dit een hogere aftrek, voor anderen een lagere aftrek.
Zo stijgt de aftrek voor een energieverrijkt dieet in combinatie met een eiwitverrijkt dieet bij een groot aantal aandoeningen (onder meer groeiachterstand bij kinderen, aids, chronische pancreatis) van € 650 in 2025 naar € 1.050 in 2026. De aftrek voor een glutenvrij dieet bij coeliakie, ziekte van Dühring en glutenintolerantie daalt echter van € 1.200 in 2025 naar € 900 in 2026.
Let op! Er zijn nog veel meer diëten waarvoor aftrek mogelijk is. Kijk voor de aftrekbare bedragen van alle diëten in 2026 hier (Artikel I, B) en voor de aftrekbare bedragen 2025 hier.
De extra kosten die u, in vergelijking met mensen in vergelijkbare (financiële) omstandigheden, door ziekte of invaliditeit maakt voor (het wassen van) kleding en beddengoed, kunnen als zorgkosten aftrekbaar zijn. De extra kosten moeten dan wel een rechtstreeks gevolg zijn van uw ziekte of invaliditeit die minimaal een jaar duurt of waarschijnlijk minimaal een jaar gaat duren.
Hiervoor gelden vaste bedragen die in 2025 al daalden ten opzichte van 2024, maar in 2026 nog verder dalen. Zo bedroeg het vaste aftrekbare bedrag in 2024 nog € 350, werd dat in 2025 verlaagd naar € 340 en bedraagt dat in 2026 € 330.
Waren uw extra kosten voor kleding en beddengoed in 2024 hoger dan € 700, dan bedroeg de aftrek in dat jaar geen € 350 maar € 875. Ook deze vaste bedragen waren in 2025 lager en zijn vanaf 2026 nog lager. Wel wordt de hogere aftrek eerder bereikt. Waren in 2025 uw extra kosten voor kleding en beddengoed namelijk hoger dan € 680, dan bedroeg de aftrek geen € 340 maar € 850. Zijn in 2026 uw extra kosten voor kleding en beddengoed hoger dan € 660, dan bedraagt de aftrek geen € 330 maar € 825.
Voor de vennootschapsbelasting (Vpb) en een aantal minder voorkomende belastingsoorten wordt een ander – hoger – percentage belastingrente berekend dan voor de overige belastingen. Het gaat om de volgende percentages aan te betalen belastingrente:
| Periode | Vpb | Overige belastingen |
| 1-1-2022 t/m. 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Bij overige belastingen moet u denken aan bijvoorbeeld de inkomstenbelasting (IB), de loonbelasting (LB) en de omzetbelasting (OB).
De Hoge Raad heeft een oordeel uitgesproken over de hoogte van de belastingrente voor de Vpb.
De Hoge Raad concludeert – kort samengevat – dat de hogere belastingrente voor de Vpb in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen goede rechtvaardiging is om bij de Vpb een hogere rente te berekenen dan bij de overige belastingen. Het besluit dat de belastingrente voor de Vpb beschrijft, is daarom onverbindend en moet buiten toepassing blijven.
De Hoge Raad oordeelt dat de belastingrente voor de Vpb moet worden vastgesteld op hetzelfde percentage als voor de overige belastingen geldt. Voor het jaar 2026 betekent dit bijvoorbeeld dat de belastingrente voor de Vpb geen 7,5% maar 5% mag bedragen. Voor de percentages van de andere jaren vanaf 2022 wordt verwezen naar de tabel.
In het belang van de vele andere procedures met betrekking tot de belastingrente over overige belastingen, heeft de Hoge Raad daar ook een oordeel over uitgesproken. De Hoge Raad oordeelt – kort samengevat – dat de belastingrente over overige belastingen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen, waaronder het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De conclusie is dat de belastingrente over de overige belastingen niet aangepast hoeft te worden.
Heeft u bezwaar gemaakt tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan zal de Belastingdienst aan dit bezwaar tegemoetkomen. De belastingrente zal vervolgens berekend worden aan de hand van de percentages die gelden voor overige belastingen (zie de tabel).
Als u een definitieve aanslag Vpb heeft ontvangen met dagtekening 5 december 2025 of later, dan zal de belastingrente op deze aanslag zeer vermoedelijk ook worden verminderd. De Belastingdienst zal de komende tijd meer informatie verstrekken over hoe een en ander in gang gezet wordt. Mogelijk moet u in een voorkomend geval nog een verzoek indienen.
Heeft u bezwaar gemaakt tegen de belastingrente op overige belastingen, dan zal de Belastingdienst dit bezwaar afwijzen.
Let op! Heeft u eerder een voorlopige aanslag Vpb mét belastingrente ontvangen, maar is de bezwaartermijn van de definitieve aanslag nog niet verstreken? Verzoek dan binnen de bezwaartermijn van de definitieve aanslag om vermindering van de belastingrente op de voorlopige aanslag. Het is nog niet duidelijk of u daarop ook nog recht heeft als de bezwaartermijn van de definitieve aanslag al is verstreken.
De kantonrechter in Arnhem oordeelde onlangs dat er ook sprake is van opbouw van vakantiedagen gedurende het slapende dienstverband, oftewel gedurende de periode dat er geen recht meer op loon bestaat. De kantonrechter in Groningen oordeelde echter recentelijk het tegenovergestelde.
Een werknemer maakte onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van de kantonrechter Arnhem aanspraak op betaling van vakantiedagen vanaf 104 weken arbeidsongeschiktheid, namelijk vanaf 8 november 2023 tot einde dienstverband op 30 april 2025. Het ging om een totaal van 238,35 niet genoten vakantie-uren. De werkgever ging hier niet in mee. Hij verwees naar de wet waarbij het recht op vakantie is gekoppeld aan het recht op loon.
Deze kantonrechter oordeelde dat bij een slapend dienstverband geen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat het recht op loon is beëindigd. Hij verwees daarbij naar artikel 7 lid 1 van de Arbeidstijdenrichtlijn waarin gesproken wordt over behoud van loon. Bij een slapend dienstverband is er echter geen sprake meer van behoud van loon.
Het doel van vakantie is om een werknemer in staat te stellen uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Het veronderstelt dat de werknemer een activiteit heeft uitgevoerd die het nemen van een periode van rust, ontspanning en vrije tijd rechtvaardigt om de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van zijn veiligheid en gezondheid te waarborgen. Gedurende de wachttijd is het uitgangspunt dat de werknemer weer aan het werk gaat. Dan past de gelijkstelling van de arbeidsongeschikte werknemer met de werknemer die daadwerkelijk heeft gewerkt.
Bij een slapend dienstverband is duidelijk dat deze re-integratie niet is bewerkstelligd en ligt een aanvraag voor een WIA-uitkering in de rede. Bij een slapend dienstverband is de werkgever immers bevoegd om het dienstverband op te zeggen.
De door het Europese Hof van Justitie geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen bij een slapend dienstverband niet meer worden behaald. Bovendien gaan de werkgever en werknemer er ook niet meer van uit dat de werknemer in de organisatie weer aan het werk zal gaan, zodat de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemer niet op die wijze geborgd hoeft te worden. Tot slot valt een werknemer na de wachttijd vaak terug op een socialezekerheidsuitkering, welke uitkering in beginsel tijdens vakantie doorloopt, zodat op die wijze ook voorzien wordt in vakantie met behoud van uitkering.
Gelet op de tegenstrijdige uitspraken door de verschillende rechtbanken zou het wenselijk zijn als hierover door de Hoge Raad – eventueel in het kader van te stellen prejudiciële vragen – duidelijkheid zou worden gegeven.
Moet u op grond van de wettelijke bepalingen slechts een gering bedrag aan invorderingsrente betalen, dan wordt dat niet aan u in rekening gebracht. Sinds 1990 betreft dit een vast bedrag van maximaal € 23 (50 gulden voor de invoering van de euro). Dit bedrag is sinds die tijd niet verhoogd of geïndexeerd.
Met ingang van 1 januari 2026 is dit bedrag voor het eerst verhoogd naar € 49.
Let op! Vanaf nu zal het bedrag elke vijf jaar geïndexeerd worden.
Zou u daarom vanaf 1 januari 2026 invorderingsrente verschuldigd zijn tot maximaal € 49? Dan wordt dit niet aan u in rekening gebracht.
U bent invorderingsrente aan de Belastingdienst verschuldigd als u na de uiterste betaaldatum nog een bedrag aan belasting moet betalen. Dit geldt ook als u uitstel van betaling heeft gekregen. De periode waarover u invorderingsrente moet betalen, begint op de dag na de uiterste betaaldatum en loopt tot de dag waarop het geld op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven.
Let op! De invorderingsrente bedraagt vanaf 1 januari 2026 4,3%.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01