Het gemiddelde premieniveau van de WGA bedraagt in 2027 1,07% (2026: 0,96%). De maximum WGA-premie is 4,28% en de minimumpremie 0,26% (in 2026: 3,84 respectievelijk 0,24%).
De gemiddelde premie voor de ZW bedraagt in 2027 0,60% (2026: 0,56%). De maximum ZW premie is 2,40% en de minimumpremie 0,15% (in 2026:2,24% respectievelijk 0,14%).
Let op! Voor werkgevers in sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt een afwijkende maximumpremie van 5,96%.
De gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van je onderneming. Bij middelgrote en grote werkgevers telt de eigen instroom van zieken in het publieke stelsel mee voor de hoogte van de premie.
De loonsom over 2025 bepaalt in welke categorie je in 2027 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtige loon. Dit bedraagt in 2026 nog € 43.300 en stijgt in 2027 naar € 45.400.
De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2027 bij een loonsom van maximaal € 1.135.000 (in 2026 € 1.082.500). Bij een loonsom van meer dan € 4.540.000 is in 2027 sprake van een grote werkgever (in 2026 € 4.330.000).
Let op! Alle grote en middelgrote werkgevers ontvangen tegen het einde van 2026 een beschikking van de Belastingdienst met de hoogte van de premie. Kleine werkgevers ontvangen geen beschikking, maar een mededeling.
Ben je eigenrisicodrager, maar wil je dat niet meer zijn vanaf 1 januari 2027? Meld je dan vóór 1 oktober 2026 af. Ben je geen eigenrisicodrager, dan kun je dat worden vanaf 1 januari 2027 door je vóór 1 oktober 2026 aan te melden. Je betaalt dan niet langer de premies WGA en ZW.
Let op! Of het zinvol is om te wisselen is van diverse omstandigheden afhankelijk. Denk aan (de wijziging van) de instroom van zieken in het publieke stelsel, hoeveel zieken buiten het publieke stelsel zitten bij terugkeer naar dit stelsel en de kosten van een private verzekering et cetera. Overleg daarom met onze adviseur of wisselen raadzaam is. Aan- of aanmelden kan voor de WGA vervolgens met dit formulier en voor de ZW met dit formulier.
Eind 2024 is al in de wet opgenomen dat de eerste schijf in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) per 1 januari 2027 omhooggaat van 2 naar 2,16%. SEO Economisch Onderzoek (SEO) heeft, na een evaluatie van de WKR over de jaren 2019-2024, echter aanbevolen om de eerste schijf in de vrije ruimte helemaal af te schaffen. Op Prinsjesdag 2026 wordt waarschijnlijk duidelijk of het kabinet deze aanbeveling overneemt.
Ook wordt dan duidelijk of het kabinet de volgende aanbevelingen van SEO overneemt:
De verwachting is dat in ieder geval de gerichte vrijstelling voor kortingen en vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf wordt afgeschaft.
Het vergoedingspercentage in de expatregeling (voorheen: 30%-regeling) gaat per 1 januari 2027 omlaag van 30 naar 27%. Tegelijkertijd gaan er ook hogere salarisnormen gelden. Deze aanpassingen zijn al eerder in de wet opgenomen. Het kabinet heeft aangegeven niet van plan te zijn de expatregeling nog verder te versoberen.
Al eerder bekendgemaakt – en ook al in werking getreden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 –, is de verhoging van het belastingvrije bedrag voor reiskosten van € 0,23 naar € 0,25. Deze verhoging geldt voor de onbelaste reiskostenvergoeding die een werkgever aan zijn werknemer geeft, en voor de aftrekbare zakelijke reiskosten van een ondernemer of resultaatgenieter in de inkomstenbelasting. Je mag vanaf de aangifte IB 2026 ook rekening houden met dit hogere bedrag bij het berekenen van de aftrekbare ziektekosten.
Let op!De verhoging naar € 0,25 is nu nog in een besluit opgenomen, maar wordt in het belastingpakket van Prinsjesdag 2026 ook in de wet opgenomen.
Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. Dit voorstel is vorig jaar al aangenomen, maar op Prinsjesdag 2026 worden aanpassingen verwacht, zoals een uitzondering op de pseudo-eindheffing voor vervangende auto’s bij schade, reparatie en onderhoud, en een uitzondering op de heffing voor lesauto’s.
Het kabinet denkt erover om de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling niet ineens per 1 januari 2027 te verhogen van 16 naar 25 jaar. Een auto van de zaak die onder de youngtimerregeling valt, kent een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van de reguliere bijtelling die geldt voor jongere auto’s. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad in plaats van de verhoging naar 25 jaar per 1 januari 2027.
Het kabinet heeft de gedachte om een nieuwe bijtellingskorting te introduceren voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Deze regeling zou de naam Greentimerregeling moeten krijgen.
Er ligt een plan om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het effectieve loonheffingentarief wordt dan afgerond 32%, waarmee het ongeveer gelijk is aan de belastingheffing over aandelenopties in box 2.
Het kabinet heeft eerder aangegeven het wetsvoorstel hiervoor in september 2026 aan de Tweede Kamer te willen aanbieden. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Wat betreft aftrekmogelijkheden voor ondernemers worden de volgende wijzigingen in het belastingpakket verwacht:
Voor de particulier wordt waarschijnlijk de aftrek van specifieke zorgkosten afgeschaft per 1 januari 2028. Verder worden op Prinsjesdag diverse aanpassingen op het nog bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3 verwacht. Hiervoor liggen verschillende opties, waarover het kabinet in augustus nog een besluit neemt.
Waarschijnlijk gaat het algemene woningtarief in de overdrachtsbelasting omlaag van 8 naar 7% per 1 januari 2027. Dit tarief geldt voor de verkrijging van woningen die de verkrijger niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken.
Voor overdrachten van woningen tussen woningcorporaties binnen de sociale huisvestingstaak komt er waarschijnlijk een vrijstelling overdrachtsbelasting.
Het plan om per 1 januari 2028 het btw-tarief op sierteeltproducten te verhogen van 9 naar 21% btw wordt ook in de belastingpakketten op Prinsjesdag 2026 verwacht.
Bij maatschappelijk vastgoed moet je denken aan scholen, overheidsgebouwen, zorginstellingen, sportaccommodaties en monumenten. De subsidie DUMAVA is beschikbaar voor maatschappelijke instellingen in de sectoren decentrale overheid, onderwijs, zorg, cultuur en religieuze instellingen.
De subsidie kan verder aangevraagd worden door stichtingen en verenigingen voor gebouwen met een publieksfunctie. Ook eigenaren van een geregistreerd rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument kunnen DUMAVA aanvragen. Hetzelfde geldt voor veiligheidsregio’s met maatschappelijk vastgoed.
Er gelden verschillende voorwaarden voor het aanvragen van de subsidie. Belangrijk is dat je eerst een verduurzamingsadvies laat opstellen voordat je DUMAVA aanvraagt. Verder dien je eerst DUMAVA aan te vragen en pas na toekenning van de subsidie een contract aan te gaan met een aannemer of te starten met de verduurzaming. Doe je dat niet, dan loop je het risico geen subsidie te krijgen.
Let op! Kijk voor alle voorwaarden hier.
DUMAVA is ook beschikbaar voor amateursportverenigingen, mits voor de sportaccommodatie niet al eerder BOSA-subsidie is ontvangen.
Let op! Voor amateurverenigingen gelden wel extra voorwaarden.
De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het aantal verduurzamingsmaatregelen:
De aanvraagperiode startte op 1 juni 2026 9.00 uur en loopt tot en met vrijdag 16 oktober 2026 17.00 uur. Er is € 405 miljoen budget beschikbaar gesteld. Op 3 augustus 2026 was hier nog ruim 283 miljoen (70%) van over. Er is dus nog voldoende budget beschikbaar.
Let op! Eerder was bekendgemaakt dat het tweede tijdvak op 10 augustus 2026 zou starten. Dit is dus niet correct.
Met de SLIM-subsidie wordt leren en ontwikkelen op de werkvloer gestimuleerd. Personeel kan zodoende groeien in het werk en zich zo beter voorbereiden op wijzigingen in de arbeidsmarkt.
De subsidie kan individueel of via een samenwerkingsverband worden aangevraagd. Voor individuele mkb-ondernemingen gelden andere aanvraagtijdvakken en budgetten dan voor samenwerkingsverbanden.
De totale subsidie voor het tweede tijdvak voor individuele mkb-ondernemingen bedraagt € 6 miljoen. Voor het eerste tijdvak dit jaar bedroeg de totale subsidie voor individuele mkb-ondernemingen € 11 miljoen. Daarmee is de subsidie voor het tweede tijdvak dus bijna gehalveerd ten opzichte van het eerste tijdvak.
Let op! Samenwerkingsverbanden hebben maar één aanvraagtijdvak. Dat was van 22 juni 2026 9.00 uur tot en met 20 juli 2026 17.00 uur. De totale subsidie voor samenwerkingsverbanden bedroeg € 6 miljoen.
Als het aantal subsidieaanvragen het beschikbare budget overschrijdt, wordt de SLIM-subsidie toegekend via loting. De datum van binnenkomst van de aanvraag is dus niet van belang. Op basis van ervaringscijfers zal naar verwachting zo’n 23% van alle aanvragen worden toegewezen. Ook in het eerste tijdvak van 2026 was het beschikbare subsidiebudget ruim overvraagd en heeft er een loting plaatsgevonden.
De maximum SLIM-subsidie voor individuele mkb-ondernemingen voor het tweede aanvraagtijdvak bedraagt, net als voor het eerste tijdvak, €24.999 (voor landbouwbedrijven € 20.000).
Let op! De SLIM-subsidie kun je digitaal aanvragen via het subsidieportaal van Uitvoering van Beleid
Een trustee is de beheerder van het geld of ander bezit van de trust. De trustee is de UBO, Ultimate Beneficial Owner, van de trust.
De trustee die in Nederland woont of gevestigd is, is verplicht zich te registreren in het UBO-register trusts bij de KVK. Dat geldt ook voor de trustee die buiten de EU woont of gevestigd is, maar in Nederland namens de trust een zakelijke relatie aangaat. Denk daarbij aan het openen van een bankrekening of het kopen van onroerend goed in Nederland.
Als een rechtspersoon trustee is, dient de wettelijke vertegenwoordiger van de rechtspersoon geregistreerd te worden in het UBO-register trusts.
Tip! Meer informatie is te vinden op de website https://www.uboregistertrusts.nl/.
De Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) van het Ministerie van Financiën handhaaft of de verplichte UBO-gegevens altijd juist en volledig zijn opgegeven in het UBO-register trusts. De beleidsregel met de bestuursrechtelijke handhaving door middel van een bestuurlijke boete voor trusts en soortgelijke juridische constructies is op 1 juni 2026 in werking getreden.
Uit de beleidsregel volgt dat de geldboete voor een niet, onjuiste en/of onvolledige UBO-opgave maximaal een geldboete van de vierde categorie bedraagt. Op dit moment (2026) is dat een bedrag van maximaal € 27.500.
De DFEI legt in beginsel niet meteen een boete op van € 27.500.
Bij het opleggen van de boete houdt De DFEI rekening met de volgende omstandigheden:
Deze omstandigheden kunnen leiden tot matiging van de hoogte van de bestuurlijke boete. De stelplicht en bewijslast dat van zulke omstandigheden sprake is, liggen bij de overtreder.
De DFEI heeft in bijzondere gevallen de mogelijkheid om te kiezen voor een andere aanpak door het opleggen van een last onder dwangsom.
Op 2 juli stuurden de ministers Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Aartsen van Werk en Participatie een Kamerbrief met de vooraankondiging van een wetswijziging. Het kabinet wil dat iedereen die daartoe in staat is mee gaat doen op de arbeidsmarkt. Om die reden wordt onder meer de doelgroep van de banenafspraak verbreed. Daarnaast gaat de loonkostensubsidie (LKS) het leidende, rijksbrede instrument worden om de verminderde loonwaarde van een werknemer te compenseren.
Op 20 februari 2024 is het principebesluit genomen dat de doelgroep van de banenafspraak wordt uitgebreid met personen met een WIA- of een WW-uitkering die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Dit betekent dat deze personen straks ook gebruik kunnen maken van de instrumenten van de banenafspraak: no-riskpolis, een loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak en straks ook de loonkostensubsidie (LKS). Er komt een wetsvoorstel waarin deze personen aan de doelgroep van de banenafspraak worden toegevoegd.
Voor de WW en de WIA wordt de LKS beschikbaar gesteld. Dit geeft het UWV een instrument om de verminderde loonwaarde van werknemers te compenseren voor werkgevers. Bij de LKS gaat het om een financiële regeling voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking of afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen.
De LKS compenseert het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de lagere arbeidsproductiviteit (loonwaarde) van de werknemer. De werkgever betaalt op deze manier alleen voor de werkelijke productiviteit. Hiermee wordt hij gestimuleerd om iemand met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen en houden.
In de Wajong wordt de loondispensatie vervangen door de LKS. Loondispensatie houdt in dat aan een werkgever toestemming wordt verleend om een Wajong-gerechtigde een loon uit te betalen dat lager ligt dat het wettelijk minimumloon. Dit maakt de regels voor werkgevers eenvoudiger en herkenbaarder.
Let op! Er komt overgangsrecht dat inhoudt dat de LKS pas wordt ingezet als de beschikking loondispensatie afloopt. Het UWV verstrekt op dit moment maximaal vijf jaar loondispensatie. Hierdoor kan het overgangsrecht maximaal vijf jaar doorlopen.
Als de LKS wordt ingevoerd, wordt ook de loondispensatie in de Wajong vervangen door de LKS. De hoogte van de LKS wordt bepaald aan de hand van de loonwaarde van de werknemer. Daarvoor is nu nog een loonwaardemeting nodig.
Het is de bedoeling dat vanaf 2028 geen loonwaardemeting meer nodig is. De LKS wordt vanaf dat moment, ook voor de Wajong, standaard vastgesteld op 68% van het wettelijk minimumloon. Werkgevers krijgen daarmee een vaste LKS als zij iemand aannemen met een WW, WIA- of Wajong-uitkering die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon per uur kan verdienen.
Let op! Het betreft nog een voornemen dat nog in wetgeving moet worden omgezet.
De expatregeling komt er in het kort op neer dat werkgevers een buitenlandse werknemer met een specifieke deskundigheid een percentage van het salaris netto mogen uitbetalen als kostenvergoeding. Het gebruik van de regeling is optioneel. Men mag er dus ook voor kiezen de extra kosten van de werknemer belastingvrij te vergoeden, als dit mogelijk is op basis van de bestaande regelgeving. Je moet deze extra kosten dan wel aannemelijk kunnen maken.
De expatregeling kent een aantal voorwaarden. Een belangrijke is de deskundigheidseis. In de wettelijke bepalingen is opgenomen dat aan die deskundigheidseis wordt voldaan als de werknemer tenminste een bepaald salaris verdient (de looneis). Voor 2026 is dit €48.013, in bepaalde gevallen is dit € 36.497. In bovengenoemde rechtszaak ging het erom of een helikopterpilote aan de gestelde looneis voldeed.
Bij indiensttreding moest de pilote eerst een opleiding volgen en met succes afronden. Tijdens de opleiding verdiende ze een lager salaris, dat na voltooiing van de opleiding wijzigde in een hoger salaris. Op basis van het lagere salaris voldeed de pilote niet aan de looneis De centrale vraag was of voor de expatregeling ook al van het hogere afgesproken salaris mocht worden uitgegaan.
Rechtbank Noord-Holland vond dat dit inderdaad is toegestaan. Het hogere loon was immers al afgesproken bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst. Verder bleek uit de feiten onder meer dat de slagingskans voor de pilote vrijwel 100% bedroeg, onder andere als gevolg van haar ervaring. Volgens de rechtbank was dit zo goed als zeker en was daardoor te verwachten dat ze aan de looneis zou voldoen. De rechtbank stond het gebruik van de expatregeling dan ook toe.
Let op!De rechtbank gaf in de uitspraak ook aan dat een en ander getoetst moet worden bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Als dan niet voldaan wordt aan de looneis, kan een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat alsnog met terugwerkende kracht of vanaf dat moment, voldaan wordt aan de looneis.
Voor de expatregeling is ook van belang wat onder een stage moet worden verstaan. De werknemer die van de regeling gebruik wil maken moeten namelijk uit een ander land aangeworven zijn. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst mag de werknemer nog niet in Nederland werkzaam zijn. Werkzaamheden in het kader van een stage in Nederland worden daarbij niet aangemerkt als werkzaamheden in Nederland. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat het begrip stage ruim moet worden opgevat.
In deze zaak stelde de Belastingdienst dat de gevolgde stage niet aan de eisen voor een stage voldeed, omdat deze niet was gevolgd in het kader van een opleiding. De rechtbank was van mening dat om van een stage te kunnen spreken niet vereist is dat dit in het kader van een opleiding is. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet vereist dat sprake is van een opleiding aan een erkende onderwijsinstelling. De gevolgde stage stond in dit geval dan ook niet aan toepassing van de expatregeling in de weg.
Een werkneemster die met zwangerschaps- en bevallingsverlof is, heeft recht op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Betaalt het UWV die uitkering aan jou als werkgever en betaal jij die door? Dan vormt dit loon uit tegenwoordige arbeid waarop je de witte tabel toepast. Dit betekent dat op deze WAZO-uitkering de arbeidskorting van toepassing is. De Belastingdienst is het met deze wetsuitleg eens.
Betaal je de werkneemster ook een aanvulling op de WAZO-uitkering, dan geldt voor die aanvulling hetzelfde. De Belastingdienst geeft aan dat ook de aanvulling loon uit tegenwoordige arbeid vormt, waarop je de witte tabel toepast en waarop dus de arbeidskorting van toepassing is.
Als de dienstbetrekking van de werkneemster tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt, kan het zijn dat je nog een WAZO-uitkering en een aanvulling daarop betaalt na het einde van de dienstbetrekking. Vormt dit dan nog steeds loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarop je de witte tabel en de arbeidskorting toepast?
De Belastingdienst geeft aan dat dit wel geldt voor de WAZO-uitkering die je betaalt na het einde van de dienstbetrekking, maar niet voor de aanvulling op de WAZO-uitkering. Op de aanvulling op de WAZO-uitkering kan de arbeidskorting dus niet worden toegepast.
Betaalt het UWV de WAZO-uitkering dan mag ook het UWV de uitkering behandelen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en de witte tabel toepassen.
Een asielzoeker kan alleen bij je werken als je een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor deze asielzoeker hebt. Er gelden dan geen beperkingen in het aantal weken per jaar dat de asielzoeker bij je mag werken. De asielaanvraag moet wel minimaal zes maanden in behandeling zijn voordat de asielzoeker bij je mag werken. Verder moet de asielzoeker een geldig Vreemdelingen Identiteitsbewijs (W-document) hebben.
Let op! Voor statushouders (asielzoekers met een asielvergunning) is geen TWV nodig. Datzelfde geldt voor asielzoekers die stage gaan lopen én een opleiding volgen in Nederland. Een asielzoeker die vrijwilligerswerk doet, heeft ook geen TWV nodig. De werkgever heeft dan wel een vrijwilligersverklaring nodig. Die kan de werkgever aanvragen bij het UWV.
De TWV vraag je als werkgever aan bij het UWV. Het UWV geeft de TWV af en controleert daarbij ook of je als werkgever genoeg loon betaalt. Het loon moet namelijk marktconform zijn.
Vanaf 12 juni 2026 mogen asielzoekers uit veilige landen niet meer werken in Nederland, dus ook niet als hun asielaanvraag al minimaal zes maanden in behandeling is. Hetzelfde geldt voor asielzoekers die liegen bij hun asielaanvraag of die een overdrachtsbesluit hebben. Een overdrachtsbesluit betekent dat een andere EU-lidstaat beslist over de asielaanvraag.
Let op! Deze regels gelden voor asielzoekers met een asielaanvraag vanaf 12 juni 2026.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt tot welke categorie een asielzoeker hoort (wel toegestaan om te werken of niet toegestaan om te werken).
De regels voor asielzoekers om te mogen werken, gaan nog verder veranderen. Nu mogen asielzoekers die in de asielprocedure zitten na zes maanden gaan werken, straks mag dat al na drie maanden nadat hun asielprocedure is gaan lopen.
Let op! Het is nog niet bekend vanaf wanneer deze verandering ingaat.
The introduction of the legal presumption does not mean that every contractor working at an hourly rate below €38 is automatically employed by the company. It does, however, mean that the presumption of an employment relationship is accepted. The contractor may rely on this presumption, but the company has the option to demonstrate that no employment contract exists.
If the company fails to prove this, the contractor is entitled to all the protection afforded by employment law. This includes continued payment during holidays and sick leave, and protection against dismissal
The contractor may rely on the legal presumption, but it has effect only under civil law. This means that the UWV, the Tax and Customs Administration and the Labour Inspectorate will not assess this legal presumption. They will continue to carry out their own investigations based on the elements of work, pay and a relationship of authority.
The legal presumption will come into force immediately on 31 December 2026. Do you have a contractor who is already carrying out work for you before 31 December 2026 at an hourly rate of less than €38? And will that contractor still be doing so from 31 December 2026 onwards? If so, from 31 December 2026 there will be a presumption that this contractor is employed by you.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01