Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.
Let op!Deze heffing geldt ook voor de dga die een fossiele personenauto van de zaak rijdt. Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet door de heffing geraakt worden, maar mogelijk krijgt hij wel te maken met de pseudo-eindheffing voor zijn personeel.
Voorwaarden voor de pseudo-eindheffing zijn dat de werkgever:
Let op! Auto’s die geen personenauto zijn, bijvoorbeeld bestelbusjes, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Datzelfde geldt voor volledig elektrische en waterstof aangedreven personenauto’s.
Ook personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Uitsluitend zakelijk gebruik zal echter niet snel voorkomen, omdat het woon-werkverkeer voor de pseudo-eindheffing niet zakelijk, maar privé is.
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet voor die ene of enkele dag(en), maar voor de hele maand!
De praktijk heeft overlegd met het Ministerie van Financiën over knelpunten in de pseudo-eindheffing. Voor een aantal hiervan heeft de staatssecretaris aanpassingen aangekondigd:
Let op! Bij de evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 zal beoordeeld worden of deze aanpassingen effectief en nog nodig zijn.
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.
De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude fossiele brandstofauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de vorige werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht, omdat de auto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld.
Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto.
Let op! Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de auto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld.
De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, wel een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig, dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.
Tot slot heeft de staatssecretaris nog uitleg gegeven over berekening van de pseudo-eindheffing als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land. In dat geval mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing.
Met het gebruik van inclusiviteitstechnologie kunnen werknemers met een arbeidsbeperking hun toegang tot de arbeidsmarkt verbeteren. Door de subsidie worden de kosten voor de werkgever verlaagd en worden ze gestimuleerd deze technologieën in te zetten.
Let op! Er is ook subsidie beschikbaar voor advisering over het gebruik van de technologie. Per aanvraag mag je van de subsidie hieraan maximaal € 1.000 besteden.
Inclusiviteitstechnologie is op velerlei terreinen beschikbaar. Er bestaat een lijst met technologieën die zijn goedgekeurd voor de verkrijging van de subsidie. Er is ook een document met voorbeelden.
De lijst bevat bijvoorbeeld een technologie waarmee een tablet of smartphone handsfree kan worden bediend en een technologie die de stem versterkt, wanneer dit bij een stemaandoening noodzakelijk is.
Voor de subsidie is € 1 miljoen beschikbaar. Per aanvraag krijg je minimaal € 2.500 tot maximaal € 25.000 subsidie of maximaal de helft van de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.
Let op! De subsidie is alleen beschikbaar voor werkgevers in het mkb met maximaal 250 werknemers en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen.
De subsidie was oorspronkelijk beschikbaar tot 29 mei 2026, maar deze periode is verlengd tot 31 augustus 2026 17.00 uur. Zodoende heb je meer tijd om de mogelijkheden van inclusiviteitstechnologieën binnen je bedrijf na te gaan en de aanvraag goed voor te bereiden. De subsidie vereist onder meer dat je offertes meestuurt van de technologieën die je aan wilt schaffen en dat je omschrijft hoe een technologie je personeel met een arbeidsbeperking helpt.
Let op!Aanvragen kan digitaal met eHerkenning minimaal niveau 3 via de volgende link.
Met name bij arbeidsmigranten is niet altijd even duidelijk of ze het wettelijk minimumloon betaald hebben gekregen. Daarom werkt de regering een wetsvoorstel uit waarmee werknemers straks in die situatie alsnog het minimumloon uitgekeerd krijgen. Ook de bewijslast verschuift dan. De werkgever zal dan moeten bewijzen dat het minimumloon wel is uitbetaald. Nu ligt de bewijslast nog bij de werknemer of de Arbeidsinspectie. Zij moeten op dit moment nog bewijzen dat sprake is van betaling onder het wettelijk minimumloon.
De Arbeidsinspectie is de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Bij controles komt het voor dat de werkgever de benodigde gegevens niet kan of wil verstrekken. De Arbeidsinspectie kan dan niet nagaan of het minimumloon is betaald voor de gewerkte uren. De Arbeidsinspectie kan dan wel een boete van maximaal €12.000 per onderzochte werknemer opleggen maar daarmee ontvangen de werknemers nog niet het loon waar ze recht op hebben.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daarom een rechtsvermoeden van onderbetaling in de wet opnemen als er een vermoeden van onderbetaling is. De bewijslast wordt dan omgekeerd waardoor de werkgever moet bewijzen dat niet sprake is van onderbetaling.
De Arbeidsinspectie mag, na invoering van het rechtsvermoeden, een fictieve onderbetaling van het loon berekenen, als het vermoeden bestaat dat werknemers te weinig betaald krijgen en de werkgever niet kan bewijzen dat geen sprake is van onderbetaling. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de werkgever de gevraagde administratie niet wil of kan tonen.
Let op!Genoemd rechtsvermoeden was één van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten. Het aanjaagteam adviseerde ook bij een vermoeden van onderbetaling aan te nemen dat de werknemer gedurende zes maanden voor 36 uur per week tegen een vergoeding van het minimumloon heeft gewerkt.
Verder moet de werkgever straks bij de rechter bewijzen dat het wettelijk minimumloon wel is betaald. Nu ligt deze bewijslast nog bij de werknemer. Bewijslast betekent ook vaak bewijsrisico. Het is lastig voor werknemers om aan te tonen dat er sprake is van onderbetaling. Zeker wanneer de werknemer geen documenten kan laten zien, omdat deze ontbreken. Bovendien speelt de sterke afhankelijkheidspositie die werknemers ten opzichte van hun werkgever hebben een rol. Ze zijn niet snel geneigd om een procedure te starten. Vaak zijn ze ook onbekend met die mogelijkheid. Daar moet dus nu verandering in komen.
Let op!Deze voorstellen zullen in de komende maanden nader uitgewerkt worden in een wetsvoorstel. Daarna toetst de arbeidsinspectie eerst de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en wordt het wetsvoorstel voorgelegd bij de Raad van State. Vervolgens moeten de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel nog behandelen en hierover stemmen.
De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. De bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was, omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe.
Let op! De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank
De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst.
Let op!Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is.
Kan nu iedere dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet.
Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt.
Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden.
Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel, de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022.
Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast.
De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen.
Let op!De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor, en voor de beoordeling van je eigen specifieke situatie contact op met onze adviseurs.
Het rechtsvermoeden houdt in dat het vermoeden van een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen voor iedereen die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38 per uur. Opdrachtgevers kunnen dit rechtsvermoeden wel weerleggen door aan te tonen dat er geen arbeidsovereenkomst is. Lukt dat de opdrachtgever niet, dan bestaat recht op alle bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaling bij vakanties en ontslagbescherming.
Let op! De wet treedt op een nog nader te bepalen datum in werking. De verwachting is uiterlijk 31 december 2026.
Het rechtsvermoeden heeft, na inwerkingtreding van de wet, onmiddellijke werking. Dit betekent dat het rechtsvermoeden van toepassing is op elke arbeidsrelatie die bestaat op de dag van inwerkingtreding van de wet en op elke arbeidsrelatie die op die dag of na die dag ingaat.
Het rechtsvermoeden heeft alleen een civielrechtelijke werking. Het UWV, de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie gaan niet zelfstandig dit rechtsvermoeden toetsen, maar houden hun eigen onderzoeksplicht op basis van arbeid, loon en gezagsverhouding (zoals opgenomen in artikel 7:610 BW).
Oorspronkelijk bevatte het wetsvoorstel Vbar ook nog criteria aan de hand waarvan duidelijker zou moeten zijn wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Voordat de Tweede Kamer over het wetsvoorstel stemde, had het kabinet dit verduidelijkingsdeel al uit het wetsvoorstel geschrapt.
Let op! In plaats van het verduidelijkingsdeel uit het oorspronkelijke wetsvoorstel Vbar wil het kabinet zo snel mogelijk aan de slag met de Zelfstandigenwet. Het initiatiefwetsvoorstel dat medio 2025 ter internetconsultatie lag, zal daarvoor de basis vormen. Het kabinet zal de Tweede Kamer voor de zomer over verdere vervolgstappen informeren.
In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden.
Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026.
De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking.
Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit.
Als de beschikking niet klopt, kan je bezwaar maken bij de Belastingdienst. Doe dit wel binnen zes weken na dagtekening van de beschikking.
Let op! UWV heeft de lkv’s berekend op basis van de uren uit je aangifte loonheffingen. Dit zijn altijd afgeronde uren. Om die reden kan er een afrondingsverschil bestaan tussen de uren uit je loonadministratie en de uren op de beschikking.
Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025.
Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.
SEO Economisch onderzoek (SEO) heeft op 1 juni 2026 een evaluatie van de wkr over de jaren 2019-2024 aan het kabinet aangeboden. Conclusie van de evaluatie is dat de wkr doeltreffend is en deels doelmatig. SEO doet een aantal aanbevelingen om de doelmatigheid te vergroten. Dit zou vooral bereikt worden door de wkr minder complex te maken en de administratieve lasten te verlichten.
Let op! Hierna wordt alleen ingegaan op de aanbevelingen van SEO waarvan het kabinet heeft aangegeven hier opvolging aan te geven of hierover later een besluit te nemen. De aanbevelingen van SEO die het kabinet niet overneemt, komen hierna niet terug.
Al eerder kondigde het kabinet aan dat de gerichte vrijstelling voor kortingen en vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf, met ingang van 2027 vervalt. Deze aanbeveling van SEO wordt opgenomen in de belastingplannen 2027 die op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
De vrije ruimte bedraagt in 2026 2% van de loonsom, tot een bedrag van € 400.000 en 1,18% daarboven. De eerste schijf van 2% is met name bedoeld om mkb-ondernemingen tegemoet te komen. SEO constateert onder meer dat de eerste schijf ook bij het niet-mkb terechtkomt en beveelt aan om de eerste schijf af te schaffen. Het kabinet neemt deze aanbeveling mee in de augustusbesluitvorming 2026. Op Prinsjesdag 2026 wordt dan bekend of het kabinet de aanbeveling (deels) overneemt en zo ja, vanaf wanneer.
Naar aanleiding van een aanbeveling van SEO onderzoekt het kabinet een verhoging van de 80% eindheffing die verschuldigd is bij overschrijden van de vrije ruimte. De eindheffing zou dan net zo hoog moeten worden als de gemiddelde marginale belastingdruk. Het kabinet neemt dit mee in de augustusbesluitvorming 2026. Op Prinsjesdag 2026 wordt dan bekend of en zo ja, wanneer de verhoging doorgaat
Op dit moment is het niet mogelijk om op één dag zowel een onbelaste thuiswerkvergoeding als een onbelaste reiskostenvergoeding woon-werk te geven. SEO beveelt aan om dit wel mogelijk te maken. Het kabinet neemt hierover bij de augustusbesluitvorming 2026 een besluit. De effecten op CO2-uitstoot en een mogelijk verbod op uitruil van de thuiswerkvergoeding met belast loon worden hierbij onder meer meegenomen. Op Prinsjesdag 2026 zal een en ander duidelijk worden.
Bij een 25-jarig en een 40-jarig werkjubileum is het mogelijk om een maandloon onbelast aan de werknemer te geven. SEO beveelt aan om deze vrijstelling af te schaffen. Het kabinet neemt deze aanbeveling mee in de augustusbesluitvorming 2026. Of de diensttijdvrijstelling wordt afgeschaft en zo ja, vanaf wanneer, wordt dan op Prinsjesdag 2026 bekend.
Let op! De volledige kabinetsreactie op de evaluatie van de wkr door SEO is hier te lezen.
Je Berichtenbox kun je raadplegen op MijnOverheid met je Digid. Je moet hier ook aangeven of je wel of niet per email op de hoogte gebracht wilt worden als er nieuwe post in je Berichtenbox zit. Maar wat nu als de Belastingdienst geen emailnotificatie stuurt? Hoe zit dat nu en hoe was dat tot en met 2025?
De Hoge Raad heeft zich over deze vraag gebogen in een zaak die handelde over een naheffingsaanslag parkeerbelasting in de periode tot en met 2025. De naheffing was opgelegd in 2022. De automobilist die de naheffing via zijn Berichtenbox had ontvangen, gaf aan dat hij hiervan niet op de hoogte was gebracht met een emailnotificatie. Hij weigerde daarom de aanmaningskosten van acht euro te betalen.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de wet de naheffingsaanslag parkeerbelasting op voorgeschreven wijze bekend was gemaakt op het moment dat deze in de Berichtenbox was geplaatst. Een emailnotificatie was daarvoor geen vereiste.
De Hoge Raad oordeelde ook dat het sturen van een emailnotificatie dat er nieuwe post in de Berichtenbox zit, tot en met 2025 ook nog niet verplicht was. Je kon er tot en met 2025 wel voor kiezen om in je Berichtenbox in te stellen dat je zo’n emailnotificatie wilde ontvangen. Nu de automobilist voor de rechter niet had aangegeven dat hij die keuze had gemaakt, ging de Hoge Raad ervan uit dat hij er niet voor gekozen had om emailnotificaties te ontvangen. De aanslag was verder correct kenbaar gemaakt en dus bleven de aanmaningskosten in stand.
De voorgaande casus was waarschijnlijk anders afgelopen als deze in 2026 had gespeeld. Het sturen van een emailnotificatie in sinds 2026 namelijk wel verplicht, tenzij de beoogde ontvanger van het bericht in de Berichtenbox heeft ingesteld dat hij geen emailnotificaties wil ontvangen.
Verstuurt de Belastingdienst geen emailnotificatie, dan kan een termijnoverschrijding (bijvoorbeeld de zes weken termijn waarbinnen je bezwaar moet maken), niet aan jou worden tegengeworpen. Dit is uiteraard anders als je hebt ingesteld dat je geen emailnotificatie wilt ontvangen. In dat geval komt de termijnoverschrijding wel voor jouw rekening.
Heeft de Belastingdienst wel een emailnotificatie gezonden, maar heb jij die niet ontvangen? Dan kan een termijnoverschrijding je ook niet worden tegengeworpen. Voorwaarde hierbij wel is dat het redelijkerwijs niet jouw schuld is dat je de emailnotificatie niet hebt ontvangen. Als je bijvoorbeeld geen of een foutief emailadres hebt opgegeven of een wijziging van je emailadres niet doorgeeft, komt een termijnoverschrijding wel voor jouw rekening.
Tip! Het laten sturen van een emailnotificatie door de Belastingdienst biedt vanaf 2026 meer rechtsbescherming. Controleer daarom in je Berichtenbox of is ingesteld dat je emailnotificaties wilt ontvangen. Controleer ook of je email (juist) is opgenomen in je Berichtenbox en geef wijzigingen in je email op tijd door in je Berichtenbox.
Een uitzendkracht werkte sinds 18 juni 2018 via een uitzendbureau bij AH. Sinds 16 maart 2020 was hij in vaste dienst bij het uitzendbureau (fase C contract). Hij verrichtte vanaf 18 juni 2018 tot 5 november 2019 werkzaamheden voor AH in Geldermalsen en vanaf 5 november 2019 in het distributiecentrum van AH in Pijnacker, in verschillende functies waaronder heftruckchauffeur en orderverzamelaar koel (vanaf 15 augustus 2025).
Nadat hij herhaaldelijk tevergeefs bij AH gesolliciteerd had voor een vaste functie, solliciteerde hij opnieuw op 21 oktober 2025. Nog diezelfde dag wees AH hem af op basis van gedragsproblematiek en het overtreden van de veiligheidsregels. Per e-mail van 7 oktober 2025 heeft AH aan het uitzendbureau verzocht om een andere uitzendkracht in verband met aanhoudende gedragsproblematiek. Het uitzendbureau heeft de uitzendkracht op 15 oktober 2025 laten weten dat hij niet langer aan AH werd uitgeleend in verband met zijn gedrag.
De werknemer laat het hier niet bij zitten. Hij is van oordeel dat AH misbruik van recht heeft gemaakt, door hem geen vast contract aan te bieden. Hij claimt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een verklaring voor recht dat de CAO Logistiek van AH op die arbeidsovereenkomst van toepassing is. Daarnaast claimt hij dat als de arbeidsovereenkomst wordt erkend de opzegging van 15 oktober 2025 vernietigd wordt en dat hij weer zal worden tewerkgesteld in de functie van Operator II/Magazijnmedewerker 2 te Pijnacker op basis van 150 uur per vier weken. Tevens vordert hij betaling van het salaris en achterstallig loon en aanmelding bij het pensioenfonds met terugwerkende kracht, wettelijke rente en overige vergoedingen en proceskosten.
AH ageert hiertegen door te stellen dat langdurige inlening gerechtvaardigd is door sectorspecifieke personeelsbehoefte, personeelstekort, mechanisering, taaleisen en ontziemaatregelen uit de CAO Logistiek. Daarnaast wijst AH op de verantwoordelijkheid van het uitzendbureau voor de inzet van personen. Ook wijst AH op gedrags- en disfunctioneringsgeschiedenis van de werknemer als reden voor het niet aanbieden van een vast dienstverband en het stopzetten van de inlening.
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer vanaf 18 juni 2018 tot 15 oktober 2025 onafgebroken voor AH heeft gewerkt en dat een periode van ruim zeven jaar niet meer als tijdelijk kan worden aangemerkt. De door AH aangevoerde argumenten hiervoor en het beroep op de verantwoordelijkheid van het uitzendbureau vormen geen voldoende objectieve en individuele verklaring voor de lange duur van de terbeschikkingstelling. Waarschuwingen en verbetertrajecten bij de werknemer waren onvoldoende om de lange inlening te rechtvaardigen. Ook vormt het enkele feit dat vaste werknemers moeilijk te vinden zijn, geen toereikende rechtvaardiging voor het langdurig inlenen van juist deze werknemer.
De kantonrechter verwijst naar de bescherming van de Uitzendrichtlijn ((2008/104/EG) en Europese jurisprudentie waaruit naar voren komt dat de inlening van tijdelijke aard moet zijn. Dit betekent dat in dit geval sprake is geweest van misbruik van recht door AH en dat de onafgebroken inlening na 36 maanden had moeten worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De door de werknemer verzochte verklaring wordt toegewezen en bepaald wordt dat hij na ommekomst van de termijn van 36 maanden, dus vanaf 18 juni 2021, werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij AH en dat de cao voor de medewerkers van Logistiek van Albert Heijn van toepassing is.
Let op! Er wordt nog gewerkt aan een wetsvoorstel waarin geregeld wordt dat er een maximale termijn van 36 maanden gaat gelden voor inleners. Na afloop van die termijn zou de inlener een aanbod moeten doen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan de uitzendkracht. De rechtspraak loopt hiermee dus op de invoering van het wetsvoorstel vooruit.
Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, WPM.
Voor bedrijven tot 250 werknemers wordt de rapportageverplichting hoogstwaarschijnlijk afgeschaft. Nadat de Tweede Kamer daar op 15 april 2025 een motie over aannam, werd het voornemen tot afschaffing op 20 november 2025 aangekondigd. Daarna werd op 2 februari 2026 het besluit met de afschaffing ter internetconsultatie aangeboden.
De afschaffing wordt voorgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Als het voorstel doorgaat betekent dit dat bedrijven tot 250 werknemers over het jaar 2026 geen rapportageverplichting meer hebben.
Over het jaar 2025 moeten zij, als ze minimaal 100 werknemers hebben, echter nog wel rapporteren. Deze rapportage moet uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.
Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01