De greentimerregeling houdt een verlaagd bijtellingspercentage van 14% over de cataloguswaarde van oudere elektrische auto’s in. Het gaat daarbij om elektrische auto’s in de leeftijd van 5 tot 8 jaar. Meer details zijn over deze voorgenomen regeling op dit moment nog niet bekend, behalve dat het plan is om deze in 2029 in te voeren.
Staatssecretaris Bertram van Infrastructuur en Waterstaat liet in een brief van 21 september 2026 weten dat er gewerkt wordt aan een inkomensafhankelijke inruilregeling. Na demontage van een geschikte, oudere fossiele auto zou dan eenmalig een uitkering volgen voor de aankoop van een tweedehands elektrisch voertuig (EV) of voor een maandelijkse korting op het leasebedrag van een tweedehands EV.
Deze regeling gaat uitgevoerd worden door RVO, in samenwerking met de Belastingdienst en de RDW.
Let op! Meer details van deze regeling zijn op dit moment nog niet bekend. Het doel was om de regeling eind september 2026 ter consultatie aan te bieden. De regeling zou daarna zo snel mogelijk opengesteld gaan worden, bij voorkeur nog in het laatste kwartaal van 2026. Het is nog even afwachten of die datum gehaald gaat worden.
De youngtimerregeling geldt zowel in inkomstenbelasting (voor ondernemer in de inkomstenbelasting) als in de loonbelasting (voor de werknemer en de dga). De tekst hierna is op beiden van toepassing.
Als je auto van de zaak onder de youngtimerregeling valt, bedraagt de bijtelling 35% van de waarde in het economische verkeer (WEV). Valt je auto van de zaak niet onder de youngtimerregeling en is de datum van eerste toelating van deze auto vóór 2017? Dan bedraagt de bijtelling 25% van de cataloguswaarde. De bijtelling van een auto met een datum van eerste toelating vanaf 2017 bedraagt 22% van de cataloguswaarde.
Let op! Als je auto geen CO2 uitstoot, gelden er nog kortingspercentages op de bijtelling. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.
Vanwege het verschil in bijtelling, kan het gunstig zijn als je auto onder de youngtimerregeling valt. In 2026 valt je auto onder de youngtimerregeling als:
Let op! In het laatste geval mag je, in de periode dat de auto nog geen 16 jaar is, kiezen tussen de bijtelling van de youngtimerregeling (35% van de WEV) of de gewone bijtelling (25% van de cataloguswaarde eventueel met een kortingspercentage als de auto geen CO2 uitstoot).
Vanaf 2027 zou de leeftijdsgrens in een keer verhoogd worden naar 25 jaar. In de belastingplannen voor 2027 is echter het voorstel gedaan om de leeftijdsgrens per 1 januari 2027 niet naar 25 jaar maar naar 17 jaar te verhogen en vanaf 1 januari 2028 naar 20 jaar. Vanaf 2028 blijft de leeftijdsgrens dan ook 20 jaar. Er is ook overgangsrecht voorgesteld voor auto’s die in de loop van 2027 17 jaar worden.
Als deze plannen door de Tweede en Eerste Kamer ongewijzigd worden aangenomen, valt je auto onder de youngtimerregeling als:
Let op! In 2027 is er geen keuze meer. De auto die in 2025 al aan jou ter beschikking stond en die in 2027 de leeftijd van 17 jaar bereikt, valt dus zonder meer het hele jaar onder de youngtimerregeling. Waar je in 2026 nog kan kiezen, is deze keuze in 2027 niet mogelijk.
Als de voorstellen ongewijzigd door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, valt je auto in 2028 alleen nog onder de youngtimerregeling als de auto op 1 januari 2028 de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt. Dat betekent dat de youngtimerregeling per 1 januari 2028 vervalt voor alle auto’s die in de loop van 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar overschrijden, maar nog niet die van 20 jaar.
Voor die auto’s geldt dan de normale bijtelling van 25% van de cataloguswaarde. In 2028 geldt, volgens de huidige regels, ook geen kortingspercentage meer als je auto geen CO2 uitstoot.
Vanaf het moment dat je auto de leeftijd van 20 jaar bereikt, valt je auto dan weer onder de youngtimerregeling.
Let op! Heb je een youngtimer of ben je van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met de voorgestelde wijzigingen.
Wordt aan een werknemer een auto van de zaak ter beschikking gesteld. Dan geldt in principe op jaarbasis een bijtelling van 22% over de cataloguswaarde van de auto.
Stoot de auto van de zaak geen CO2 uit? Dan geldt een korting op het bijtellingspercentage tot een bepaald bedrag van de cataloguswaarde. Hoe hoog die korting is, is afhankelijk van het jaar waarin de auto op kenteken is gezet.
Voor in 2026 op kenteken gezette auto’s bedraagt de korting 4% tot een cataloguswaarde van € 30.000. Betreft het een auto op waterstof op zonnecellen dan is de korting 4% over de gehele cataloguswaarde.
De bijtelling kan achterwege blijven als de werknemer in een jaar aantoonbaar in totaal niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Die 500 kilometer geldt voor alle in de loop van een jaar ter beschikking gestelde auto’s tezamen.
Wisselt de werknemer in het jaar dus van auto en rijdt hij met de nieuwe auto geen privékilometers meer? Dan moet nog steeds een bijtelling plaatsvinden als hij met de oude auto op jaarbasis al meer dan 500 kilometer privé reed.
Voorbeeld
Een werknemer rijdt in een auto met een cataloguswaarde van € 50.000. De auto stoot CO2 uit, dus er geldt geen korting op de bijtelling. De werknemer krijgt per 1 september 2026 een nieuwe auto met een cataloguswaarde van € 60.000. Ook deze auto stoot CO2 uit. Met de oude auto reed de werknemer tot 1 september 2026 2.000 kilometers privé. Met de nieuwe auto rijdt de werknemer geen kilometer meer privé. Desondanks moet zowel voor de oude auto als voor de nieuwe auto in 2026 een bijtelling van 22% plaatsvinden. Op jaarbasis rijdt de werknemer immers meer dan 500 kilometer privé. Rijdt de werknemer in 2027 aantoonbaar niet meer dan 500 kilometer privé, dan geldt vanaf 2027 geen bijtelling meer.
Let op! Als de werknemer in de eerste auto niet privé rijdt, maar in de nieuwe auto wel (op jaarbasis meer dan 500 kilometer), moet met terugwerkende kracht alsnog bijtelling plaatsvinden over de eerste auto.
Wisselt de werknemer uit het voorbeeld op 1 september 2026 van werkgever en krijgt hij van de nieuwe werkgever een auto ter beschikking waar hij niet privé mee rijdt? Dan geldt voor de nieuwe auto geen bijtelling.
Een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto of een verklaring geen privégebruik auto zorgen niet voor een andere uitkomst. Stel dat de werknemer uit het voorbeeld bij dezelfde werkgever blijft en per 1 september 2026 wisselt naar een bestelauto met een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. Over de bestelauto geldt dan in 2026 nog een bijtelling als de werknemer in de personenauto op jaarbasis meer dan 500 kilometer privé heeft gereden.
Ook als de werknemer wisselt naar een personenauto met een verklaring geen privégebruik auto, moet een bijtelling plaatsvinden als de werknemer niet aannemelijk kan maken dat hij met de eerdere auto op jaarbasis maximaal 500 kilometer privé reed.
Let op! ergis je niet in het aannemelijk maken. Hiervoor geldt een zware bewijslast. Zorg daarom dat je een correcte sluitende kilometeradministratie hebt. Heb je daar vragen over? Neem dan contact op met een van onze adviseurs.
In reactie op een verzoekschrift heeft het kabinet aangegeven de regeling niet aan te passen. Het kabinet wil vasthouden aan de eenvoudige benadering waarbij alleen van belang is of er meer dan 500 kilometer op jaarbasis privé is gereden.
Het kabinet heeft de gedachte om een nieuwe bijtellingskorting te introduceren voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Deze regeling zou de naam Greentimerregeling moeten krijgen. Het idee van deze regeling is dat de elektrische auto’s langer aan werknemers ter beschikking worden gesteld dan de huidige vijf jaar. Na afloop van deze verlengde terbeschikkingstelling, is de auto goedkoper. In tegenstelling tot nu heeft de auto dan wel de juiste prijs voor de Nederlandse tweedehandsmarkt voor particulieren.
Het kabinet heeft onderzoek laten doen naar de greentimerregeling op basis van een verlaagd bijtellingspercentage van 14-15% over de oorspronkelijke cataloguswaarde. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de greentimerregeling met name interessant is voor de huidige gebruikers van de youngtimerregeling.
Let op! Het kabinet besluit in augustus of en zo ja wanneer, de greentimerregeling wordt ingevoerd. Dit zal mede afhangen van het besluit over de aanpassingen in de youngtimerregeling.
Het Formule E-team (met daarin onder andere BOVAG, RAI, ANWB, Natuur en Milieu, VER en VNA) heeft het kabinet ook nog over een aantal andere maatregelen geadviseerd. Deze maatregelen worden richting de zomer 2026 verder uitgedacht en doorgerekend. Daarna moet nog een politieke weging en besluitvorming hierover plaatsvinden.
Het zou dan gaan om een tijdelijke subsidie voor particulieren ten bate van de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Het subsidiebedrag zou vergelijkbaar zijn met de eerdere subsidieregeling: ongeveer 2.000 euro per auto.
Een variant op de subsidieregeling is een regeling die bij de sloop van een oudere fossiele brandstofauto een slooppremie oplevert. Die slooppremie zou dan alleen gebruikt kunnen worden voor de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Het idee is om de regeling toe te spitsen op de lagere (midden-) inkomens.
Een ander advies is de herintroductie van een verlaagd energiebelastingtarief voor publieke AC-laadpalen tot 50.000 kWh. Dit was er ook in de jaren tot en met 2023. Het is wel de vraag hoe snel dit kan worden ingevoerd. De Belastingdienst geeft aan dit uitvoeringstechnisch pas per 1 januari 2030 te kunnen. Daarnaast moet hier goedkeuring voor komen van den Europese Commissie.
Een auto van de zaak die onder de youngtimerregeling valt kent een bijtelling van 35% van de waarde in het economische verkeer, in plaats van de reguliere bijtelling die geldt voor jongere auto’s.
Let op! Voor auto’s van vóór 1 januari 2017 die niet onder de youngtimerregeling vallen, bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde. Stoot zo’n auto geen CO2 uit, dan is het bijtellingspercentage in 2026 21%.
Of een auto van de zaak onder de youngtimerregeling valt is afhankelijk van het moment waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. In 2025 viel een auto van de zaak die vijftien jaar of langer geleden voor het eerst in gebruik was genomen onder de youngtimerregeling. In 2026 bedraagt deze leeftijdsgrens zestien jaar en vanaf 2027 zelfs vijfentwintig jaar.
Let op! Auto’s die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking waren gesteld en die in 2025 vijftien jaar maar nog geen zestien jaar oud zijn geworden, kunnen in 2026 het hele jaar onder de youngtimerregeling vallen. Dus ook in de periode dat ze nog geen zestien jaar zijn. Dit is geregeld in overgangsrecht.
De verhoging van de leeftijdsgrens naar vijfentwintig jaar per 2027, betekent dat veel auto’s ineens van een bijtelling van 35% van de waarde in het economische verkeer naar 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde gaan.
De Tweede Kamer schrok toch wel van deze gevolgen van deze wijziging en nam daarom een motie aan. Naar aanleiding van deze motie heeft het kabinet de volgende vier opties voor een ander afbouwpad uitgewerkt.
Let op! Of er een ander afbouwpad komt en zo ja welke, wordt in augustus 2026 door het kabinet besloten. Dit besluit zal onder meer afhangen van andere te nemen besluiten en de budgettaire dekking.
In de door de Tweede Kamer aangenomen motie werd de suggestie gedaan om het bijtellingspercentage van 35% te verhogen. Dit zou dan de budgettaire dekking kunnen zijn van het andere afbouwpad.
Het kabinet wil de 35% echter niet zonder nader onderzoek verhogen omdat het de vraag is of de bijtelling dan nog het werkelijke privévoordeel benadert.
Let op! Het kabinet kiest nu dus niet voor een verhoging van de 35%. Het kabinet gaat nader onderzoek doen of de huidige bijtellingspercentages het werkelijke privévoordeel voldoende benaderen. In het voorjaar 2027 worden de resultaten van dit onderzoek met de Tweede Kamer gedeeld.
Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.
Let op!Deze heffing geldt ook voor de dga die een fossiele personenauto van de zaak rijdt. Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet door de heffing geraakt worden, maar mogelijk krijgt hij wel te maken met de pseudo-eindheffing voor zijn personeel.
Voorwaarden voor de pseudo-eindheffing zijn dat de werkgever:
Let op! Auto’s die geen personenauto zijn, bijvoorbeeld bestelbusjes, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Datzelfde geldt voor volledig elektrische en waterstof aangedreven personenauto’s.
Ook personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Uitsluitend zakelijk gebruik zal echter niet snel voorkomen, omdat het woon-werkverkeer voor de pseudo-eindheffing niet zakelijk, maar privé is.
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet voor die ene of enkele dag(en), maar voor de hele maand!
De praktijk heeft overlegd met het Ministerie van Financiën over knelpunten in de pseudo-eindheffing. Voor een aantal hiervan heeft de staatssecretaris aanpassingen aangekondigd:
Let op! Bij de evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 zal beoordeeld worden of deze aanpassingen effectief en nog nodig zijn.
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.
De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude fossiele brandstofauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de vorige werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht, omdat de auto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld.
Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto.
Let op! Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de auto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld.
De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, wel een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig, dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.
Tot slot heeft de staatssecretaris nog uitleg gegeven over berekening van de pseudo-eindheffing als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land. In dat geval mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing.
Als een auto van de zaak ter beschikking staat, moet bij privégebruik van meer dan 500 kilometer per jaar een percentage van de cataloguswaarde bij het loon/inkomen worden geteld. Over deze bijtelling betaalt de berijder loonbelasting of belasting in box 1. In bovengenoemde zaak was sprake van een verdubbeling van dit percentage als gevolg van een wetswijziging begin 2020.
Auto’s zonder CO2-uitstoot, meestal elektrische auto’s, krijgen al jaren een korting op het standaard bijtellingspercentage. Dit was om milieuvriendelijk autorijden te bevorderen. Om oversubsidiëring te voorkomen, is deze korting in de loop der jaren geleidelijk afgebouwd.
Let op! De korting bedraagt voor auto’s die in 2026 voor het eerst tot de weg worden of zijn toegelaten 4% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000. Dit betekent een bijtelling van 18% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere.
In 2019 bedroeg de korting nog 18% (en de bijtelling 4%) over een cataloguswaarde tot en met € 50.000. Via een wetswijziging werd vanaf 1 januari 2020 de korting verlaagd naar 14% en daarmee de bijtelling verhoogd naar 8% tot en met een cataloguswaarde van € 45.000. Een werknemer die in 2019 al een elektrische auto bestelde welke pas in 2020 aan hem ter beschikking werd gesteld, was van mening dat deze plotselinge forse verhoging in strijd was met Europees recht en stapte naar de rechter.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de wetgever bij de verlaging van de korting voorbij was gegaan aan de belangen van de werknemer. Er was geen sprake meer van ‘fair balance’ en daarom strijd met Europees recht. De rechtbank verhoogde voor deze werknemer daarom de korting naar 18% (de korting die in 2019 gold).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in hoger beroep echter dat de wetgever de wetswijziging goed had overdacht en ook voldoende rekening had gehouden met de gevolgen. Uit de parlementaire behandeling bleek ook volgens het gerechtshof dat daarbij wel degelijk aandacht was besteed aan de positie van onder andere de belanghebbende, waarvoor al in 2019 een elektrische auto besteld was die pas in 2020 geleverd werd. Gevolg is dat de werknemer niet de korting van 18% (korting 2019) maar van 14% (korting 2020) moet toepassen. De verdubbeling van de bijtelling van 4% naar 8% blijft dus in stand.
Let op! De bijtelling zou eventueel nog verlaagd kunnen worden als sprake is van een individuele en buitensporige last bij de werknemers. Daar is niet snel sprake van. Zo ook niet in het geval van de werknemer waar de extra heffing over (ten hoogste) € 76 plaatsvond.
Met ingang van 1 januari 2027 bedraagt de bijtelling voor privégebruik van een auto die 25 jaar (en langer) geleden voor het eerst in gebruik is genomen, 35% van de waarde in het economisch verkeer. Alle jongere auto’s vallen onder de gewone bijtellingsregels. Tot en met 2025 lag de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling nog op 15 jaar, in 2026 ligt deze leeftijdsgrens op 16 jaar.
In verband met deze wijzigingen, is het wellicht fiscaal aantrekkelijker om de youngtimer niet langer zakelijk te rijden. Maar kunt u de youngtimer zonder meer overbrengen naar privé?
Rijdt u de youngtimer vanuit uw onderneming in de inkomstenbelasting (IB-onderneming), bijvoorbeeld vanuit uw eenmanszaak, en heeft u de auto als ondernemingsvermogen geëtiketteerd? Dan kun je de auto niet zonder meer overbrengen naar privé. Zo’n keuzeherziening is alleen toegestaan bij bijzondere omstandigheden.
Gelukkig heeft de Belastingdienst laten weten dat de wetswijziging waarbij de leeftijdsgrens wordt verhoogd naar 25 jaar zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn. Je moet dan wel aannemelijk maken dat je de auto bij aanschaf niet als ondernemingsvermogen had geëtiketteerd als de leeftijdsgrens toen ook al op 25 jaar had gelegen. Dat aannemelijk maken zal over het algemeen niet zo moeilijk zijn.
Let op! Het bovenstaande is alleen van toepassing als de auto keuzevermogen vormt. Is de auto verplicht ondernemingsvermogen, dan kunt u deze niet etiketteren als privévermogen. Neem voor meer informatie over uw eigen situatie contact op met onze adviseurs.
Is de youngtimer vanuit uw bv aan u ter beschikking gesteld? Dan kunt u de youngtimer naar privé overbrengen door deze tegen de waarde in het economisch verkeer in privé te kopen. In tegenstelling tot de situatie bij een IB-onderneming- heeft u hiervoor geen bijzondere omstandigheden nodig.
Wellicht is het verstandig om nog even te wachten met een definitief besluit over het overbrengen van de youngtimer naar privé. De Tweede kamer heeft de regering namelijk verzocht om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden en niet in één keer. Dit zou dan wel gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economisch verkeer.
Let op! Het is op dit moment nog niet bekend of en zo ja hoe, de regering aan het verzoek tegemoet komt.
Met ingang van 2026 is de youngtimerregeling gewijzigd. In 2026 bedraagt daardoor de bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen 35% van de waarde in het economisch verkeer. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.
Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.
Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder was, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto mag heel 2026 nog uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.
Met ingang van 1 januari 2027 gaat, onder de huidige wettelijke regels, de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in een keer naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.
De Tweede kamer meent dat de korte overgangsperiode in de huidige youngtimerregeling voor onbedoelde neveneffecten zorgt voor verkopers en gebruikers van youngtimers. De Tweede Kamer vindt dan ook dat de regering moet afzien van de verhoging van de leeftijdsgrens in een keer naar 25 jaar met ingang van 1 januari 2027.
De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden. Dit zou dan gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economische verkeer.
De Tweede Kamer doet ook het verzoek om een e-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto's die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd.
Betaalt een werknemer voor het privégebruik van de auto een bedrag aan de werkgever, dan is dit bedrag aftrekbaar van de bijtelling. Voorwaarde is dat dit wel van tevoren moet zijn afgesproken. Dat geldt ook als een hogere bijdrage wordt betaald, omdat de werknemer over een duurdere auto kan beschikken. Ook dan moet duidelijk zijn dat de hogere bijdrage betaald wordt voor privégebruik.
Tip! Leg dergelijke afspraken altijd schriftelijk vast, dat voorkomt discussie met de inspecteur.
Bij betalingen aan derden is het uitgangspunt dat alleen intermediaire kosten onder voorwaarden in aftrek op de bijtelling kunnen komen. Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voor zijn werkgever maakt. Denk hierbij aan bijvoorbeeld brandstofkosten, tolkosten, kosten van een wasstraat, parkeerkosten of reparatiekosten.
Deze intermediaire kosten komen alleen op de bijtelling in mindering onder de volgende voorwaarden:
Werkgevers kunnen er ook voor kiezen om intermediaire kosten belastingvrij te vergoeden. In dat geval is aftrek van de bijtelling niet meer mogelijk.
Tip! In een speciale Handreiking heeft de Belastingdienst de mogelijkheden en voorwaarden hierover op een rij gezet.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01