HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Verdeling inkomen en aftrek

Inkomens- en aftrekposten die je onderling mag verdelen zijn:

Let op! In je aangifte kun je voor de verdeling kiezen die voor jullie het gunstigst is.

Tot wanneer wijzigen verdeling?

De wijziging van de verdeling tussen partners kan nog plaatsvinden zolang de aanslagen van de belastingplichtige en zijn partner nog niet onherroepelijk vaststaan. Als je geen bezwaar maakt tegen de definitieve aanslag, staat deze zes weken na de dagtekening onherroepelijk vast. De aanslag staat nog niet onherroepelijk vast, als je tijdig bezwaar of beroep hebt ingesteld en dit nog loopt of er nog geen zes weken verstreken zijn na de uitspraak op bezwaar/beroep.

Let op! Procedeer je door tot aan de Hoge Raad, dan staat je definitieve aanslag na de uitspraak van de Hoge Raad meteen onherroepelijk vast. In dit geval geldt een uitzondering en kunt je daarna nog binnen zes weken verzoeken om wijziging van de verdeling.

Ook wijziging verdeling bij navordering

In geval van een navorderingsaanslag vond de Belastingdienst tot voor kort dat wijziging van de verdeling alleen betrekking kon hebben op inkomen en/of aftrekposten die waren nagevorderd. Alle andere onderdelen uit de al onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen IB konden volgens de Belastingdienst niet opnieuw worden verdeeld. De Hoge Raad was het hier niet mee eens en oordeelde dat de wijziging van de verdeling niet beperkt is tot de inkomensbestanddelen waarop de navordering betrekking heeft.

Geen wijziging verdeling vanwege toeslagen of bij verrekenbare verliezen

In twee andere uitspraken is beslist dat de beperking van de verdeling tot het moment van onherroepelijk vaststaan van de definitieve aanslagen, niet anders wordt vanwege gemiste toeslagen of verliesverrekening. 

Het ging hierbij in een zaak voor rechtbank Gelderland om toeslagen waarop geen recht bestond, omdat te veel vermogen was toegerekend aan een partner. Daardoor werd de vermogensgrens voor de toeslagen overschreden. Dat dit voor de belastingplichtige pas duidelijk werd na vaststelling van het bedrag aan toeslagen, maakte niet dat alsnog verzocht kon worden om een andere verdeling.

In de andere zaak besliste de Hoge Raad dat het verloren gaan van heffingskortingen nadat achterwaartse verliesverrekening was toegepast, eveneens geen reden was de termijn waarbinnen opnieuw verdeeld kan worden te verlengen.

Uitzondering na uitspraak massaalbezwaarprocedure kerstarrest

De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat je nog opnieuw kunt verdelen na de collectieve uitspraak in de massaalbezwaarprocedure van het kerstarrest.

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. 

De Hoge Raad oordeelde dat in zo’n situatie nog wel gekozen kan worden voor een andere verdeling van het box 3-inkomen als dat verzoek gedaan wordt binnen zes weken na de beschikking van de Belastingdienst met de nieuwe berekeningen.

 

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst, maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.

 

Keuze: ondernemingsvermogen of privévermogen?

De opbrengst van de liquide middelen die tot je ondernemingsvermogen horen behoort tot de winst en wordt belast in box 1. Private liquide middelen behoren daarentegen tot het privévermogen en worden belast in box 3. Je mag in beginsel zelf kiezen of je liquide middelen in je onderneming als ondernemings- of als privévermogen aanmerkt. In bepaalde gevallen kunnen de liquide middelen echter verplicht tot het privévermogen horen. Dat is het geval als de liquide middelen duurzaam overtollig zijn in je onderneming.

Duurzaam overtollig of niet?

In een geschil dat speelde voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een deel van de als ondernemingsvermogen aangegeven liquide middelen als ‘duurzaam overtollig’ moest worden aangemerkt. De Belastingdienst vond van wel. De Belastingdienst vond dat dit deel dus niet als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt. De ondernemer had een bedrag van ruim € 450.000 aan liquide middelen als ondernemingsvermogen opgegeven, maar de Belastingdienst accepteerde dit maar voor een bedrag van € 165.000. Het verschil van ruim € 285.000 was duurzaam overtollig en diende in box 3 belast te worden. 

Bewijslast bij Belastingdienst

De bewijslast dat liquide middelen duurzaam overtollig zijn, ligt bij de Belastingdienst. Voor de rechtbank diende de Belastingdienst daarom de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen.

Geringe omzet

De Belastingdienst voerde om te beginnen aan dat sprake was van een eenmanszaak van geringe omvang met slechts een beperkte omzet van € 6.298 in het voorgaande jaar en € 7.855 in het jaar zelf. Die omzet zou naar verwachting in de toekomst niet veel stijgen.

Investering laat op zich wachten

De Belastingdienst voegde hieraan toe dat niet aannemelijk was dat er op korte termijn extra liquide middelen nodig waren voor een investering in kantoorruimte, zoals de ondernemer beweerde. Een niet door de verkoper ondertekende koopovereenkomst voor een kavel grond was daarvoor onvoldoende. Tekenend was bovendien dat ten tijde van de procedure voor de rechtbank in 2026 de kantoorruimte nog steeds niet was gerealiseerd, zodat niet aannemelijk was dat hiervoor in 2020 liquide middelen gereserveerd dienden te worden.

Parallel met 2018

De ondernemer had in 2018 ook over de omvang van zijn ondernemingsvermogen geprocedeerd. Daarbij was toen een bedrag van € 165.000 aan ondernemingsvermogen door het gerechtshof geaccepteerd. Dit bedrag diende als dekking voor de fiscale oudedagsreserve en als reservering voor een aan te schaffen bedrijfsauto en zonnepanelen. 

Rechtbank laat correctie in stand

Uit bovenstaande feiten leidde de rechtbank af dat de Belastingdienst in de bewijslast was geslaagd dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen. De Belastingdienst had daarom terecht een deel van het aangegeven ondernemingsvermogen als duurzaam overtollig aangemerkt en overgeheveld naar box 3. De correctie bleef dan ook in stand. 

Let op! Of de liquide middelen in jouw onderneming in de inkomstenbelasting duurzaam overtollig zijn of niet, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in jouw situatie. Zorg er in ieder geval voor dat je kunt onderbouwen waarom de liquide middelen in je onderneming nodig zijn. Op die manier wordt het voor de Belastingdienst lastiger om aan de bewijslast te voldoen dat sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen.

Op 25 juni 2026 besliste de Hoge Raad al dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op rechtsherstel box 3 voor de jaren 2017-2020. In de collectieve beslissing komt de Belastingdienst tot dezelfde conclusie.

Kerstarrest en rechtsherstel

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Daarna kreeg elke belastingplichtige van wie de aanslag inkomstenbelasting (IB) op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, rechtsherstel volgens een in juli 2022 ingevoerde Herstelwet.

Niet-bezwaarmakers

Dit gold niet voor belastingplichtigen van wie de aanslag IB op 24 december 2021 wel al onherroepelijk vaststond. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, werd de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd.

MB+-procedure

In de MB+-procedure stond de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3, toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NOB, RB en SRA) meenden dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening was gehouden. Daar ging de MB+-procedure over.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad sprak op 25 juni 2026 uit geen reden te zien om terug te komen op de uitspraak van mei 2022, ook niet op basis van de argumenten die eerder nog niet aan de orde waren gekomen. Dit betekent dat de Hoge Raad bij zijn standpunt is gebleven dat niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 hebben.

Collectieve beslissing

Op 17 juli 2026 heeft de Belastingdienst, in overeenstemming met het oordeel van de Hoge Raad, alle verzoeken in de MB+-procedure afgewezen en alle bezwaren ongegrond verklaard.

Let op! Tegen deze collectieve beslissing kan geen beroep in worden gesteld.

Wat betekent dit voor jouw aanslagen IB?

Stonden ook jouw aanslagen IB 2017-2020 op 24 december 2021 onherroepelijk vast en diende je daarna een verzoek om ambtshalve vermindering in? Dan zijn deze verzoeken onderdeel van de MB+-procedure. Deze verzoeken zijn door de Belastingdienst met de collectieve beslissing van 17 juli 2026 afgewezen. Je krijgt daarom definitief geen teruggaaf box 3 over deze jaren.

Ook geen beroep op D-day arrest

Dit betekent ook dat je voor de jaren geen beroep kunt doen op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-day-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten van het werkelijke rendement. Als deze MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan. 

Box 3 of box 1: normaal of meer dan normaal vermogensbeheer

Een pand in privé-eigendom valt in principe in box 3. Voorwaarde is wel dat met betrekking tot het pand sprake is van normaal vermogensbeheer. Is sprake van meer dan normaal vermogensbeheer, dan valt het pand in box 1. Daar wordt het dan belast als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.

Geen harde grens

Rechtbank Den Haag gaf aan dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of de activiteiten of werkzaamheden dusdanig zijn dat de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. De rechtbank stelde dat deze beoordeling in principe per pand moet plaatsvinden. Voor de vraag of vervolgens sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zal daarna een beoordeling van alle activiteiten voor alle panden in box 1 moeten plaatsvinden.

Beoordeling per pand

In de casus die voorlag bij de rechtbank, oordeelde de rechtbank dat de Belastingdienst voor vier panden aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden voor deze panden bestonden uit veel meer dan bijvoorbeeld het verbouwen van een keuken of een badkamer. Deze werkzaamheden kwalificeerden volgens de rechtbank als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschreed. Het ging daarbij om:

Deze panden vielen volgens de rechtbank in box 1, voor de andere panden gold dat niet. Die werden belast in box 3.

De rechtbank volgde het standpunt van de belanghebbende dat als de panden in box 1 vielen, er sprake was van winst uit onderneming en niet van resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank volgde dit standpunt omdat dit voor de belanghebbende gunstiger was in verband met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Let op! Zoals de rechtbank al aangaf, is er geen harde grens tussen box 3 en box 1 en is een en ander afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg over je eigen panden daarom met onze adviseurs.

Andere partnerverdeling box 3

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan.

Let op! Een aanslag staat onherroepelijk vast als de definitieve aanslag is opgelegd en er geen tijdig bezwaar of beroep meer loopt.

Verliesverrekening

In een casus die voorlag bij de Hoge Raad stonden de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vast. Een van de partners leed in 2018 een ondernemersverlies dat verrekend werd met de aanslag IB 2015. De partners wilden daarna box 3 anders tussen elkaar verdelen. De reden was dat met die andere verdeling de heffingskortingen volledig benut konden worden.

Hoge Raad: geen nieuwe verdeling mogelijk

De Belastingdienst stond de andere verdeling niet toe omdat de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vaststonden. De rechtbank was het daar mee eens, maar het gerechtshof niet.

Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever niet voorzien en gewild had dat de heffingskortingen niet volledig benut konden worden. Het gerechtshof verminderde daarom de aanslag van een van de partners.

De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Naar het oordeel van de Hoge Raad doet zich hier niet een bijzondere omstandigheid voor die de wetgever niet heeft voorzien en gewild. Na de achterwaartse verliesverrekening was dan ook geen nieuwe verdeling van box 3 mogelijk omdat de aanslagen al onherroepelijk vaststonden.

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan. 

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort. 

Opties wijzigingen wetsvoorstel 

Het leek erop dat er in de Eerste Kamer geen meerderheid zou komen voor het wetsvoorstel. De Minister van Financiën liet eind februari 2026 al weten dat hij het wetsvoorstel daarom wilde aanpassen. In een Kamerbrief van 19 juni 2026 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens laten weten de volgende opties te overwegen voor wijziging van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3: 

Let op! In augustus 2026 beslist het kabinet over deze opties. Een en ander zal mede afhangen van de budgettaire dekking en voorstellen op andere wetsvoorstellen/wetten waarover nog beslist moet worden. Op Prinsjesdag 2026 zal in een novelle op het wetsvoorstel een en ander bekendgemaakt worden. 

Uitstel stemming in Eerste Kamer 

De novelle wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze moet de novelle daarna nog behandelen en daarover stemmen. 

De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 daarom uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten. 

Nog geen volledige vermogenswinstbelasting 

Vooralsnog lijkt het erop dat het kabinet er nog niet voor kiest om per 2028 al een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen te introduceren. Het plan daarvoor blijft wel bestaan, maar het kabinet heeft aangegeven meer tijd daarvoor nodig te hebben. 

Moties Eerste Kamer

Tijdens het debat op 30 juni 2026 in de Eerste Kamer zijn nog wel de volgende moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om:

Let op! De Eerste Kamer stemt op dinsdag 7 juli 2026 over deze moties, die overigens allemaal door de staatssecretaris ontraden worden.

Waarde in het economische verkeer 

De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de waarde in het economische verkeer bij van vorderingen en schulden normaal gesproken gelijk is aan de nominale waarde hiervan, als sprake is van zakelijke condities. 

Contante waarde bij vaste rente 

Betreft het een vordering of schuld met een vaste rente? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de vaste rente. 

Goedkeuring Belastingdienst 

Het berekenen van de waarde in het economische verkeer is administratief bewerkelijk. Bovendien geven banken altijd de nominale waardes door aan de Belastingdienst. Om die reden keurt de Belastingdienst goed dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van de waarde in het economische verkeer. 

Voorwaarden goedkeuring 

Deze goedkeuring geldt alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Dit betekent dat je de nominale waarde gebruikt voor de berekening van het forfaitair rendement maar ook voor de berekening van het werkelijke rendement volgens de tegenbewijsregeling box 3. 

Let op!De goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028.

Kerstarrest 

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. 

Om uitvoering te geven aan het rechtsherstel, voerde de wetgever voor de jaren 2017 tot en met 2022 de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: Herstelwet) in. Elke belastingplichtige van wie de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, kreeg rechtsherstel volgens deze Herstelwet. 

Dit gold niet voor belastingplichtigen van wie de aanslag IB op 24 december 2021 wel al onherroepelijk vaststond. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, is de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd. 

MB+-procedure 

De uitspraak van de Hoge Raad van 25 juni 2026 is gedaan in twee proefprocedures die onderdeel zijn van die MB+-procedure. In de MB+-procedure stond de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement. 

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NOB, RB en SRA) meenden dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening was gehouden. Daar ging de MB+-procedure over. 

Uitspraak Hoge Raad 

De Hoge Raad heeft uitgesproken geen reden te zien om terug te komen op de uitspraak van mei 2022, ook niet op basis van de argumenten die eerder nog niet aan de orde waren gekomen. De Hoge Raad is van oordeel dat er ook geen sprake is van discriminatie ten opzichte van belastingplichtigen die wel op tijd bezwaar maakten. Ook het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn niet geschonden, aldus de Hoge Raad. 

Dit betekent dat de Hoge Raad bij zijn standpunt blijft dat niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 hebben. 

Wat betekent dit voor jouw aanslagen IB? 

De twee uitspraken van 25 juni 2026 zijn niet alleen van belang voor de betreffende belastingplichtigen, maar voor elke belastingplichtigen die is aangesloten bij de MB+-procedure. 

Stonden ook jouw aanslagen IB op 24 december 2021 onherroepelijk vast en diende je daarna een verzoek om ambtshalve vermindering in? Dan zijn deze verzoeken onderdeel van de MB+-procedure. De Hoge Raad heeft daarover op 25 juni 2026 beslist dat deze verzoeken niet gehonoreerd hoeven te worden. Je krijgt daarom definitief geen teruggaaf box 3 over deze jaren. 

Let op! Dit betekent ook dat je voor die jaren geen beroep kunt doen op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-dag-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het Kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. Als deze MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan. 

Legitieme portie

Een kind kan na het overlijden van een ouder recht hebben op een legitieme portie, ook als de ouder het kind onterfd heeft. Het kind moet die legitieme portie dan wel opeisen. Als een kind zijn legitieme portie opeist, komt de waarde van deze legitieme portie in mindering op de tussen de erfgenamen te verdelen nalatenschap.

Nog niet opgeëiste legitieme portie

Maar wat nu als de legitieme portie nog niet is opgeëist? Mag je dan als erfgenaam bij de berekening van het box 3-vermogen er rekening mee houden dat de legitieme portie misschien nog zal worden opgeëist? De Belastingdienst vindt van niet. Er is dan namelijk nog geen opeisbare schuld van de erfgenamen aan het onterfde kind.

Later opgeëiste legitieme portie

En als de legitieme portie later wordt opgeëist, bijvoorbeeld na drie jaar als de nalatenschap al is verdeeld? Mogen de erfgenamen dan met terugwerkende kracht daar rekening mee houden in box 3? De Belastingdienst vindt dat vanaf het moment dat het onterfde kind de legitieme portie heeft opgeëist, deze als schuld in box 3 meetelt bij de erfgenamen. De erfgenamen kunnen echter niet met terugwerkende kracht ook rekening houden met deze schuld in eerder jaren.

Let op! Voor het onterfde kind geldt ook dat de legitieme portie meetelt in box 3 vanaf het moment dat hij deze heeft opgeëist.

Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram