HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Identiteit verifiëren

Verrichters van cryptodiensten moeten de identiteit van hun klanten verifiëren. Ook de woonplaats van de klant moet worden vastgesteld. Dit mag onder andere met behulp van de zogenaamde eigen verklaring.

Transacties

De gegevens die aan de Belastingdienst verstrekt moeten worden, hebben voornamelijk betrekking op de identiteit van de klanten en op de verrichte transacties. Bij de identiteit gaat het onder meer om de naw-gegevens en het bsn-nummer. De transactiegegevens moeten vergaand worden gespecificeerd, zodat per transactie is te achterhalen wat de omvang ervan was en of deze al dan niet winstgevend is geweest.

Let op! De cryptodienstverleners moeten deze gegevens vanaf 1 januari 2026 bijhouden en uiterlijk 31 januari 2027 aan de Belastingdienst doorgeven.

Onderlinge uitwisseling

De EU-lid staten zullen de opgevraagde gegevens onderling uitwisselen, zodat het ontgaan van belastingheffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Een Europese organisatie zorgt voor uitwisseling van de gegevens met landen die niet tot de EU behoren, voor zover er met deze landen een verdrag aanwezig is. 

Informatieplicht

Aanbieders van cryptodiensten zijn verplicht hun klanten te informeren over de door hen aan de Belastingdienst verstrekte gegevens. Met betrekking tot het jaar 2026 moet dat uiterlijk op 31 januari 2027.

Let op! Vermogen in de vorm van cryptovaluta valt in de regel in box 3, tenzij het vermogen behoort tot het vermogen van een onderneming. Door de nieuwe wet krijgt de Belastingdienst dan ook meer grip op vermogen dat is belegd in cryptovaluta zoals de bitcoin, en wordt belastingontduiking tegengegaan.

MB+-procedure

Het advies van de AG is gegeven in twee proefprocedures die onderdeel zijn van de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure). In de MB+-procedure staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NBA, NOB, RB en SRA) menen dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening is gehouden. Daar gaat de MB+-procedure over.

Vier proefprocedures

In de MB+-procedure zijn proefprocedures gevoerd voor vier rechtbanken. De rechtbanken hebben inmiddels allemaal de Hoge Raad gevolgd. De groep niet (of te laat) bezwaarmakers heeft dus ook volgens de rechtbanken geen recht op berekening van het box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 op basis van werkelijk rendement.

Advies AG

Twee procedures zijn inmiddels in behandeling bij de Hoge Raad. Een AG heeft hierover op 8 mei 2026 advies uitgebracht aan de Hoge Raad. Het advies is om niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 te geven.

Let op! Het is niet gezegd dat de Hoge Raad dit advies van de AG opvolgt. Het wachten is daarom op het oordeel van de Hoge Raad. Wanneer de Hoge Raad zich hierover uitspreekt, is nog niet bekend. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoef je geen nadere actie te ondernemen.

MB+-procedure

In de MB+-procedure staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NBA, NOB, RB en SRA) menen dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening is gehouden. Daar gaat de MB+-procedure over.

Let op!In de brief die u ontvangt van de Belastingdienst staat dat uw bezwaar te laat was en dat u daarom onder de MB+-procedure valt.

Vier proefprocedures

In de MB+-procedure zijn proefprocedures gevoerd voor vier rechtbanken. De rechtbanken hebben inmiddels allemaal de Hoge Raad gevolgd. De groep niet (of te laat)-bezwaarmakers heeft dus ook volgens de rechtbanken geen recht op berekening van het box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 op basis van werkelijk rendement.

Let op!Twee procedures zijn inmiddels in behandeling bij de Hoge Raad. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoeft u geen nadere actie te ondernemen.

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3

In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement horen.

Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en startups en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op! De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie startup en scale-up

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in startups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is een definitie opgenomen van een startup en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op! Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een startup of scale-up te zijn in de definitie mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25 procent in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!Bij de RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een startup of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties

In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. 
Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2.

Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op! De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek

Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de startups en scale-ups te financieren wordt de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie

Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

 

Kerstarrest

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechter was daarna niet meer mogelijk.

Andere verdeling box 3-inkomen partners

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet was het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.

De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst stond dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast waren komen te staan.

Oordeel Hoge Raad

Op 27 maart 2026 gaf de Hoge Raad antwoord op door rechtbank Den Haag gestelde vragen over deze situatie. De Hoge Raad antwoordde dat de belastingplichtige in zo’n situatie samen met zijn fiscale partner nog wel kan kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen.

De belastingplichtige en zijn fiscale partner hebben daar, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet onbeperkt de tijd voor. Dit moet namelijk binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de aanslag verminderde als gevolg van het toegepast rechtsherstel.

Voorbeeld
De Belastingdienst deed op 4 februari 2022 de collectieve uitspraak op bezwaar. De aangifte inkomstenbelasting 2019 werd door de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 bij beschikking verminderd als gevolg van het toegepaste rechtsherstel. U kon daarna nog binnen zes weken na 20 juli 2022 samen met uw fiscale partner verzoeken om aan andere verdeling van het box 3-inkomen.

Waarde in het economische verkeer

Uw verpachte gronden in box 3 moet u in uw aangifte IB aangeven tegen de waarde in het economische verkeer. Om de berekening hiervan te vereenvoudigen heeft de Belastingdienst uitgangspunten en normen voor het jaar 2025 gepubliceerd. Met behulp hiervan kunt u de waarde berekenen.

Let op!U bent niet verplicht om gebruik te maken van deze uitgangspunten en normen. U kunt de waarde ook vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. U moet dit dan wel onderbouwen.

Alleen voor gras – of akkerland

De uitganspunten en normen kunnen alleen gebruikt worden voor verpachte gronden die in gebruik zijn als gras- of akkerland. Voor alle andere gebruikstoepassingen moet u de waarde vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor tuinland, glastuinbouw en bollenland.

Let op! Kijk in de brochure van de Belastingdienst voor meer soorten grond waarvoor u de uitgangspunten en normen niet kunt toepassen. Hier vindt u ook de andere voorwaarden en de wijze waarop u de waarde moet berekenen.

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.

Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer

In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.

Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:

Let op!Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.

Reactie staatssecretaris

De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.

Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:

  1. Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
  2. Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.

Verbetering definitie startende ondernemingen

In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.

Let op! Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn. 

Forfaitair rendement

Bij het vaststellen van uw rendement in box 3 wordt in beginsel uitgegaan van forfaitaire rendementen. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2025 bedraagt dit forfait voor banktegoeden 1,37%, voor schulden 2,70% en voor overige bezittingen 5,88%.

Voor groene beleggingen geldt in 2025 een vrijstelling van € 26.312. Heeft u een fiscale partner, dan bedraagt de vrijstelling voor u gezamenlijk € 52.624.

De forfaits en de vrijstellingen worden berekend over de waarde op 1 januari 2025, verminderd met eventuele vrijstellingen. Vanwege de peildatum 1 januari 2025 hoeft u in uw aangifte IB 2025 geen rekening te houden met in de loop van 2025 verkregen of gekochte groene beleggingen. Deze tellen dus niet mee voor de berekening van box 3 op basis van het forfaitaire rendement.

Of werkelijk rendement?

Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u ook in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement.

De Belastingdienst laat weten dat u ook voor de berekening van uw werkelijke rendement 2025 geen rekening hoeft te houden met groene beleggingen die u in de loop van 2025 kocht of verkreeg.

Let op! Het beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is. 

Forfaits box 3 2025

De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden worden altijd pas na afloop van het jaar vastgesteld. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2025 gedurende 2025 rekende de Belastingdienst daarom met voorlopige forfaits. Voor banktegoeden bedroeg dit voorlopige forfait 1,44%. Dit forfait is nu voor 2025 definitief bepaald op 1,37%. Voor schulden rekende de Belastingdienst bij de voorlopige aanslag met het voorlopige forfait van 2,61%. Het definitieve forfait is nu vastgesteld op 2,70%.

Let op!Het definitieve forfait voor overige bezittingen was al langer bekend. Dit bedraagt voor 2025 5,88%.

Tegenbewijsregeling

Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement. Dit beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is. 

Let op!Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als u deze nog niet te gelde heeft gemaakt.

Forfaits box 3 2026

De voorlopige en definitieve forfaits voor 2026 zijn overigens ook al bekend. Voor banktegoeden is dit forfait voorlopig vastgesteld op 1,28%, voor schulden voorlopig op 2,70% en voor overige bezittingen definitief op 6,00%. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2026 rekent de Belastingdienst in het jaar 2026 met deze forfaits.

Let op! Is uw werkelijke rendement in 2026 lager dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2026 ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling.

Als de Eerste Kamer op een later moment ook instemt met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, wordt vanaf 2028 in box 3 het werkelijke rendement op uw vermogen belast.

Gerealiseerd rendement

Het werkelijke rendement betreft de zogenaamde reguliere voordelen, bijvoorbeeld de rente op bank- en spaarrekeningen, dividenden op beleggingen en huuropbrengsten. Onder het werkelijke rendement vallen echter ook verkoopwinsten en -verliezen op beleggingen en overige bezittingen.

Ook ongerealiseerd rendement

Naast gerealiseerde rendementen tellen ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw werkelijke rendement vanaf 2028. Voor deze bezittingen geldt een zogenaamde vermogensaanwasbelasting.

Bij uitzondering vermogenswinstbelasting

Voor onroerende zaken omvat het werkelijke rendement – naast het directe rendement zoals de huuropbrengst – ook gerealiseerde winsten of verliezen, bijvoorbeeld door verkoop van de onroerende zaak. U hoeft bij onroerende zaken vanaf 2028 echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw werkelijke rendement te rekenen. Voor onroerende zaken geldt namelijk als uitzondering een vermogenswinstbelasting. Zo’n zelfde uitzondering geldt voor aandelen in start-ups en scale-ups.

Let op!De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht gegeven om een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven uit te werken en te bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel.

Vastgoedbijtelling

Voor onroerende zaken die minder dan 90% van het jaar verhuurd worden, geldt een zogenaamde vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde, als dit hoger is dan de werkelijke huurinkomsten. Dit betekent dat ook als de onroerende zaak in het geheel niet verhuurd wordt, bijvoorbeeld een vakantiewoning voor eigen gebruik, er toch altijd een rendement van 3,35% van de WOZ-waarde in aanmerking moet worden genomen.

Let op!De vastgoedbijtelling ligt onder het vergrootglas van de Tweede Kamer. Zo heeft de Tweede Kamer de regering verzocht het vastgoedbijtellingspercentage waar mogelijk voor 1 januari 2028 al te actualiseren, een aanvullend onderzoek te doen naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en een verkenning te doen naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Kostenaftrek

Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u vanaf 2028 rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aan- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhouds- en andere periodieke kosten van uw onroerende zaken.

Tarief

Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.

Let op! Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 aan negatief rendement is dus niet verrekenbaar.

Verschil huidig box 3-stelsel

In het huidige box 3-stelsel wordt nog een forfaitair rendement – onderverdeeld in bank- en spaartegoeden, schulden en overige bezittingen – belast. Als uw werkelijke rendement lager is, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling. In het nieuwe stelsel vanaf 2028 wordt in box 3 alleen nog het werkelijke rendement belast.

De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt, wijkt ook af van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 onder de tegenbewijsregeling berekend wordt.

Vanaf 2028?

Voorwaarde om de beoogde ingangsdatum van het nieuwe box 3-stelsel te halen, was dat de Tweede Kamer uiterlijk 15 maart 2026 zou instemmen. Dat is gelukt. Houd er wel rekening mee dat de Eerste Kamer dus ook nog in moet stemmen. Hiervoor is op dit moment nog geen uiterste datum bekend.

Wijziging naar volledige vermogenswinstbelasting

Het nieuwe box 3-stelsel vanaf 2028 is omstreden. De Tweede Kamer stemde met tegenzin in, met name vanwege de vermogensaanwasbelasting. Ook de nieuwe coalitie heeft in het coalitieakkoord opgenomen dat zij het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting willen omvormen naar een vermogenswinstbelasting. 

De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht meegegeven om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties. Naast deze opdracht gaf de Tweede Kamer de regering nog andere opdrachten mee over verschillende onderdelen van het nieuwe box 3-stelsel.

Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram