HLB logo
Vacatures
Contact
Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors

Onrust en onduidelijkheid

Sinds het vervallen van het zogenaamde handhavingsmoratorium is er veel onrust en onduidelijkheid over de vraag of je als zelfstandige kunt werken. De huidige wet en de invulling in de jurisprudentie (onder meer het Deliveroo- en het Uber-arrest) bieden zeker de mogelijkheid om als zelfstandige te werken. Veel opdrachtgevers willen echter geen risico lopen en sluiten zelfstandigen (onnodig) uit.

Zelfstandigenwet

Daarom introduceert het kabinet binnenkort het wetsvoorstel Zelfstandigenwet. Hiermee zou meer duidelijkheid moeten komen voor zelfstandigen en opdrachtgever. Bovendien moet de wet schijnzelfstandigheid tegengaan.

Uitgangspunten

De uitgangspunten in de nieuwe wet worden onafhankelijkheid van de zelfstandige, het dragen van ondernemersrisico’s door de zelfstandige en de vrijheid van de zelfstandige om zelf het werk te organiseren. Hiervoor worden in de wet twee toetsen opgenomen met een beperkt aantal concrete criteria:

Vervolg

De inhoud van de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets wordt eind september 2026 in een internetconsultatie voorgelegd. Iedereen die dat wil kan daarop dan reageren. Het kabinet streeft er naar om het wetsvoorstel daarna zo spoedig mogelijk voor te leggen bij de Raad van State. De Tweede en Eerste Kamer kunnen het wetsvoorstel dan in 2027 in behandeling nemen.

Beschermingsbewind

Een werknemer kan onder bewind worden gesteld wanneer hij of zij door lichamelijke of geestelijke problemen, verkwisting of problematische schulden niet in staat is om de eigen financiën te beheren. Dit geldt overigens niet alleen voor werknemers maar voor alle meerderjarigen. We spreken dan van beschermingsbewind.

Loon onder bewind gestelde werknemer betaalt aan werknemer

In een procedure bij een rechtbank had een werkgever het loon over de periode dat een nieuwe werknemer bij hem had gewerkt, van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024, aan de werknemer betaald. De werknemer was echter op 2 juni 2022 onder bewind gesteld. De betaling had daarom moeten plaatsvinden aan de bewindvoerder.

Loonvordering bewindvoerder

De bewindvoerder sommeerde de werkgever schriftelijk op 11 februari 2026 om het ten onrechte aan de werknemer betaalde bedrag alsnog aan haar te betalen. Als de werkgever hier niet toe zou overgaan, volgde een procedure bij de rechter. De bewindvoerder voerde aan dat de werkgever niet bevrijdend had betaald, omdat hij niet aan de bewindvoerder had betaald. De werkgever voerde aan dat hij niet wist dat de werknemer onder bewind was gesteld en dat de werknemer zelf had aangegeven dat het loon aan hem moest worden uitbetaald.

Door rechtbank toegewezen

De zaak kwam bij de rechtbank voor. De rechter oordeelde dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de werknemer maar aan de bewindvoerder. De werkgever had dus niet-bevrijdend betaald aan de werknemer. Dat de werkgever dit niet wist deed niet terzake. De rechtbank stelde dat de werkgever had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond omdat dit ingeschreven is in een openbaar register.

Let op! De bewindvoerder vorderde een brutobedrag aan loon, maar kreeg van de rechtbank een nettobedrag omdat de werknemer ook een nettobedrag aan loon had ontvangen. De bewindvoerder is immers niet verplicht tot het afdragen van de werkgeverspremies en andere werkgeversverplichtingen.

Controleer het curatele- en bewindregister

 Een werkgever doet er goed aan altijd het curatele- en bewindregister te raadplegen. Aan de hand van de achternaam en de geboortedatum kan de werkgever eenvoudig achterhalen of de werknemer in het register ingeschreven staat.

Betrek bewindvoerder ook bij beëindigen arbeidsovereenkomst

Al eerder is uitgemaakt dat een onder bewind gestelde werknemer niet bevoegd is in een ontbindingsprocedure op te treden. De bewindvoerder geldt als formele procespartij.  Wordt de bewindvoerder niet betrokken dan volgt een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 
Ook bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst met een onder bewind gestelde werknemer is medewerking nodig van de bewindvoerder.

Vordering op werknemer vanwege niet aflossen personeelslening

Bij een kantonrechter en in hoger beroep een gerechtshof speelde de volgende casus. Een werkgever had aan een werknemer een geldlening verstrekt van € 50.000 tegen een rente van 7% op jaarbasis. Bedragen die de werknemer niet tijdig afloste, mocht de werkgever inhouden op het eerstvolgende loon van de werknemer.

De geldlening was nog niet volledig terugbetaald toen de arbeidsovereenkomst met de werknemer eindigde. De werknemer betaalde nadien niets meer. De werkgever zag zich daarom genoodzaakt bij de rechter een bedrag van bijna € 52.000 te vorderen van de ex-werknemer.

Kantonrechter wijst vordering af

De kantonrechter stelde de werkgever niet in het gelijk. De door de werkgever verstrekte lening moest namelijk worden aangemerkt als een consumentenkrediet. Dit betekende dat de werkgever een informatieverplichting had ten opzichte van de werknemer. Bovendien had de werkgever een kredietwaardigheidstoets moeten uitvoeren.

Nu de werkgever niet kon laten zien dat voldaan was aan de informatieverplichting en de kredietwaardigheidstoets, wees de kantonrechter de vordering van de werkgever af.

Ook gerechtshof wijst vordering af

De werkgever liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in bij het gerechtshof. Volgens de werkgever was geen sprake van een consumentenkrediet, omdat de lening niet als kredietgever maar als werkgever in het kader van de arbeidsovereenkomst was verstrekt.

Het gerechtshof oordeel dat een overeenkomst van consumentenkrediet een wettelijk gereguleerde overeenkomst is. Daarbij verleent een kredietgever aan een consument krediet of zegt dit toe in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere soortgelijke betalingsfaciliteit.

Het gerechtshof was van oordeel dat de door de werkgever verstrekte lening binnen deze definitie viel. Het maakte niet uit dat de werkgever niet alleen de geldverstrekker, maar ook de werkgever was.

Is er een escape?

Er is wel een escape. De regels die betrekking hebben op het verstrekken van consumentenkrediet zijn namelijk niet van toepassing als:

Let op! De werkgever die procedeerde bij de kantonrechter en het gerechtshof kon zich hier niet op beroepen omdat de rente van 7% marktconform was.

Wees alert bij verstrekken van personeelsleningen

Wees dus alert bij het verstrekken van personeelsleningen. Het risico bestaat dat de lening wordt aangemerkt als een consumentenkrediet. In dat geval moet je vóór het verstrekken van de lening voldoen aan een informatieverplichting en een kredietwaardigheidstoets uitvoeren. Laat je daarom goed informeren door een deskundige of jouw personeelslening mogelijk een consumentenkrediet is.

Duits pensioen

Een inwoner van Nederland woonde en werkte meer dan 17 jaar in Duitsland. Hij was gedurende die tijd verplicht verzekerd voor de Deutsche Rentenversicherung (een Duits pensioen). Van de premies die hij voor dit Duitse pensioen betaalde was 45 procent aftrekbaar in Duitsland.

Volledig belast?

In 2018 woonde hij het hele jaar in Nederland en ontving hij uitkeringen uit het Duitse pensioen. De Belastingdienst belaste het volledige bedrag van de uitkeringen.

Of slechts ten dele?

De belastingplichtige vond dat niet terecht en stelde dat Nederland slechts mocht heffen over 45% van de uitkeringen, omdat destijds ook maar 45% van de premies aftrekbaar was in Duitsland. Het gerechtshof volgde hem in dit standpunt en belaste alleen 45% van de uitkeringen en de andere 55% niet.

Hoge Raad: slechts belast voor zover aftrek

De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. De uitkeringen waren dus slecht belast voor zover de premies aftrekbaar waren geweest.

Voordeel slimme tachograaf 

Een tachograaf houdt de rij- en rusttijden van de chauffeur bij, evenals de snelheid en de afgelegde afstand. Een slimme tachograaf houdt daarnaast automatisch bij of de grens wordt gepasseerd. Het voordeel hiervan is dat de chauffeur dan niet meer handmatig de landcode hoeft te wijzigen. 

Verplichte slimme tachograaf tot 1 juli 2026 

De slimme tachograaf was tot 1 juli 2026 al verplicht voor bussen en touringcars die meer dan acht personen vervoeren (zonder de bestuurder mee te rekenen). Ook was de slimme tachograaf al verplicht voor vrachtwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kilo.  

Let op! De maximummassa is het eigen gewicht van het voertuig plus het maximale laadvermogen. 

Uitbreiding vanaf 1 juli 2026 

Vanaf 1 juli 2026 is het verplichte gebruik van slimme tachografen uitgebreid. De slimme tachograaf geldt vanaf die datum ook voor onder andere bestelbussen en auto’s met een aanhangwagen. Het voertuig moet een toegestane maximummassa tussen 2.501 en 3.500 kilo hebben en er moet in het buitenland goederen mee vervoerd worden of er moet sprake zijn van cabotagevervoer. Cabotagevervoer betekent dat je bedrijf in Nederland is gevestigd, maar dat met je bedrijfsvoertuig in een ander EU-land goederen of mensen vervoerd worden. 

Tip! De toegestane maximummassa staat vermeld op het kentekenbewijs. 

Vrijstellingen verplichte tachograaf 

Er geldt ook een aantal vrijstellingen van de tachograafplicht, bijvoorbeeld voor campers en kampeerwagens met een toegestane maximummassa tot en met 7.500 gram. 

Ook vrijgesteld zijn voertuigen voor het vervoeren van apparatuur door professionals, zoals het gereedschap van een loodgieter. Hiervoor geldt als voorwaarde dat het voertuig maximaal twaalf uur per week (op basis van een werkweek van 40 uur) mag worden gebruikt en alleen in een straal van 100 kilometer rondom de vestiging van het bedrijf. 

Let op! De slimme tachograafplicht geldt alleen als met het voertuig ook goederen worden vervoerd in het buitenland. De bestelbus of auto met aanhangwagen van de loodgieter die alleen in Nederland goederen vervoerd hoeft dus geen slimme tachograaf te hebben, ook niet als de loodgieter meer dan twaalf uur per week van het voertuig gebruik maakt. 

Verder zijn vrijgesteld volledig elektrische voertuigen en voertuigen met waterstofbrandstofcel die een toegestane maximummassa tussen de 3.501 en 4.250 kilogram hebben en binnen 100 kilometer van de vestigingsplaats en binnen Nederland blijven. 

Voertuigen tussen de 2.501 en 3.500 kilo die alleen voor de onderneming of de bestuurder worden gebruikt, zijn ook vrijgesteld. Als extra voorwaarde geldt dan dat het vervoeren van producten niet het hoofddoel van de onderneming of bestuurder mag zijn. 

Let op! Op de site van de ILT tref je ook een overzicht aan van alle nationale en internationale vrijstellingen inzake de tachograafplicht. 

Controle door ILT 

De controle op de slimme tachograaf wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Bij overtreding van de regels of wanneer geen slimme tachograaf is geïnstalleerd kunnen boetes volgen en kan de vervoersvergunning worden ingetrokken.  

Betaalperiode beperkt 

In een zaak die speelde voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, was in de betreffende situatie in Groningen het voldoen van parkeerbelasting beperkt tot een periode van maximaal twee uur. Langer parkeren was toegestaan, maar dan moest er opnieuw actie worden ondernomen om parkeerbelasting te betalen. 

Parkeerduur niet beperkt, dus naheffing terecht 

Omdat de parkeerduur in deze zaak niet was beperkt tot twee uur, maar er na die periode opnieuw een parkeerticket kon worden gekocht, was volgens het gerechtshof de naheffing parkeerbelasting terecht. De parkeerder die langer dan twee uur stond, had immers niet betaald voor de verschuldigde belasting die voldaan had moeten worden. 

Afwijkend wanneer parkeerduur beperkt is 

Het gerechtshof merkte op dat de betreffende situatie afwijkt van die waarin de parkeerduur is beperkt. Belanghebbende had in dat verband tevergeefs verwezen naar een arrest van de Hoge Raad, waarin de Hoge Raad besliste dat dan geen naheffing kan volgen. In die zaak had een automobilist in Hilversum voor de maximale parkeerduur van één uur parkeerbelasting betaald, maar na dat ene uur zijn auto gewoon laten staan. De naheffing parkeerbelasting was in die casus onterecht, omdat er na het uur door hem helemaal niet meer geparkeerd mocht worden op de betreffende parkeerplaats. Er hoefde dus voor die periode ook geen parkeerbelasting betaald te worden. 

Parkeerboete als alternatief 

Staat een auto geparkeerd op een plaats waar deze auto niet meer mág parkeren omdat de maximale parkeerduur is overtreden, dan kan de gemeente dus geen naheffingsaanslag parkeerbelasting opleggen. De gemeente kan echter wel een parkeerboete opleggen. Dat kan zelfs als het technisch wel mogelijk is om voor een langere periode te betalen. Het ‘teveel’ betaalde wordt dan dus niet automatisch beschouwd als betaalde parkeerbelasting voor een periode waarin helemaal niet meer geparkeerd had mogen worden. 

Praktische oplossing 

Parkeercontroleurs die een naheffing parkeerbelasting op mogen leggen, mogen niet altijd ook een boete opleggen als wordt geparkeerd terwijl dat niet meer is toegestaan. Gemeentes dienen in die gevallen na te denken over hoe dan toch adequaat kan worden opgetreden tegen te lang parkeren. Uiteraard kan een wel bevoegde collega worden opgetrommeld, of net als tegenwoordig in Hilversum met een scanauto eerst de overtreding vastgelegd worden, waarna men vervolgens handmatig de juiste sanctie oplegt. Uiteraard kan men ook, net als in de casus in Groningen, parkeerders verplichten regelmatig een nieuw parkeerkaartje te kopen. 

Parkeerbelasting alleen te voldoen bij aanvang 

In een ander zaak besliste gerechtshof Amsterdam overigens anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof besliste dat de parkeerder in die zaak de belasting voor opvolgende tijdvakken (na de maximumperiode van een uur die in die zaak gold) niet kon voldoen. In de Gemeentewet en in de Verordening was namelijk opgenomen dat de parkeerbelasting uitsluitend kon worden voldaan bij aanvang van het parkeren. 

Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM) 

Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, WPM. 

Afschaffing voor bedrijven tot 250 werknemers 

Voor bedrijven tot 250 werknemers wordt de rapportageverplichting hoogstwaarschijnlijk afgeschaft. Nadat de Tweede Kamer daar op 15 april 2025 een motie over aannam, werd het voornemen tot afschaffing op 20 november 2025 aangekondigd. Daarna werd op 2 februari 2026 het besluit met de afschaffing ter internetconsultatie aangeboden.  

Nog niet voor rapportage 2025 

De afschaffing wordt voorgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Als het voorstel doorgaat betekent dit dat bedrijven tot 250 werknemers over het jaar 2026 geen rapportageverplichting meer hebben. 

Over het jaar 2025 moeten zij, als ze minimaal 100 werknemers hebben, echter nog wel rapporteren. Deze rapportage moet uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn. 

Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl

Reduced Dutch truck toll

Starting July 1, 2026, truck owners will pay a toll per kilometer driven on nearly all highways and a number of other roads (the Dutch truck toll). The amount of the toll depends, among other things, on CO2 emissions and averages €0,191 per kilometer. Due to the reduction, the truck toll will average €0,148 per kilometer. The reduction will be in effect from September 1, 2026, through December 31, 2026.

Let op! The government intends to use this measure to compensate the transportation sector for the sharp rise in fuel prices resulting from the conflict in the Middle East. The reduction amounts to a tax relief of €80 million.

Inspections

Starting July 1, 2026, the Road Transport Agency (RDW) will check whether you are paying the truck toll. This will be done at fixed locations, for example using cameras above the road, but also with mobile devices.

Please note!Enforcement is largely carried out by the RDW, but partly by the Human Environment and Transport Inspectorate (ILT) and the Central Judicial Collection Agency (CJIB). The Truck Toll Enforcement Plan sets out how the government monitors compliance with the truck toll.

Fines for Not Having a Toll Box

Business owners can expect hefty fines if they fail to pay the truck toll in full or in part. The truck toll is recorded and collected electronically. Business owners who have not signed a contract with a provider for a toll box can expect a fine of €800. Until January 1, 2027, there is still some leniency, and this fine amounts to €400.

Please note! If you haven’t yet signed a contract with a provider for a toll box, be sure to do so before May 31, 2026, so you have enough time to receive and install the device before July 1, 2026.

Fines for errors with toll boxes

Fixed fines also apply for errors with the toll boxes that record the truck toll. If the toll box is turned off, not working (properly), or if you are driving with a toll box that belongs to another truck, the fine is €500. Here too, some leniency applies until January 1, 2027, with a lower fine of €250.

Please note! You can receive a maximum of one fine within a 24-hour period. If there is more than one violation, only the highest fine amount will be imposed.

Verlaagde vrachtwagenheffing

Via de vrachtwagenheffing betalen eigenaren van vrachtwagens vanaf 1 juli 2026 op bijna alle snelwegen en een aantal andere wegen een heffing per gereden kilometer. De omvang van de heffing hangt onder meer af van de CO2-uitstoot en bedraagt gemiddeld € 0,191 per kilometer. Door de verlaging gaat de vrachtwagenheffing gemiddeld €0,148 per kilometer bedragen. De verlaging gaat gelden vanaf 1 september 2026 tot en met 31 december 2026.

Let op! Op deze manier wil het kabinet de transportsector compenseren voor de sterk gestegen brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. De verlaging komt neer op een lastenverlichting van € 80 miljoen.

Controles

De Dienst wegverkeer (RDW) gaat vanaf 1 juli 2026 controleren of je wel vrachtwagenheffing betaalt. Dat gebeurt op vaste plekken, door bijvoorbeeld camera’s boven de weg, maar ook met veplaatsbare apparaten.

Let op! De handhaving gebeurt grotendeels door de RDW, maar voor een deel door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). In het Handhavingsplan vrachtwagenheffing is vastgelegd hoe de overheid op naleving van de vrachtwagenheffing controleert.

Boetes bij geen tolkastje

Ondernemers kunnen rekenen op forse boetes als ze de vrachtwagenheffing geheel of deels niet betalen. De vrachtwagenheffing wordt elektronisch geregistreerd en geïnd. Ondernemers die geen contract met een aanbieder hebben afgesloten voor een tolkastje, kunnen rekenen op een boete van € 800. Tot 1 januari 2027 is er nog enige coulance en bedraagt deze boete € 400.

Let op! Heb je nog geen contract afgesloten met een aanbieder voor tolkastjes? Doe dat dan alsnog vóór 31 mei 2026 zodat je voldoende tijd hebt om vóór 1 juli 2026 het kastje te ontvangen en te installeren.

Boetes bij fouten met tolkastjes

Ook bij fouten met de tolkastjes die de vrachtwagenheffing registreren, gelden vaste boetes. Staat het tolkastje uit, werkt het niet (goed) of rijd je met een tolkastje dat bij een andere vrachtwagen hoort, dan bedraagt de boete € 500. Ook hier geldt tot 1 januari 2027 nog enige coulance door een lagere boete van € 250.

Let op! Je kunt binnen 24 uur maximaal één boete krijgen. Is sprake van meer dan één overtreding, dan wordt alleen het hoogste boetebedrag opgelegd.

Increase of 1.90%

The indexation of the statutory minimum hourly wage is based on the average percentage change in contractual wages across the private sector, the subsidized and premium-supported sectors, and the public sector. In total, the statutory minimum hourly wage will increase by 1.90% as of July 1, 2026, compared to January 1, 2026. This brings it to €14.99.

Please note! As a result, the reference monthly wage will increase to €2,337 gross per month as of July 1, 2026. This reference monthly wage is used to determine the amount and indexation of various benefits.

Statutory minimum youth wages also rising

The statutory minimum youth wages are a percentage of the statutory minimum hourly wage that applies to everyone aged 21 and older. Due to the indexation of the statutory minimum hourly wage, the minimum youth wages will also increase as of July 1, 2026.

Age Percentage Minimum hourly wage
 21 years and older  100%  € 14.99
 20 years  80 %  € 11.99
 19 years  60 %  € 8.99
 18 years  50 %  € 7.50
 17 years  39.5 %  € 5.92
 16 years  34.5 %  € 5.17
 15 years  30 %   € 4.50

Please note! The percentage for employees aged 16 through 20 will increase effective January 1, 2027. For a 20-year-old, this will then be 87.5%, for a 19-year-old 75%, for an 18-year-old 62.5%, for a 17-year-old 50%, and for a 16-year-old 40%. For a 15-year-old, the percentage will remain at 30%.

Minimum youth wage for BBL students also increases

BBL students (students in a vocational training program with an employment contract) aged 15 through 17 and 21 and older are entitled to the minimum hourly wage as stated above. For BBL students aged 18 through 20, lower rates apply.

Age Percentage Minimum hourly wage
20 years  61.5%  € 9.22
 19 years  52.5%  € 7.87
 18 years  45.5%  € 6.82

Please note! Effective January 1, 2027, there will no longer be any lower rates for BBL students aged 18 through 20. BBL students in this age group will therefore be entitled to the standard minimum youth wage.

Heeft u zich al ingeschreven voor onze nieuwsbrief?
Inschrijven →

© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01

linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram