Om de positie van platformwerkers te verbeteren, is in 2024 een Europese richtlijn vastgesteld. Bij platformwerk gaat het om werk dat via een digitaal arbeidsplatform wordt georganiseerd, waarbij de contractvorm (werknemer of zelfstandige) niet van belang is. Een digitaal platform is een dienstverlener die via elektronische middelen werk organiseert, opdrachten verdeelt en gebruikmaakt van geautomatiseerde monitorings- of besluitvormingssystemen. Voorbeelden hiervan zijn Uber en Temper.
De richtlijn beoogt de arbeidsomstandigheden en de bescherming van persoonsgegevens bij platformwerk te verbeteren door:
De richtlijn wordt zo precies mogelijk overgenomen in het wetsvoorstel Wet platformwerk.
Om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken, regelt het wetsvoorstel onder meer de introductie van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor personen die platformwerk verrichten. Hiervan is sprake als aan tenminste twee van de vijf criteria wordt voldaan:
Platformbedrijven moeten zich straks registreren. Ze worden daarnaast verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid van werkers. Verder moeten ze een rechtsreeks communicatiekanaal openstellen voor contact met werkers. Verder mag een werkende straks niet langer ontslagen worden via de app.
Ook zijn in het wetsvoorstel afspraken gemaakt over het gebruik van algoritmes. Zo krijgen platformwerkers inzage in de wijze waarop algoritmes de prijs van een opdracht bepalen en de klussen verdelen.
Let op!Het wetsvoorstel ligt ter internetconsultatie welke loopt van 29 juni 2026 tot en met 24 augustus 2026.
Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen door de Wet meer zekerheid flexwerkers per 1 januari 2028 meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. Het uitgangspunt wordt dat tijdelijke contracten bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na drie tijdelijke contracten mag er pas na drie jaar weer voor dezelfde werkgever worden gewerkt. Nu is die tussenperiode nog zes maanden. Op die manier wordt beoogd een einde te maken aan draaideurconstructies.
Let op! Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos zes maanden. Daarnaast blijft voor seizoensarbeid een onderbrekingstermijn van drie maanden mogelijk.
Ook mogen als uitgangspunt geen nulurencontracten meer worden overeengekomen. Die moeten vervangen worden door bandbreedte contracten. Het verschil tussen het minimum- en het maximumaantal uren mag maximaal 30% bedragen. Oproepen die boven het maximum zitten mag de werknemer weigeren en bij structureel meer werk moet de werkgever een contract met meer uren aanbieden.
Let op! Voor bijbanen van AOW-gerechtigden, scholieren en studenten met een andere hoofdactiviteit geldt een uitzondering.
Uitzendkrachten moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit onderdeel treedt eerder in werking, namelijk op 31 december 2026.
De wet betreft een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is de tweede wet van het arbeidsmarktpakket die is aangenomen. Eerder is de wet Invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief al aangenomen.
De wet en het toelatingsstelsel gaan op 1 januari 2027 in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten zich in beginsel vóór die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) melden. Bedrijven die een SNA-keurmerk hebben kunnen later een aanvraag doen.
Let op! De wetsartikelen die nodig zijn voor een goede uitvoering en implementatie van het toelatingsstelsel zijn op 1 juli 2026 als in werking getreden.
De wet richt zich op partijen die arbeidskrachten – dus ook zzp’ers – ter beschikking stellen aan derden (zoals bedoeld in de WAADI). Onder uitleners vallen onder meer:
Let op! Collegiale uitleen, waarbij geen winst wordt gemaakt of in- en uitleen binnen concernverband valt straks niet onder het toelatingsstelsel.
Betreft het bedrijven die in zeer beperkte mate arbeidskrachten ter beschikking stellen, dan kunnen ze om ontheffing verzoeken waarbij de volgende voorwaarden gelden:
Om toegelaten te worden, moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag voor rechtspersonen (VOG RP), moeten zij aantonen dat zij voldoen aan relevante wetgeving (zoals het wettelijk minimumloon) en moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt in eerste instantie een waarborgsom van € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000). Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.
Het toelatingsstelsel treedt op 1 januari 2027 in werking. Alhoewel het aanvraagproces dan in werking treedt, gaat het aanvraagloket later open. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.
Er geldt een overgangsregeling voor bestaande uitleners die zich tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 hebben aangemeld voor die overgangsregeling. Als zij van 1 mei 2027 tot en met 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating doen, kunnen zij personeel blijven uitlenen gedurende de tijd dat de NAU hun aanvraag beoordeelt.
Let op! Uitleners die op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk hebben, hoeven geen aanmelding te doen voor de overgangsregeling. Zij moet wel een aanvraag tot toelating doen.
De uitlener betaalt een eenmalige vergoeding (leges) voor een aanvraag tot toelating of ontheffing aan de NAU, maar daarnaast ook een jaarlijkse vergoeding. De hoogte van de jaarlijkse vergoeding is afhankelijk van de grootte van de uitlener in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de toelating is aangevraagd.
Ook inleners moeten rekening houden met de Wtta. Zij mogen alleen zaken doen met toegelaten uitleners op straffe van een boete. Het uitleen- en inleenverbod treedt pas met ingang van 2028 in werking. Dit geeft uitleners en inleners de tijd hun bedrijfsvoering aan te passen en zich voor te bereiden op de toelatingsplicht.
In 2027 ligt de nadruk op voorlichting en ondersteuning, waarna de formele handhaving door de Nederlandse Arbeidsinspectie start op 1 januari 2028.
Tip! Meer informatie is te vinden op: www.toelatinguitleenmarkt.nl.
Voor een fiets die je aan een werknemer ter beschikking stelt, moet je een bijtelling toepassen van 7% als de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs van de fiets.
De vraag is gesteld of het bijtellingspercentage 7% blijft als je niet een maar meerdere fietsen aan je werknemer ter beschikking stelt. Uit de wijze waarop de bijtelling in de wet is opgenomen zou opgemaakt kunnen worden dat het bijtellingspercentage ook voor elke tweede of volgende fiets 7% is. Lease-a-Bike vermeldt op hun website dat de Belastingdienst dit aan hen heeft bevestigd.
Over de bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets, kun je de fiets ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het ter beschikking stellen van een fiets zal door de Belastingdienst waarschijnlijk wel als gebruikelijk worden aangemerkt, mits het een gebruikelijk exemplaar is. Het is echter de vraag of de Belastingdienst ook een tweede of volgende fiets als gebruikelijk aanmerkt.
Let op! Je kunt uiteraard altijd gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge in de gebruikelijkheidstoets. Als de bijtelling tezamen met andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in een jaar, maximaal € 2.400 per werknemer per jaar bedraagt, neemt de Belastingdienst aan dat dit gebruikelijk is.
In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden.
Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026.
De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking.
Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit.
Bij overgang van een onderneming ging de Belastingdienst ervan uit dat het recht op lkv niet mee over zou gaan naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad oordeelde echter in mei 2024 dat het lkv bij zo’n overgang niet vervalt.
Als in 2025 sprake was van een overgang van de onderneming, dan bleef het recht op lkv dus bestaan, mits ook aan de voorwaarden voor het lkv werd voldaan. Zo moet onder meer de oorspronkelijke doelgroepverklaring geldig zijn in 2025 en moet je die ook in je administratie hebben opgenomen. Je moest in de aangifte loonheffingen 2025 het vinkje aanzetten om het recht te behouden. Was je dit in 2025 vergeten, dan kon je dit nog tot uiterlijk 1 mei 2026 corrigeren.
Was in 2025 sprake van overgang van een onderneming? Controleer dan of dit goed is opgenomen in de beschikking Wtl 2025. De Belastingdienst heeft laten weten dit niet altijd goed in de beschikking Wtl 2025 verwerkt te hebben.
Klopt jouw beschikking niet, kom dan op tijd in bezwaar. Dat geldt uiteraard niet alleen voor fouten bij de overgang van de onderneming, maar ook bij andere fouten.
Let op!Op dit tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de beschikking.
Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je de fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025.
Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.
Iedereen met een aanmerkelijk belang in een bv, bijvoorbeeld een dga met minimaal 5% van de aandelen, is verplicht jaarlijks een gebruikelijk loon uit de bv op te nemen als hij ook werkzaamheden verricht voor de bv. Op dit gebruikelijk loon wordt loonbelasting ingehouden. Het is in de inkomstenbelasting belast in box 1 (met verrekening van de ingehouden loonbelasting) en aftrekbaar voor de bv als loonkosten.
Stel een eenmanszaak wordt omgezet in een bv. Dit gebeurt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, terwijl de oprichtingsakte van de bv per 31 maart 2026 bij de notaris wordt gepasseerd. Vanaf welke datum moet aan de dga dan een gebruikelijk loon worden toegekend? De Belastingdienst heeft bevestigd dat tijdens de voorperiode van de bv, in deze casus van 1 januari 2026 tot 31 maart 2026, geen gebruikelijk loon van toepassing is.
In de voorperiode van de bv bestaat namelijk nog geen dienstbetrekking tussen de dga en de bv omdat de bv juridisch nog niet bestaat. Dit betekent dat er ook nog geen gebruikelijk loon aan de dga kan worden toegerekend.
Let op! De dga geniet gedurende deze periode wel andere inkomsten uit arbeid.
Het niet van toepassing zijn van gebruikelijk loon in de voorperiode is ook al bij het tot stand komen van de gebruikelijkloon wetgeving en door latere rechtspraak bevestigd.
In een besluit heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven dat er bij de dga in de voorperiode wel een aanmerkelijk belang bestaat voor wat betreft het beschikbaar stellen van vermogen aan de bv. De dga heeft namelijk het recht om alle nog uit te geven aandelen in zijn bv te verwerven, terwijl het economische belang van de nog uit te geven aandelen al bij hem ligt. Deze inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogen aan de bv over de voorperiode zijn daarom dus al wel belast in box 2.
Temper is een digitaal platform dat zzp'ers (freelancers) en bedrijven direct met elkaar in contact brengt voor tijdelijk werk, ook wel 'shifts' genoemd. Het richt zich voornamelijk op de horeca, logistiek, retail (detailhandel) en bezorging.
Werkers en opdrachtgevers kunnen via Temper overeenkomsten sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Volgens Temper zijn de werkers kleine ondernemers (zzp’ers) die via het platform zelfstandig opdrachten verwerven. De vakbonden FNV en CNV vinden echter dat sprake is van schijnzelfstandigheid. De werkers zijn in werkelijkheid geen zelfstandigen maar uitzendkrachten van Temper. Ze zijn hierover gaan procederen.
Het gerechtshof in Amsterdam heeft in afwijking van de kantonrechter geoordeeld dat inderdaad sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en de werkers die werkzaamheden verrichten via het onlineplatform.
Het gerechtshof hanteerde daarbij onder meer de volgende argumenten: Temper werft en selecteert werkers, beheert de toegang tot klussen via de app, stelt kwaliteitseisen, kan zo nodig werkers van het platform weren en bepaalt de spelregels van de samenwerking. Denk bij dat laatste aan zaken als: de wijze waarop de beloning wordt bepaald, hoe deze wordt uitgekeerd en de hoogte van de beloning. Het platform kan daarom niet louter worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite, aldus het gerechtshof.
Het gerechtshof concludeerde dat Temper de beschikking over de werkers heeft in de zin van de wet, dat de werkers voor rekening en risico van Temper werken, en dat de overeenkomsten dus kwalificeren als uitzendovereenkomsten. Dat voor de betalingen sprake is van een factoringconstructie doet daar in de ogen van het gerechtshof niet aan af.
Het oordeel van het gerechtshof betekent dat Temper kwalificeert als een uitzendwerkgever. Temper is daarom verplicht de cao voor uitzendkrachten toe te passen op de werkers die via het platform werkzaamheden verrichten.
Dit arrest zal mogelijk nog gevolgen hebben voor en leiden tot individuele claims van werkers, loon- en cao-nabetalingen en de positie van opdrachtgevers.
Let op! Temper heeft aangegeven de uitspraak zorgvuldig te beoordelen en serieus te onderzoeken of ze in cassatie bij de Hoge Raad gaan.
Met het gebruik van inclusiviteitstechnologie kunnen werknemers met een arbeidsbeperking hun toegang tot de arbeidsmarkt verbeteren. Door de subsidie worden de kosten voor de werkgever verlaagd en worden ze gestimuleerd deze technologieën in te zetten.
Let op! Er is ook subsidie beschikbaar voor advisering over het gebruik van de technologie. Per aanvraag mag je van de subsidie hieraan maximaal € 1.000 besteden.
Inclusiviteitstechnologie is op velerlei terreinen beschikbaar. Er bestaat een lijst met technologieën die zijn goedgekeurd voor de verkrijging van de subsidie. Er is ook een document met voorbeelden.
De lijst bevat bijvoorbeeld een technologie waarmee een tablet of smartphone handsfree kan worden bediend en een technologie die de stem versterkt, wanneer dit bij een stemaandoening noodzakelijk is.
Voor de subsidie is € 1 miljoen beschikbaar. Per aanvraag krijg je minimaal € 2.500 tot maximaal € 25.000 subsidie of maximaal de helft van de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.
Let op! De subsidie is alleen beschikbaar voor werkgevers in het mkb met maximaal 250 werknemers en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen.
De subsidie was oorspronkelijk beschikbaar tot 29 mei 2026, maar deze periode is verlengd tot 31 augustus 2026 17.00 uur. Zodoende heb je meer tijd om de mogelijkheden van inclusiviteitstechnologieën binnen je bedrijf na te gaan en de aanvraag goed voor te bereiden. De subsidie vereist onder meer dat je offertes meestuurt van de technologieën die je aan wilt schaffen en dat je omschrijft hoe een technologie je personeel met een arbeidsbeperking helpt.
Let op!Aanvragen kan digitaal met eHerkenning minimaal niveau 3 via de volgende link.
Met name bij arbeidsmigranten is niet altijd even duidelijk of ze het wettelijk minimumloon betaald hebben gekregen. Daarom werkt de regering een wetsvoorstel uit waarmee werknemers straks in die situatie alsnog het minimumloon uitgekeerd krijgen. Ook de bewijslast verschuift dan. De werkgever zal dan moeten bewijzen dat het minimumloon wel is uitbetaald. Nu ligt de bewijslast nog bij de werknemer of de Arbeidsinspectie. Zij moeten op dit moment nog bewijzen dat sprake is van betaling onder het wettelijk minimumloon.
De Arbeidsinspectie is de toezichthouder voor wat betreft de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Bij controles komt het voor dat de werkgever de benodigde gegevens niet kan of wil verstrekken. De Arbeidsinspectie kan dan niet nagaan of het minimumloon is betaald voor de gewerkte uren. De Arbeidsinspectie kan dan wel een boete van maximaal €12.000 per onderzochte werknemer opleggen maar daarmee ontvangen de werknemers nog niet het loon waar ze recht op hebben.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daarom een rechtsvermoeden van onderbetaling in de wet opnemen als er een vermoeden van onderbetaling is. De bewijslast wordt dan omgekeerd waardoor de werkgever moet bewijzen dat niet sprake is van onderbetaling.
De Arbeidsinspectie mag, na invoering van het rechtsvermoeden, een fictieve onderbetaling van het loon berekenen, als het vermoeden bestaat dat werknemers te weinig betaald krijgen en de werkgever niet kan bewijzen dat geen sprake is van onderbetaling. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de werkgever de gevraagde administratie niet wil of kan tonen.
Let op!Genoemd rechtsvermoeden was één van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten. Het aanjaagteam adviseerde ook bij een vermoeden van onderbetaling aan te nemen dat de werknemer gedurende zes maanden voor 36 uur per week tegen een vergoeding van het minimumloon heeft gewerkt.
Verder moet de werkgever straks bij de rechter bewijzen dat het wettelijk minimumloon wel is betaald. Nu ligt deze bewijslast nog bij de werknemer. Bewijslast betekent ook vaak bewijsrisico. Het is lastig voor werknemers om aan te tonen dat er sprake is van onderbetaling. Zeker wanneer de werknemer geen documenten kan laten zien, omdat deze ontbreken. Bovendien speelt de sterke afhankelijkheidspositie die werknemers ten opzichte van hun werkgever hebben een rol. Ze zijn niet snel geneigd om een procedure te starten. Vaak zijn ze ook onbekend met die mogelijkheid. Daar moet dus nu verandering in komen.
Let op!Deze voorstellen zullen in de komende maanden nader uitgewerkt worden in een wetsvoorstel. Daarna toetst de arbeidsinspectie eerst de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en wordt het wetsvoorstel voorgelegd bij de Raad van State. Vervolgens moeten de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel nog behandelen en hierover stemmen.
De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. De bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was, omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe.
Let op! De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank
De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst.
Let op!Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is.
Kan nu iedere dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet.
Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt.
Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden.
Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel, de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022.
Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast.
De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen.
Let op!De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor, en voor de beoordeling van je eigen specifieke situatie contact op met onze adviseurs.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01