Zorgkosten die niet worden gedekt door de verzekering zijn, onder voorwaarden, aftrekbaar van uw inkomen. Niet alle zorgkosten zijn aftrekbaar, ook geldt er een drempel, wat betekent dat u een bepaald deel van uw zorgkosten niet in aftrek kunt brengen. Hoe hoger uw inkomen, hoe hoger ook de drempel. Verder kunt u zorgkosten slechts aftrekken tegen maximaal 37,56% (2026).
Tip! De Belastingdienst heeft alle regels over aftrek zorgkosten handig op een rij gezet.
Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant kwam de vraag aan de orde of een uit Iran gevluchte studente haar zorgkosten kon aftrekken. De studente verbleef heel 2020 in Nederland, maar had pas in juni van dat jaar een zorgverzekering afgesloten. De discussie spitste zich toe op de vraag of ook de zorgkosten die vóór juni 2020 gemaakt waren, aftrekbaar waren.
Cruciaal was de vraag of de studente tot juni 2020 verplicht verzekerd was of niet. Zo kunnen ook rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen onder voorwaarden verzekerd zijn. De rechtbank was van mening dat de bewijslast voor het al dan niet verplicht verzekerd zijn bij de belastingplichtige lag, bij de studente dus.
De studente slaagde er niet in aan te tonen dat ze vóór juni 2020 niet verplicht verzekerd behoorde te zijn. Ze woonde in heel 2020 in Nederland en werd als binnenlandse inwoner aangemerkt. Er waren weliswaar aanwijzingen dat zij mogelijk tot juni 2020 niet verplicht verzekerd was, maar dit vond de rechtbank onvoldoende.
De studente lichtte nog toe dat zij een internationale studente was, gevlucht was uit Iran en dat het daarom voor haar pas mogelijk was om een zorgverzekering af te sluiten toen zij in juni 2020 arbeid ging verrichten. Helaas vielen deze argumenten niet onder de bewijslast dat zij niet verzekerd behoorde te zijn. De aanwijzingen vond de rechtbank dan ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat ze tot die tijd niet verzekeringsplichtig was. De aftrek van de zorgkosten van voor 20 juni 2020 werd dan ook niet toegestaan.
Als je belasting moet betalen, krijg je hierover bericht van de Belastingdienst. Het nieuwe rekeningnummer staat bij het bericht over de te betalen belasting.
Let op! Het nieuwe rekeningnummer heeft geen gevolgen voor de manier van betalen. Zo blijven bijvoorbeeld internetbetalingen gewoon mogelijk.
Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer van de Belastingdienst wordt NL04 RABO 0200112244. Maar let op, voor sommige belastingen worden andere nieuwe rekeningnummers gebruikt.
Betaal je de Belastingdienst periodiek via een automatische incasso, dan hoef je niets te doen. De betalingen worden automatisch overgemaakt naar het nieuwe rekeningnummer.
Je moet alleen opletten wanneer je een periodieke betaling anders hebt geregeld, bijvoorbeeld via een periodieke overboeking bij je bank. In dat geval moet je wel zelf zorgen dat het rekeningnummer wordt aangepast.
Gebruik je per ongeluk het ‘oude’ rekeningnummer voor een betaling aan de Belastingdienst, dan wordt je betaling vooralsnog gewoon doorgesluisd naar de Belastingdienst en daar verwerkt. De Belastingdienst heeft hierover afspraken gemaakt met de ING, zodat belastingplichtigen niet de dupe worden.
Voor het betalen van een voorlopige of definitieve aanslag inkomstenbelasting, kun je al vanaf 20 april 2026 het nieuwe rekeningnummer gebruiken.
De Dienst Toeslagen stapt ook over naar de Rabobank en heeft vanaf 1 mei 2026 dus ook een nieuw rekeningnummer. Vanaf die datum kun je aan de Dienst Toeslagen betalen op het nieuwe rekeningnummer NL04 RABO 0200112244. Uitbetalen vanaf dit nummer doet de Dienst Toeslagen voor het eerst op maandag 22 juni 2026.
Let op!Ook hier geldt dat bij betaling op het oude rekeningnummer, de betaling vooralsnog wordt doorgesluisd naar het nieuwe rekeningnummer.
Vanwege de wijziging van de rekeningnummers, waarschuwt de Belastingdienst nadrukkelijk voor phishing. Criminelen proberen namelijk regelmatig via e-mail, sms, whatsapp of per telefoon een niet-bestaande belastingschuld bij belastingplichtigen te innen. De Belastingdienst int belastingen echter nooit op die manier. Twijfelt u of een bericht echt is, volg dan het stappenplan op de website van de Belastingdienst en controleer het rekeningnummer.
In de MB+-procedure staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.
De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NBA, NOB, RB en SRA) menen dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening is gehouden. Daar gaat de MB+-procedure over.
Let op!In de brief die u ontvangt van de Belastingdienst staat dat uw bezwaar te laat was en dat u daarom onder de MB+-procedure valt.
In de MB+-procedure zijn proefprocedures gevoerd voor vier rechtbanken. De rechtbanken hebben inmiddels allemaal de Hoge Raad gevolgd. De groep niet (of te laat)-bezwaarmakers heeft dus ook volgens de rechtbanken geen recht op berekening van het box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 op basis van werkelijk rendement.
Let op!Twee procedures zijn inmiddels in behandeling bij de Hoge Raad. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoeft u geen nadere actie te ondernemen.
De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft hierover informatie op de website geplaatst.
Bij een aflossingsvrije hypotheek lost de geldlener (over het algemeen de eigenaar van de woning waarop de hypotheek gevestigd is) de hypotheek niet af. Hij betaalt dus alleen de rente.
Een voordeel is dat hierdoor de maandelijkse lasten minder groot zijn dan bij een niet-aflossingsvrije hypotheek. In de huidige woningmarkt is een woning dan eerder betaalbaar.
Een nadeel van een aflossingsvrije hypohteek is dat de hypothecaire schuld niet afneemt en dus bestaan. Dit brengt een risico met zich mee als de huizenprijzen dalen en de woning verkocht wordt. Het kan zijn dat er dan een restschuld bij de bank overblijft. Bovendien brengt dit het risico met zich mee dat er mogelijk geen nieuwe hypothecaire geldlening verstrekt wordt als de hypotheek afloopt. Dit kan zich voordoen als er op dat moment onvoldoende inkomen is om een nieuwe hypotheek af te sluiten.
Een ander belangrijk nadeel is dat de rente van aflossingsvrije hypotheken die vanaf 1 januari 2013 zijn afgesloten, niet fiscaal aftrekbaar is. Daardoor kunnen de lasten van een dergelijke hypotheek een stuk hoger zijn dan die van niet-aflossingsvrije hypotheken.
Let op!Aflossingsvrije hypotheken komen naar verwachting dan ook vooral voor bij hypotheken van vóór 2013.
Toezichthouders waarschuwen dat er in Nederland te veel aflossingsvrije hypotheken worden verstrekt. Men is bang dat bij dalende huizenprijzen de bezitters van een aflossingsvrije hypotheek met een hoge schuld blijven zitten. Daarom hebben de banken de opdracht gekregen minder aflossingsvrije hypotheken te verkopen en bij hypotheken uitgebreider aandacht te besteden aan de financiële draagkracht van de geldlener.
Een drietal banken heeft inmiddels besloten dat klanten nog maar maximaal 30% van hun hypothecaire geldlening aflossingsvrij mogen lenen. Bij de meeste andere banken is dit maximaal 50%. Ook moeten woningbezitters er rekening mee houden dat de banken meer informatie vragen over hun financiële positie. Banken zijn hiertoe verplicht.
Voor degenen die nu al een aflossingsvrije hypotheek bezitten, verandert er in eerste instantie niets. Deze hypotheken worden gewoon voortgezet onder de afgesproken voorwaarden. Bij het aflopen van de hypotheek of bij het afsluiten van een nieuwe hypotheek (bijvoorbeeld bij een verhuizing), moet men er rekening mee houden dat wellicht een geringer deel van de hypotheek aflossingsvrije gefinancierd kan worden.
Tip! Maakt u zich nu al zorgen over uw aflossingsvrije hypotheek of toekomstige situatie, neem dan contact op met uw financiële adviseur of met uw bank.
In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement horen.
Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en startups en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.
Let op! De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in startups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is een definitie opgenomen van een startup en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.
Let op! Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.
Om een startup of scale-up te zijn in de definitie mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25 procent in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.
Let op!Bij de RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een startup of scale-up.
In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing.
Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2.
Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.
Let op! De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.
Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de startups en scale-ups te financieren wordt de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.
Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.
De belastingrente bedraagt in 2026 zowel voor de IB als voor de Vpb 5%. Als de Belastingdienst met een dagtekening vanaf 1 juli 2026 een (voorlopige) aanslag IB of Vpb 2025 oplegt, wordt belastingrente berekend over de periode die begint op 1 juli 2026 en die eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag.
Let op! Als de Belastingdienst te lang doet over het opleggen van de (voorlopige) aanslag, kan het zijn dat de periode eerder eindigt. De periode eindigt namelijk altijd uiterlijk veertien weken na een verzoek om een voorlopige aanslag en negentien weken na ontvangst van de aangifte.
U kunt de belastingrente voor de IB voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 mei 2026 uw aangifte IB 2025 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2026 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag IB 2025. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente over uw (voorlopige) aanslag IB berekenen.
Ook voor de Vpb kunt u de belastingrente voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 juni 2026 uw aangifte Vpb 2025 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2026 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag Vpb 2025. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente over uw (voorlopige) aanslag Vpb berekenen.
De Belastingdienst berekent overigens wel belastingrente vanaf 1 juli 2026 als de aanslag afwijkt van het verzoek om een voorlopige aanslag of de ingediende aangifte. Het is daarom belangrijk dat uw aangifte juist en volledig is en het verzoek om een voorlopige aanslag zo goed mogelijk is ingeschat.
Heeft de (voorlopige) aanslag 2025 een dagtekening vóór 1 juli 2026, dan berekent de Belastingdienst nooit belastingrente. Dus ook niet als de aangifte is ingediend vanaf 1 mei 2026 (voor de IB) of 1 juni 2026 (voor de Vpb) of de voorlopige aanslag is aangevraagd vanaf 1 mei 2026.
Heeft uw bv een gebroken boekjaar, dan berekent de Belastingdienst belastingrente voor een (voorlopige) aanslag Vpb over een periode die aanvangt zes maanden na afloop van het boekjaar.
Ook bij een gebroken boekjaar kunt u de belastingrente voorkomen. U moet dan uw aangifte Vpb juist en volledig indienen binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar of verzoeken om een voorlopige aanslag Vpb binnen vier maanden na afloop van het boekjaar.
De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechter was daarna niet meer mogelijk.
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet was het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.
De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst stond dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast waren komen te staan.
Op 27 maart 2026 gaf de Hoge Raad antwoord op door rechtbank Den Haag gestelde vragen over deze situatie. De Hoge Raad antwoordde dat de belastingplichtige in zo’n situatie samen met zijn fiscale partner nog wel kan kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen.
De belastingplichtige en zijn fiscale partner hebben daar, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet onbeperkt de tijd voor. Dit moet namelijk binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de aanslag verminderde als gevolg van het toegepast rechtsherstel.
Voorbeeld
De Belastingdienst deed op 4 februari 2022 de collectieve uitspraak op bezwaar. De aangifte inkomstenbelasting 2019 werd door de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 bij beschikking verminderd als gevolg van het toegepaste rechtsherstel. U kon daarna nog binnen zes weken na 20 juli 2022 samen met uw fiscale partner verzoeken om aan andere verdeling van het box 3-inkomen.
Op het ouderdomspensioen dat een echtgenoot tijdens het huwelijk opbouwt hebben beide echtgenoten voor een gelijk deel recht. Om die reden regelt de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding, Wvps, dat bij een echtscheiding dit tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen uiteindelijk aan beide echtgenoten voor een gelijk deel wordt uitgekeerd.
Let op!De Wvps maakt geldt zowel bij een huwelijk in gemeenschap van goederen als bij huwelijkse voorwaarden.
U kunt in uw huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant wel gezamenlijk regelen dat de Wvps niet van toepassing is. Dit betekent dat bij een echtscheiding het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van een echtgenoot uiteindelijk toch niet voor de helft aan de andere echtgenoot wordt uitgekeerd
Als een echtgenoot afziet van zijn recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen van de andere echtgenoot, kan er sprake zijn van een schenking door deze andere echtgenoot aan de ander. Dit is het geval als de echtgenoot niet financieel wordt gecompenseerd.
Let op! Als de echtgenoot die afziet van zijn recht op de helft van het ouderdomspensioen van de ander wel voldoende wordt gecompenseerd, zal er geen sprake zijn van een schenking. Zo’n compensatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden als bij de verdeling van de gemeenschap van goederen meer wordt toebedeeld aan deze echtgenoot.
De Wvps is ook van toepassing op geregistreerde partnerschappen. Wat in deze tekst beschreven staat voor gehuwden geldt daarom ook voor geregistreerde partners.
Let op!Het voorgaande is gebaseerd op een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst. In vakliteratuur en de praktijk is de nodige kritiek op dit standpunt geuit. Neem voor uw eigen situatie daarom altijd contact op met één van onze adviseurs.
Geldfit helpt met name bij het vinden van lokale hulp. De samenwerking met de Dienst Toeslagen sluit ook aan op een eerder initiatief ‘Aanpak Geldzorgen 2025-2027’. Via dit initiatief, vooral gericht op preventie, wordt geprobeerd om mensen met geldzorgen eerder in beeld te krijgen en te helpen of door te verwijzen. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke en andere overheidsorganisaties.
Een ander initiatief voor mensen met schulden is het Experiment Vroegsignalering. Via dit experiment richten de Dienst Toeslagen, de Belastingdienst en tien gemeenten zich op personen met betaalachterstanden. Hierbij worden personen benaderd die ook na een aanmaning hun belastingschuld nog niet hebben betaald, of een te veel ontvangen bedrag aan toeslag(en) niet hebben terugbetaald.
De Dienst Toeslagen probeert geldproblemen ook tegen te gaan. Personen die hulp nodig hebben kunnen via een maatschappelijk dienstverlener of intermediair van een persoonlijk begeleider gebruikmaken.
Er is online ook een tool beschikbaar waarmee kan worden nagegaan of er recht bestaat op één of meer financiële tegemoetkomingen. Via vragenlijsten wordt nagegaan of er landelijke of gemeentelijke regelingen zijn waarop personen met onvoldoende inkomen een beroep kunnen doen. De Voorzieningenwijzer geeft na invulling van enkele vragen over het inkomen en vermogen aan of er bijvoorbeeld recht bestaat op kwijtschelding van lokale belastingen of op bijzondere bijstand.
Ook de Belastingdienst heeft aandacht voor ondernemers met geldzorgen en biedt via een speciale site intermediairs extra informatie en de mogelijkheid hierover vragen te stellen.
Uw verpachte gronden in box 3 moet u in uw aangifte IB aangeven tegen de waarde in het economische verkeer. Om de berekening hiervan te vereenvoudigen heeft de Belastingdienst uitgangspunten en normen voor het jaar 2025 gepubliceerd. Met behulp hiervan kunt u de waarde berekenen.
Let op!U bent niet verplicht om gebruik te maken van deze uitgangspunten en normen. U kunt de waarde ook vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. U moet dit dan wel onderbouwen.
De uitganspunten en normen kunnen alleen gebruikt worden voor verpachte gronden die in gebruik zijn als gras- of akkerland. Voor alle andere gebruikstoepassingen moet u de waarde vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor tuinland, glastuinbouw en bollenland.
Let op! Kijk in de brochure van de Belastingdienst voor meer soorten grond waarvoor u de uitgangspunten en normen niet kunt toepassen. Hier vindt u ook de andere voorwaarden en de wijze waarop u de waarde moet berekenen.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01