Een werknemer kan onder bewind worden gesteld wanneer hij of zij door lichamelijke of geestelijke problemen, verkwisting of problematische schulden niet in staat is om de eigen financiën te beheren. Dit geldt overigens niet alleen voor werknemers maar voor alle meerderjarigen. We spreken dan van beschermingsbewind.
In een procedure bij een rechtbank had een werkgever het loon over de periode dat een nieuwe werknemer bij hem had gewerkt, van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024, aan de werknemer betaald. De werknemer was echter op 2 juni 2022 onder bewind gesteld. De betaling had daarom moeten plaatsvinden aan de bewindvoerder.
De bewindvoerder sommeerde de werkgever schriftelijk op 11 februari 2026 om het ten onrechte aan de werknemer betaalde bedrag alsnog aan haar te betalen. Als de werkgever hier niet toe zou overgaan, volgde een procedure bij de rechter. De bewindvoerder voerde aan dat de werkgever niet bevrijdend had betaald, omdat hij niet aan de bewindvoerder had betaald. De werkgever voerde aan dat hij niet wist dat de werknemer onder bewind was gesteld en dat de werknemer zelf had aangegeven dat het loon aan hem moest worden uitbetaald.
De zaak kwam bij de rechtbank voor. De rechter oordeelde dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de werknemer maar aan de bewindvoerder. De werkgever had dus niet-bevrijdend betaald aan de werknemer. Dat de werkgever dit niet wist deed niet terzake. De rechtbank stelde dat de werkgever had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond omdat dit ingeschreven is in een openbaar register.
Let op! De bewindvoerder vorderde een brutobedrag aan loon, maar kreeg van de rechtbank een nettobedrag omdat de werknemer ook een nettobedrag aan loon had ontvangen. De bewindvoerder is immers niet verplicht tot het afdragen van de werkgeverspremies en andere werkgeversverplichtingen.
Een werkgever doet er goed aan altijd het curatele- en bewindregister te raadplegen. Aan de hand van de achternaam en de geboortedatum kan de werkgever eenvoudig achterhalen of de werknemer in het register ingeschreven staat.
Al eerder is uitgemaakt dat een onder bewind gestelde werknemer niet bevoegd is in een ontbindingsprocedure op te treden. De bewindvoerder geldt als formele procespartij. Wordt de bewindvoerder niet betrokken dan volgt een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Ook bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst met een onder bewind gestelde werknemer is medewerking nodig van de bewindvoerder.
Met de modellen opgaaf gegevens voor de loonheffingen geven werknemers, uitkeringsgerechtigden, scholieren en studenten hun gegevens door aan de werkgever of uitkeringsinstantie. Het betreft gegevens die van belang zijn voor de loonheffingen.
Let op! Er zijn twee modellen: een voor werknemers en uitkeringsgerechtigden en een voor scholieren en studenten.
Met de modellen wordt onder meer ook doorgegeven of de werkgever of uitkeringsinstantie de loonheffingskorting moet toepassen.
De loonheffingskorting kan maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie worden toegepast. Dat gaat nog weleens mis. De werknemer of uitkeringsgerechtigde moet dan bij de aangifte inkomstenbelasting vaak belasting bijbetalen.
Om te voorkomen dat (onbewust) de loonheffingskorting bij meerdere werkgevers of uitkeringsinstanties wordt toegepast, zijn de modellen aangepast.
De vragen in de modellen zijn duidelijker om te voorkomen dat de loonheffingskorting dubbel wordt toegepast. Verder is de toelichting uitgebreid. Er wordt ook uitgelegd hoe een werknemer of uitkeringsgerechtigde kan controleren of een andere werkgever of uitkeringsinstantie de loonheffingskorting al toepast. En hoe ze de loonheffingskorting kunnen laten stopzetten.
Het is raadzaam om de nieuwe modellen te gebruiken. Je werknemer wordt hiermee beter voorgelicht over het maar eenmaal mogen toepassen van de loonheffingskorting. Bovendien moet de werknemer ook expliciet verklaren in het model dat hij begrijpt dat hij de loonheffingskorting maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie mag laten toepassen.
De arbeidskorting is een korting op de te betalen belasting waarop iemand recht heeft als hij werkt. De hoogte van de korting is onder meer afhankelijk van de hoogte van het arbeidsinkomen en bedraagt in 2026 maximaal € 5.685.
In bepaalde situaties ontvangt een werknemer behalve loon ook een uitkering. Deze kan rechtstreeks door het UWV betaald worden of via de werkgever.
Het UWV kan op de belasting die geheven wordt over de uitkering geen arbeidskorting inhouden omdat de arbeidskorting alleen geldt als iemand werkt. Werkgevers kunnen op de belasting over de uitkering, onder voorwaarden, wel arbeidskorting inhouden. Op 15 november 2024 oordeelde de Hoge Raad dat dit verschil in behandeling in strijd is met het discriminatieverbod.
Vanwege het discriminatieverbod is vorig jaar al besloten dat 2026 het laatste jaar is waarin een werkgever een arbeidskorting kan inhouden op de belasting over een uitkering. Vanaf 2027 mag dat dus niet meer.
Let op! Deze aanpassing treft ongeveer 11.000 werknemers die een van de volgende uitkeringen via hun werkgever krijgen uitgekeerd: WAO, WAZ, Wajong, WIA, ZW die is ingegaan voordat de werknemer bij je in dienst kwam, WAMIL en WW bij onwerkbaar weer en vanwege werktijdverkorting.
Door het niet meer toepassen van de arbeidskorting wordt het nettoloon van de werknemer waarschijnlijk lager. Hoeveel lager is afhankelijk van de hoogte van het loon en de uitkering. De extra belasting die een werkgever moet gaan inhouden door het niet meer toepassen van de arbeidskorting kan oplopen tot maximaal 31% van de bruto-uitkering.
Let op! Dit geldt alleen voor werknemers die de uitkering via hun werkgever krijgen uitbetaald. Voor werknemers die de uitkering van het UWV ontvangen, verandert er vanaf 2027 niets.
Tip! De Belastingdienst geeft in de Nieuwsbrief Loonheffingen 2027, uitgave 1, 19 augustus 2026, meer uitleg over het niet meer toepassen van de arbeidskorting. Hierin zijn een stappenplan voor 2026 en 2027 en diverse voorbeelden opgenomen.
Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, WPM.
Voor bedrijven tot 250 werknemers wordt de rapportageverplichting hoogstwaarschijnlijk afgeschaft. Nadat de Tweede Kamer daar op 15 april 2025 een motie over aannam, werd het voornemen tot afschaffing op 20 november 2025 aangekondigd. Daarna werd op 2 februari 2026 het besluit met de afschaffing ter internetconsultatie aangeboden.
De afschaffing wordt voorgesteld met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Als het voorstel doorgaat betekent dit dat bedrijven tot 250 werknemers over het jaar 2026 geen rapportageverplichting meer hebben.
Over het jaar 2025 moeten zij, als ze minimaal 100 werknemers hebben, echter nog wel rapporteren. Deze rapportage moet uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.
Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.
Bij een overlijden van een werknemer mag een werkgever een eenmalige uitkering of verstrekking geven. Deze is onbelast voor zover deze niet meer bedraagt dan drie keer het maandloon van de werknemer.
Tip! Een dergelijke belastingvrije uitkering mag ook aan de werknemer gegeven worden bij overlijden van zijn partner of zijn kind of pleegkind.
Aan de Belastingdienst is gevraagd wat het maandloon voor deze regeling is in de volgende situatie. De werkgever kort het loon van een werknemer per 1 augustus tot 70% van zijn brutomaandloon omdat de werknemer meer dan 52 weken ziek is. Op 15 augustus zegt de werkgever aan alle werknemers een verhoging van het brutomaandloon per 1 oktober toe. De werknemer overlijdt op 20 augustus.
De Belastingdienst geeft aan dat in beginsel voor de berekening van het maandloon moet worden uitgegaan van 1/12 deel van het vaste brutojaarloon van de werknemer. Dit omvat niet alleen het al genoten loon, maar ook het nog te genieten loon in een jaar. Om die reden moet ook rekening gehouden worden met de verlaging tot 70% van het brutomaandloon én de toegezegde maandloonverhoging per 1 oktober.
Bij de berekening van het maandloon mag de werkgever ook rekening houden met de maandelijks opgebouwde vakantiebijslag en ander vaste gegarandeerde (bijzondere) beloningen, zoals een dertiende maand. Ook de bijtelling van de auto van de zaak kan meegenomen worden.
Let op!De werkgever mag geen rekening houden met tantièmes en toevallige bijzondere beloningen.
Voorbeeld
Het loon van een werknemer bedraagt tot en met juli € 4.000. Per 1 augustus beperkt de werkgever dit loon tot 70% (€ 2.800) omdat de werknemer meer dan 52 weken ziek is. Op 15 augustus zegt de werkgever aan alle werknemers een loonsverhoging toe van 5%. De werknemer overlijdt op 20 augustus.
Het jaarloon bedraagt in dit geval € 3.535 (1/12 deel van 7 x € 4.000 + 2 * € 2.800 + 3 * € 2.940). De werkgever kan dus een belastingvrije uitkering vanwege het overlijden van de werknemer doen van maximaal € 10.605 (3 x € 3.535).
Let op!In dit versimpelde voorbeeld is geen rekening gehouden met 1/12 van de vakantiebijslag in het jaar, 1/12 van een eventuele gegarandeerde dertiende maand en een eventuele bijtelling voor een auto van de zaak. In werkelijkheid zou het belastingvrije bedrag dus nog hoger kunnen zijn.
In een aan de Belastingdienst voorgelegde vraag geeft een werkgever aan werknemers een betaalkaart. Met deze betaalkaart kunnen de werknemers tot maximaal € 9 per dag en maximaal € 90 per maand een maaltijd betalen ten laste van de werkgever. Is de maaltijd duurder dan € 9, dan komt het meerder ten laste van de eigen rekening van de werknemer.
Besteedt een werknemer minder dan € 9 op een dag aan een maaltijd, dan blijft het restant beschikbaar voor andere dagen. Is aan het einde van de maand nog geld op de betaalkaart over, dan vervalt dit bedrag.
Als de werknemer met de kaart maaltijden in de bedrijfskantine op de werkplek betaalt, kan de werkgever niet volstaan met een bijtelling van het normbedrag voor maaltijden op de werkplek (in 2026 € 4,05 per maaltijd). Het daadwerkelijke bedrag van de maaltijd tot maximaal € 9 per dag vormt loon volgens de Belastingdienst. De Belastingdienst vindt namelijk dat de betaling met de betaalkaart loon in geld is en geen loon in natura. Alleen bij loon in natura had aangesloten kunnen worden bij het normbedrag voor maaltijden.
Dat is niet anders als de werknemer de betaalkaart gebruikt voor betalingen aan een bezorgplatform, ook als de maaltijd op de werkplek wordt bezorgd. Ook dan is het volgens de Belastingdienst niet mogelijk om aan te sluiten bij het normbedrag voor maaltijden op de werkplek.
Let op! Ook bij gebruik van de betaalkaart voor eten in een restaurant of broodjeszaak vormt het daadwerkelijke bedrag loon voor de werknemer.
Als u de gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kunt toepassen, vormen de bedragen van de betaalkaart overigens geen loon. De uitkomst is dan dus anders dan hiervoor beschreven.
Die gerichte vrijstelling kunt u onder meer toepassen bij maaltijden tijdens dienstreizen of bij maaltijden die een meer dan bijkomstig zakelijk karakter hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval als uw werknemers door hun werk niet tussen 17.00 en 20.00 uur thuis kunnen eten of door overwerk niet na 20.00 uur thuis kan eten of bij werk op koopavonden.
De vergoeding van de tijdelijke verblijfskosten kan alleen belastingvrij als voldaan wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling. Uw werknemer moet dan een zogenaamde ambulante werknemer zijn. Dat is het geval als uw werknemer steeds naar verschillende arbeidsplaatsen reist of als hij doorgaans één keer per week op maximaal 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats reist.
Let op! Het gaat om een aaneengesloten periode waarin de 20 dagen vallen. Bij een incidentele onderbreking loopt de referentieperiode waarin de 20 dagen berekend worden gewoon door. Bij een langere onderbreking begint een nieuwe referentieperiode voor het tellen van de maximale 20 dagen.
De gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kan ook gelden in de situatie dat een werknemer om zakelijke redenen (nog) niet bij de plaats van het werk gaat wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tijdelijke projecten of als een werknemer nog in de proeftijd zit.
Het is toegestaan om voor de vergoeding van de tijdelijke verblijfkosten aan te sluiten bij de onbelaste verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren op dienstreis kunnen krijgen.
U mag dat doen voor werknemers die met dezelfde soort kosten worden geconfronteerd als ambtenaren op dienstreis. Dat is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden als ambtenaren op dienstreis. Er moet ook sprake zijn van een dienstreis. Zo zal bijvoorbeeld voor een bouwvakker die voor een periode van vier weken werkzaam is op een project, geen sprake zijn van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.
Verder is vereist dat u vergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekent aan uw werknemers als volgens de cao Rijk. Dit betekent overigens niet dat u ook alle vergoedingen moet betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. U moet hierbij meer denken aan bijvoorbeeld de minimale verblijfsduur en de in de cao Rijk genoemde hoogte van de vergoedingen.
De vergoedingen en gericht vrijgestelde bedragen voor ambtenaren op binnenlandse dienstreizen zijn in 2026:
| Verblijfkosten | Vergoeding cao Rijk | Gericht vrijgesteld |
| Kleine uitgave overdag | € 7,35 | € 6,56 |
| Kleine uitgaven ’s avonds | € 21,92 | € 13,12 |
| Logies | € 164,52 | € 162,74 |
| Ontbijt | € 16,07 | € 16,07 |
| Lunch | € 22,19 | € 12,97 |
| Avondmaaltijd | € 33,57 | € 32,56 |
Let op!Behalve dat u moet aansluiten bij deze vergoedingen, moet u dus ook dezelfde voorwaarden hanteren. De bedragen en voorwaarden vindt u in onderdeel 10.2 van de cao Rijk.
Uit de voorwaarden komt onder meer naar voren dat een ambtenaar die de kosten van de dienstreis declareert geen betaalbewijzen hoeft bij te voegen van bovenstaande uitgaven.
U kunt deze kosten daarom ook aan uw werknemer vergoeden zonder dat deze een factuur of betaalbewijs hiervan overlegt. Uiteraard moet wel aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer daadwerkelijk voor het werk heeft gereisd en overnacht.
Ook moet de werknemer daadwerkelijk kosten maken. Voor een werknemer die (nagenoeg) geen kosten maakt, kunt u niet aansluiten bij de gerichte vrijgestelde vergoeding in de cao Rijk.
Let op! Voor zover de vergoeding hoger is dan het gericht vrijgestelde bedrag, vormt dat meerdere individueel loon bij de werknemer. U kunt er ook voor kiezen het meerdere, mits gebruikelijk, aan te wijzen in de vrije ruimte.
Ook voor buitenlandse dienstreizen geldt dat aangesloten moet worden bij de voorwaarden en bedragen in de cao Rijk (zie onderdeel 10.3 van de cao Rijk). De berekening van de bedragen voor buitenlandse dienstreizen is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Een overzicht vindt u in bijlage 6 van de cao Rijk.
Tip! Wilt u voor werknemers aansluiten bij de verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren krijgen op een buitenlandse dienstreis of heeft u andere vragen, neem dan voor meer informatie contact met ons op.
Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht te rapporteren over het zakelijke verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, WPM.
Bedrijven die onder de rapportageverplichting vallen moeten veel gegevens verzamelen. Denk hierbij aan het totaal aantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer en het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype.
Let op!De gegevens over 2025 moeten uiterlijk 30 juni 2026 ingestuurd zijn.
Op 15 april 2025 nam de Tweede Kamer een motie aan om de WPM af te schaffen voor bedrijven tot 250 werknemers. Op 20 november 2025 werd het voornemen tot afschaffing aangekondigd.
Inmiddels is een besluit ter internetconsultatie aangeboden waarin de rapportageverplichting voor bedrijven tot 250 werknemers wordt afgeschaft. Reageren op deze internetconsultatie is mogelijk tot 9 maart 2026.
Als het besluit zoals ter internetconsultatie is aangeboden ongewijzigd wordt ingevoerd, gaat de afschaffing in met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Werkgevers met minder dan 250 werknemers hoeven dan ook over 2026 al niet meer te rapporteren. Eerder was aangekondigd dat de afschaffing pas vanaf 2027 zou gelden, maar dit lijkt dus een jaar vervroegd te worden.
Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.
Als u een ander percentage gedifferentieerde premie Whk in uw aangifte heeft toegepast dan door de Belastingdienst is vastgesteld, kan dit betekenen dat u te veel of te weinig premie Whk betaalt. Hoe komt het dat die percentages afwijken?
Misschien heeft u pas na 1 januari het gedifferentieerde premiepercentage Whk van de Belastingdienst ontvangen. Of, als u starter bent, heeft u misschien pas na de eerste aangifte loonheffingen het percentage van de Belastingdienst ontvangen. Of misschien maakte u bezwaar tegen de beschikking waarin het premiepercentage is opgenomen en stelde de Belastingdienst dit percentage daarna bij.
In al deze gevallen, hoeft u geen correctie te versturen voor de gedifferentieerde premie Whk, maar kunt u via een formulier verzoeken om een teruggaaf of naheffing van de premie.
Let op! U kunt dit doen voor de jaren 2021 tot en met 2026 via het volgende formulier.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01