Een van de voorstellen is om het advies van de bedrijfsarts vanaf beoogd 1 januari 2028 leidend te maken bij de poortwachtertoets (ook wel RIV-toets genoemd). Als het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij deze toetsing van het re-integratieverslag (RIV), vindt de toetsing alleen nog plaats door een arbeidsdeskundige van het UWV en niet meer door een verzekeringsarts van het UWV.
Een werkgever kan dan niet langer een loonsanctie krijgen als gevolg van een medisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. Het UWV gaat bij de toetsing van het re-integratieverslag dan uit van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. Dit moet onzekerheid bij werkgevers over de mogelijkheid van deze sanctie wegnemen.
Let op! De Raad van State en vakbonden zijn kritisch en denken dat de wijziging zal leiden tot een toename van de instroom in de WIA. Zij geven aan dat de prikkel voor een werkgever om zelf verantwoordelijkheid te dragen voor de re-integratie van een zieke werknemer verdwijnt. Dit betekent dat het risico van een onterecht advies van de bedrijfsarts bij de zieke werknemer komt te liggen.
Een ander voorstel is om het nu al gevoerde tegenwettelijke beleid volgens de wet ook mogelijk te maken. Dit is beoogd vanaf 1 januari 2027. Het gaat daarbij om het volgende.
Het UWV verstrekt in verband met de lange wachttijd voor de WIA-claimbeoordeling voorschotten. Werknemers komen hierdoor niet zonder inkomen te zitten na afloop van de loonbetaling. Deze voorschotten kunnen achteraf niet altijd (geheel) worden verrekend met een WIA-uitkering of een andere uitkering. Als de lange wachttijden de ontvangers van deze voorschotten niet valt aan te rekenen, vordert het UWV ze op dit moment al niet terug.
Dit is wettelijk gezien eigenlijk niet mogelijk. Het wetsvoorstel regelt daarom dat het UWV tijdelijk de bevoegdheid krijgt om onder voorwaarden af te zien van het terugvorderen van onverschuldigd betaalde voorschotten. Het wetsvoorstel biedt daarmee een wettelijke grondslag voor het tegenwettelijke beleid dat het UWV op dit punt al sinds 2021 voert.
De lopende en kwijtgescholden WIA-voorschotten zullen vanaf 2030 worden gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds, waarvoor alle werkgevers premie betalen. Tot die tijd wordt het bekostigd vanuit de Werkhervattingskas.
Het recht op inkomensondersteuning op grond van de Wajong eindigt als iemand ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient na vijf jaar ononderbroken te hebben gewerkt. Bij de beoordeling hiervan wordt werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening buiten beschouwing gelaten. Vanaf 1 januari 2015 is nieuwe instroom in de Wet sociale werkvoorziening niet meer mogelijk en vindt ondersteuning plaats, onder meer in de vorm van beschut werk. Het voorstel is om arbeid verricht in beschut werk ook buiten beschouwing te laten. Zolang iemand beschut werk verricht, eindigt het recht op Wajong dan niet, ongeacht wat hij verdient.
Verder geldt nu al dat het Wajong-recht blijft bestaan wanneer een Wajonggerechtigde gebruikmaakt van bepaalde structurele arbeidsondersteuning — zoals een externe jobcoach, vervoersvoorzieningen of intermediaire voorzieningen —, ongeacht wat men verdient. Het voorstel is om drie structurele arbeidsondersteuningen aan deze uitzonderingen toe te voegen, te weten loondispensatie, loonkostensubsidie en een interne jobcoach. Deze instrumenten worden toegevoegd aan de uitsluitingsgronden voor toepassing van de beëindigingsgronden voor de Wajong.
Let op! Het beoogde tijdstip van inwerkingtreding van dit voorstel is 1 januari 2028. Het UWV zal vooruitlopend op deze inwerkingtreding de wijzigingen die begunstigend zijn voor de Wajong gerechtigde al toepassen.
Werkgevers zijn verplicht tot het betalen van een gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). De premie voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) is onderdeel van deze premie Whk.
De werkgever mag maximaal 50% van de gedifferentieerde premie Whk op de werknemer verhalen. Als een werkgever dat doet, is deze verhaalde premie niet aftrekbaar van het brutoloon. Dit is expliciet zo opgenomen in de wet (artikel 11c van de Wet op de loonbelasting). De werknemer betaalt deze verhaalde premie dus uit zijn nettoloon.
De WGA-uitkering is over het algemeen onvoldoende om de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid te dekken. Om die reden is in veel cao’s de verplichting opgenomen voor werkgevers om aan hun werknemers een WGA-hiaatverzekering aan te bieden. Deze verzekering voorziet in een aanvulling op de WGA-uitkering.
Als de werkgever (een deel van) de premie voor de WGA-hiaatverzekering op de werknemer verhaalt, is deze verhaalde premie wel aftrekbaar van het brutoloon. Deze verhaalde premie is namelijk niet expliciet in de wet uitgezonderd van aftrek. De werknemer betaalt deze dus niet uit zijn nettoloon maar uit zijn brutoloon. De Belastingdienst heeft dit bevestigd.
Ben je in dienstbetrekking bij de holding, dan moet de holding jou een gebruikelijk loon betalen. Het gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:
Let op! Kun je aannemelijk maken dat het berekende gebruikelijk loon hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag je het gebruikelijk loon vaststellen op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
Heeft de holding een managementovereenkomst gesloten met de werk-bv? En verricht jij op basis van die managementovereenkomst werkzaamheden bij de werk-bv? Als de managementovereenkomst een reële overeenkomst is, dan ben jij niet in dienstbetrekking bij de werk-bv. De vergoeding die de werk-bv betaalt aan de holding vormt dan ook geen (doorbetaald) loon voor jou.
Let op! Voor de beoordeling van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking in de holding moet je wel de voor de werk-bv verrichte werkzaamheden meenemen.
Verricht je werkzaamheden voor de werk-bv. en is de managementovereenkomst geen reële overeenkomst, dan ben jij waarschijnlijk wel in dienstbetrekking bij de werk-bv. De Belastingdienst heeft aangegeven dat in zo’n geval de vergoeding die de werk-bv betaalt, het uitgangspunt vormt voor het vaststellen van het loon in de werk-bv.
Let op! Waarschijnlijk kan in deze situatie de doorbetaaldloonregeling worden toegepast. De doorbetaaldloonregeling betekent dat je dan geen loon hoeft te genieten uit de werk-bv, maar alleen uit de holding. De hoogte van het loon bij de holding wordt bepaald door de gebruikelijkloonregeling.
Helaas geeft de Belastingdienst in de twee casussen geen inzicht in wanneer de Belastingdienst de managementovereenkomst reëel vindt en wanneer niet. In grote lijnen gaat het erom dat jijzelf niet rechtstreeks gebonden wordt maar dat de afspraken gelden tussen de holding en de werk-bv. Als jij zelf wel rechtstreeks gebonden wordt, zou dat een indicatie kunnen zijn dat de managementovereenkomst niet reëel is.
Let op! Overleg met onze adviseurs hoe het risico op een niet-reële managementovereenkomst verkleind kan worden.
Streef naar een reële managementovereenkomst. Een niet-reële managementovereenkomst met als gevolg een dienstbetrekking bij de werkmaatschappij kan tot (ongewenste) verzekeringsplicht en premieplicht voor de werknemersverzekeringen leiden. De doorbetaaldloonregeling geldt in zo’n geval meestal niet voor de werknemersverzekeringen.
Het gemiddelde premieniveau van de WGA bedraagt in 2027 1,07% (2026: 0,96%). De maximum WGA-premie is 4,28% en de minimumpremie 0,26% (in 2026: 3,84 respectievelijk 0,24%).
De gemiddelde premie voor de ZW bedraagt in 2027 0,60% (2026: 0,56%). De maximum ZW premie is 2,40% en de minimumpremie 0,15% (in 2026:2,24% respectievelijk 0,14%).
Let op! Voor werkgevers in sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt een afwijkende maximumpremie van 5,96%.
De gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van je onderneming. Bij middelgrote en grote werkgevers telt de eigen instroom van zieken in het publieke stelsel mee voor de hoogte van de premie.
De loonsom over 2025 bepaalt in welke categorie je in 2027 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtige loon. Dit bedraagt in 2026 nog € 43.300 en stijgt in 2027 naar € 45.400.
De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2027 bij een loonsom van maximaal € 1.135.000 (in 2026 € 1.082.500). Bij een loonsom van meer dan € 4.540.000 is in 2027 sprake van een grote werkgever (in 2026 € 4.330.000).
Let op! Alle grote en middelgrote werkgevers ontvangen tegen het einde van 2026 een beschikking van de Belastingdienst met de hoogte van de premie. Kleine werkgevers ontvangen geen beschikking, maar een mededeling.
Ben je eigenrisicodrager, maar wil je dat niet meer zijn vanaf 1 januari 2027? Meld je dan vóór 1 oktober 2026 af. Ben je geen eigenrisicodrager, dan kun je dat worden vanaf 1 januari 2027 door je vóór 1 oktober 2026 aan te melden. Je betaalt dan niet langer de premies WGA en ZW.
Let op! Of het zinvol is om te wisselen is van diverse omstandigheden afhankelijk. Denk aan (de wijziging van) de instroom van zieken in het publieke stelsel, hoeveel zieken buiten het publieke stelsel zitten bij terugkeer naar dit stelsel en de kosten van een private verzekering et cetera. Overleg daarom met onze adviseur of wisselen raadzaam is. Aan- of aanmelden kan voor de WGA vervolgens met dit formulier en voor de ZW met dit formulier.
Een werkgever is verplicht om minimaal 104 weken lang het loon door te betalen als een werknemer ziek en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is. Daarnaast moet de werkgever zich inspannen om de werknemer optimaal te re-integreren, bij voorkeur in zijn eigen werk dan wel in de eigen organisatie. Dit wordt re-integratie in spoor één genoemd.
Als duidelijk is dat terugkeer in het eigen werk dan wel de eigen organisatie niet te verwachten valt, moet gekeken worden naar mogelijkheden buiten de organisatie. Dit wordt re-integratie in spoor twee genoemd. Spoor twee moet uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie worden ingezet.
In spoor twee houdt de werknemer altijd de mogelijkheid om terug te keren in het eigen werk of de eigen organisatie. Er kan ook een zogenaamd tweesporenbeleid worden gevoerd. Dit houdt in dat de werknemer blijft opbouwen in spoor één en daarnaast nog een spoor twee traject volgt. Zolang het dienstverband voortduurt, is de werkgever ook verplicht tot re-integratie in spoor één. Dit laatste gaat nu mogelijk veranderen, omdat minister Aartsen van Werk en Participatie dit heeft opgenomen in een wetsvoorstel.
Het is met name voor kleine en middelgrote bedrijven moeilijk een langdurig zieke werknemer te laten re-integreren. Niet altijd is er binnen de organisatie passend, ander werk beschikbaar. Vervanging regelen voor een zieke medewerker is vaak ook lastig. Het kabinet wil deze bedrijven nu tegemoetkomen door in het tweede ziektejaar uitsluitend en alleen in te zetten op re-integratie in spoor twee. Dit betekent dat de werknemer na het eerste ziektejaar niet meer kan terugkeren in het eigen werk. Spoor één wordt daarmee definitief afgesloten. De functie van de werknemer hoeft dan niet langer beschikbaar te blijven voor de werknemer.
De loondoorbetaling blijft het tweede jaar wel nog bestaan. Dit geldt ook voor de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij een andere werkgever (spoor twee).
Werkgever en werknemer moeten het hier wel gezamenlijk over eens worden. Stemt de werknemer hier niet mee in, dan kan de werkgever vervangende toestemming vragen aan het UWV.
Uiterlijk op de dag dat de werknemer 42 weken ziek is kan een kleine of middelgrote werkgever een aanvraag doen bij UWV. Uitgangspunt is dat UWV binnen acht weken na indiening van de aanvraag een beslissing neemt. Bij afwijzing of toekenning van de aanvraag kan door de werkgever dan wel de werknemer nog een procedure bij de rechter worden gestart.
Voor het einde van de 104 weken periode moet het UWV de poortwachtertoets uitvoeren. Bij deze toets, ook wel aangeduid als de RIV-toets (toetsing re-integratieverslag), bekijkt het UWV of de werkgever voldoende heeft gedaan aan re-integratie. Als de bedrijfsarts heeft aangegeven dat er sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, kan de verzekeringsarts van het UWV daar anders over denken. In dat geval kan het UWV aan de werkgever een loonsanctie opleggen, waardoor de werkgever maximaal 52 weken langer het loon moet doorbetalen.
Dit leidt tot onzekerheid voor werkgevers. Om dit weg te nemen én om verzekeringsartsen bij het UWV te ontlasten, is besloten dat het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de poortwachtertoets. Er kan dan dus geen loonsanctie meer worden opgelegd bij verschil van inzicht tussen de verzekeringsarts en de bedrijfsarts.
Als gevolg van de lange wachttijden voor de WIA-beoordeling, verstrekt het UWV voorschotten. De werknemer hoeft het voorschot niet terug te betalen, als bij de uiteindelijke WIA-beoordeling blijkt dat de werknemer geen recht had op een WIA-uitkering of op een uitkering van kortere duur. Dit betreft tijdelijk buitenwettelijk beleid. Het is bedoeld om te voorkomen dat werknemers te maken krijgen met forse terugvorderingen.
Het kabinet heeft besloten dit beleid in de wet vast te leggen. Ook wijzigt de financiering van de voorschotten. Deze worden in eerste instantie bekostigd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) dat gevoed wordt door de basispremie WAO/WIA. Na de definitieve beoordeling worden de kosten op de juiste plek geboekt. Als een voorschot wordt kwijtgescholden, blijft dat ten laste komen van het Aof.
Het wetsvoorstel bevat ook nog wat wijzigingen en verduidelijkingen van de Wajong. Mensen met een Wajong-uitkering die onafgebroken vijf jaar hebben gewerkt en voldoende inkomen verdienen, houden het recht op een uitkering als zij werken in een beschutte werkplek, met loondispensatie, loonkostensubsidie of interne jobcoach. Deze maatregel voert het UWV op verzoek van het kabinet al uit sinds 1 januari 2026. Verder vervalt het garantiebedrag als de Wajong-uitkering langer dan twaalf maanden is beëindigd.
Let op!Het wetsvoorstel ligt bij de Raad van State voor advies.
Bij het vaststellen van een billijke vergoeding wordt vaak gekeken naar de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd en het loon dat de werknemer dan nog ontvangen zou hebben gedurende die periode. Met andere woorden: wat is de loonwaarde die de werknemer als gevolg van het ernstig verwijtbare eindigen van het dienstverband heeft gemist. Moet er dan rekening worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering die de werknemer over deze periode ontvangt? Hierover bestond verdeeldheid in de literatuur.
De Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering over die periode op het gederfde loon in mindering mag brengen. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst, ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon), maar ook met eventuele voordelen die daarmee voldoende samenhangen. Denk hierbij aan het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven.
Het is echter ook weer geen wet van Meden en Perzen dat de WW-uitkering altijd in mindering moet worden gebracht op de loonbetaling. De Hoge Raad overweegt dat in welke mate de vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, mede afhangt van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een WW-uitkering. Denk aan de situatie dat iemand nog jaren te gaan heeft tot zijn pensioen. In dat geval kan de werknemer, afhankelijk van bijvoorbeeld het soort werk en de arbeidsmarkt er groot belang bij hebben om zijn potentiële aanspraak op de opgebouwde WW-rechten te behouden. Dan is het mogelijk niet redelijk en niet wenselijk deze als schadebeperkingsmaatregel op de te begroten billijke vergoeding in mindering te brengen.
Het zal een interessante puzzel worden. Nog afgezien van de vraag of er, als de plannen van het nieuwe kabinet doorgaan, nog wat overblijft van de WW om van de billijke vergoeding af te trekken
Een werkgever kan nu loondispensatie aanvragen als een werknemer een Wajong-uitkering heeft en door ziekte of handicap minstens zes maanden minimaal 25% minder werk aan kan dan andere werknemers in dezelfde functie.
Let op!De aanvraag of verlenging van loondispensatie doet u via het werkgeversportaal van het UWV.
Voor een werknemer met een IVA-uitkering of voor een werknemer met een Wajong-uitkering zonder arbeidsvermogen kan ook loondispensatie worden aangevraagd. Deze tijdelijke regeling is aan te vragen tot en met 31 oktober 2026. De loondispensatie loopt dan maximaal tot en met 21 april 2028. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het UWV.
Vanaf 1 maart 2026 wijzigen de voorwaarden voor loondispensatie. Hierdoor kan een werkgever eerder loondispensatie aanvragen voor een werknemer met een Wajong- of IVA-uitkering, maar loopt de loondispensatie minder lang.
Een werkgever kan vanaf 1 maart 2026 loondispensatie aanvragen voor een werknemer als de werknemer een Wajong- of IVA-uitkering heeft en door een ziekte of handicap minstens drie maanden minimaal 5% minder werk aan kan dan andere werknemers in dezelfde functie.
Let op!In de situatie tot 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal vijf jaar duren. Vanaf 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal twee jaar duren.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01