Een werknemer was sinds 1985 in dienst bij de werkgever voor 40 uur per week. Hij werd in 2015 ziek en viel langdurig uit. Hij hervatte zijn werk vanaf 2017 voor 20 uur per week. Hij ontving vanwege zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (voor 20 uur per week) vanaf 2017 ook een WIA-uitkering.
De werkgever wilde in 2017 het lagere aantal uren formaliseren door middel van een contractaanpassing. De werknemer ging hier niet in mee, omdat hij de mogelijkheid om verder op te bouwen wilde openhouden. Hij bleef de daaropvolgende jaren 20 uur per week werken. Na een nieuwe uitval in 2023 werd hij uiteindelijk volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.
De arbeidsovereenkomst werd vervolgens met ingang van 1 april 2026 met wederzijds goedvinden van werkgever én werknemer beëindigd. Partijen kregen echter onenigheid over de hoogte van de transitievergoeding. De werkgever stelde dat deze gebaseerd moest zijn op een 20-urige werkweek. De werknemer vond dat er nog steeds een arbeidsovereenkomst was voor 40 uur per week. Het aantal uren was volgens hem niet aangepast. De transitievergoeding moest daarom gebaseerd worden op een 40-urige werkweek.
De rechter moest eraan te pas komen. De rechtbank ging nog mee met de werkgever en berekende het deel van de transitievergoeding vanaf 2017 op basis van een 20-urige werkweek. Na hoger beroep oordeel het gerechtshof echter anders.
Volgens het gerechtshof was er geen sprake geweest van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer had immers niet expliciet ingestemd met een structurele vermindering van zijn arbeidsduur. Hij had juist aangegeven geen vermindering te willen en ook had hij zijn wens om zijn uren uit te breiden niet prijsgegeven. De werkgever had niet voldoende laten onderzoeken of uitbreiding van de uren medisch gezien nog mogelijk was. De bedrijfsarts was sinds 2017 zelfs niet meer betrokken geweest. De conclusie was daarom dat de overeengekomen arbeidsduur nog steeds 40 uur per week bedroeg.
Dit had tot gevolg dat de transitievergoeding geen € 29.699,55 bruto, maar het dubbele namelijk
€ 59.399,10 bruto bedroeg.
Het is de vraag of je de dubbele transitievergoeding kunt voorkomen in de praktijk.
Als de werknemer uit bovenstaande casus in 2017 akkoord was gegaan met de aangepaste arbeidsovereenkomst, was op dat moment sprake geweest van nieuw bedongen arbeid. Hij had dan ook recht gehad op een pro rato transitievergoeding voor de 20 uur die hij verloren had.
Let op! Nu in deze casus geen sprake was van nieuw bedongen arbeid, had de werkgever bij hernieuwde uitval niet langer de verplichting om het loon tijdens ziekte door te betalen. De werknemer had immers al 104 weken loon ontvangen. Dit is door de Hoge Raad zo bepaald in 2011. Dat is dan weer een voordeel voor de werkgever, maar een nadeel voor de werknemer.
Let op! Het is ingewikkelde materie. Het is van belang om als werkgever goed advies in te winnen en je werknemer goed te informeren over de consequenties van zijn keuze.
Dit betekent dat niet alleen de compensatieregeling na langdurige arbeidsongeschiktheid wordt afgeschaft, maar ook de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden.
Het wetsvoorstel dat de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid zou beperken tot kleine werkgevers werd al eerder uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2027. Tot 1 januari 2027 heeft in ieder geval nog elke werkgever recht op die compensatie als aan de voorwaarden wordt voldaan.
Inmiddels heeft de regering echter besloten verder te gaan dan alleen uitstel. In een nota van wijzigingen staat namelijk dat de compensatieregeling voor alle werkgevers wordt afgeschaft per 1 januari 2027. Dus ook voor de kleine werkgevers.
Verder is in de nota van wijziging opgenomen dat naast het verdwijnen van de compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid ook de compensatie bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden, verdwijnt.
Let op! Het recht op transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid, dus na het verstrijken van het opzegverbod, blijft bestaan. De regering is bang dat er anders sprake is van verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte.
De regering rekent op een structurele bezuiniging van € 831 miljoen, waarvan € 462 miljoen in 2027. In het coalitieakkoord was nog uitgegaan van structureel € 262 miljoen. In het coalitieakkoord werd overigens alleen gesproken over afschaffing van de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Let op! Er wordt nu gevreesd dat veel werkgevers niet over zullen gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar de arbeidsovereenkomst slapend zullen laten.
Er komt nog wel overgangsrecht. Zo kunnen werkgevers nog aanspraak maken op compensatie van de transitievergoeding als:
De verwachting van een ernstig zieke werknemer was dat deze spoedig zou komen te overlijden. Het einde van de wachttijd van 104 weken was op 14 september 2023. Daarna ontstond een zogenaamd slapend dienstverband.
De werkgever vroeg een ontslagvergunning aan en kreeg deze op 25 oktober 2023. De betreffende werknemer overleed een paar dagen later op 27 oktober 2023. De werkgever had toen nog niet gebruikgemaakt van de ontslagvergunning: het dienstverband was officieel nog niet opgezegd.
Bij het overlijden eindigt de arbeidsovereenkomst altijd automatisch (van rechtswege). De werkgever hoeft dan geen transitievergoeding te betalen. Deze werkgever betaalde de transitievergoeding toch aan de erven van de overleden werknemer. Hij vroeg vervolgens compensatie van de uitbetaalde transitievergoeding aan bij het UWV.
Het UWV weigerde de compensatie van de transitievergoeding. Volgens het UWV was er geen verplichting om de transitievergoeding te betalen. Bovendien was de arbeidsovereenkomst niet geëindigd vanwege opzegging door de werkgever, wat een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de compensatie transitievergoeding.
De werkgever was het niet eens met de beslissing van het UWV en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank gaf de werkgever echter geen gelijk. De werkgever in deze zaak greep daarom mis en kreeg geen compensatie van de betaalde transitievergoeding.
Het interessante aan deze uitspraak is dat hieruit volgt dat het UWV buitenwettelijk beleid heeft. Op basis van dat buitenwettelijke beleid had het UWV de compensatie wel toegekend als de beëindiging van het dienstverband al ‘concreet in gang was gezet’ op het moment van het overlijden. Dit betekent concreet dat wanneer de opzegging was gedaan voorafgaand aan het overlijden, maar de einddatum van de arbeidsovereenkomst ná het overlijden lag, de compensatie wel zou zijn toegekend. Datzelfde geldt als een ontbindingsbeschikking is afgegeven voor het overlijden.
Willen partijen de arbeidsovereenkomst beëindigen door middel van een beëindigingsovereenkomst, wat in de praktijk vrij gebruikelijk is, dan moet voor ‘concreet in gang zetten’ over de inhoud overeenstemming zijn bereikt. Het is niet nodig dat de beëindigingsovereenkomst al is ondertekend.
Let op! Het is voor een werkgever van belang zo snel mogelijk na ontvangst van de ontslagvergunning het dienstverband op te zeggen. Als deze werkgever op 26 oktober 2023 zou hebben opgezegd, was er namelijk wel recht geweest op compensatie van de transitievergoeding.
Een werknemer kreeg kort nadat hij in dienst is getreden een fietsongeluk en viel langdurig ziek uit. Hij werkte onvoldoende mee aan zijn re-integratie met als gevolg dat de werkgever de loonbetaling stopzet. Uiteindelijk ging de werknemer na afloop van zijn jaarcontract ziek uit dienst.
Er is vervolgens discussie ontstaan over de hoogte van de uit te betalen transitievergoeding. De vraag is of de periode waarin het loon is stopgezet, wel of niet moet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding.
Als een werkgever een werknemer een transitievergoeding moet betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast.
Deze werknemer had dan ook nog recht op de transitievergoeding over een periode van 21 mei 2025 tot 12 oktober 2025, het moment waarop het dienstverband eindigde.
Voor de bepaling van de hoogte van deze transitievergoeding is van belang wat de arbeidsomvang van de werknemer is geweest. Partijen verschilden van mening over de grootte van deze arbeidsomvang. Volgens de werknemer moest worden uitgegaan van 29,4 uur per week, terwijl er volgens de werkgever sprake was van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.
De kantonrechter stelt de arbeidsomvang vast op 27,6 uur per week. Uit de in het geding gebrachte loonstroken volgt dat in de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid op 23 november 2024 de werknemer gemiddeld 27,6 uur per week werkte. De werknemer heeft dan ook recht op een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur tegen een brutouurloon van € 14,77.
Voor de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding is dus de gemiddelde arbeidsomvang van belang vóór de uitval wegens ziekte.
Je kunt bij het UWV ontslag aanvragen voor een werknemer die meer dan twee jaar ziek is. Deze werknemer heeft dan wel recht op een transitievergoeding. Voor deze transitievergoeding kun je compensatie vragen bij het UWV via de regeling compensatie transitievergoeding.
Het vorige kabinet was van plan om de compensatie te beperken tot kleine werkgevers. Een kleine werkgever is in dit verband een werkgever met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Daarbij wordt gekeken naar het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder. Dit gebeurt nu ook al voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds. In 2026 is een werkgever klein voor deze premie als het totale premieplichtige loon over 2024 niet hoger was dan € 1.082.500.
Het plan was om de beperking tot kleine werkgevers in te voeren per 1 juli 2026. Het wetsvoorstel moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer. Gezien de krappe tijd is de beoogde inwerkingtreding verschoven naar 1 januari 2027.
Let op! Het huidige kabinet heeft het plan om de compensatie van de transitievergoeding van een langdurig zieke per 1 januari 2028 voor alle werkgevers af te schaffen. Ook een kleine werkgevers heeft dus, als dit plan doorgaat, vanaf 1 januari 2028 geen recht meer op compensatie.
Voor de waarde van maaltijden in bedrijfskantines of soortgelijke ruimtes of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie, bedraagt het normbedrag in 2026 € 4,05. In 2025 bedroeg dit bedrag nog € 3,95.
Let op! Het normbedrag – verminderd met een eventuele bijdrage van uw werknemer – is loon voor uw werknemer.
Tip! U kunt er ook voor kiezen om dit loon aan te wijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte. In dat geval betaalt u werknemer hier geen loonbelasting over. U bent dan 80% eindheffing verschuldigd als het totaal van aangewezen loonbestanddelen de vrije ruimte in een jaar overschrijdt.
Voor de extra kosten die verbonden zijn aan thuiswerken kunt u, onder voorwaarden, een onbelaste vergoeding geven aan uw werknemer. Deze onbelaste vergoeding bedraagt in 2026 € 2,45 per dag. In 2025 was dit nog € 2,40.
Verzorgt u huisvesting op de werkplek, dan kan daar onder voorwaarden een nihilwaardering voor gelden. Als deze nihilwaardering niet van toepassing is en er geen sprake is van een (dienst)woning, kunt u onder voorwaarden voor de waarde van de huisvesting in 2026 het normbedrag van € 7,00 per dag aanhouden. In 2025 bedroeg dit normbedrag nog € 6,80 per dag.
Het bedrag van de onbelaste reiskostenvergoeding is in 2026 net als in 2025 € 0,23 per kilometer.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01