Bij het vaststellen van uw rendement in box 3 wordt in beginsel uitgegaan van forfaitaire rendementen. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2025 bedraagt dit forfait voor banktegoeden 1,37%, voor schulden 2,70% en voor overige bezittingen 5,88%.
Voor groene beleggingen geldt in 2025 een vrijstelling van € 26.312. Heeft u een fiscale partner, dan bedraagt de vrijstelling voor u gezamenlijk € 52.624.
De forfaits en de vrijstellingen worden berekend over de waarde op 1 januari 2025, verminderd met eventuele vrijstellingen. Vanwege de peildatum 1 januari 2025 hoeft u in uw aangifte IB 2025 geen rekening te houden met in de loop van 2025 verkregen of gekochte groene beleggingen. Deze tellen dus niet mee voor de berekening van box 3 op basis van het forfaitaire rendement.
Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u ook in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement.
De Belastingdienst laat weten dat u ook voor de berekening van uw werkelijke rendement 2025 geen rekening hoeft te houden met groene beleggingen die u in de loop van 2025 kocht of verkreeg.
Let op! Het beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is.
Rechtbank Arnhem is van mening van wel. Rechtbank Groningen gaf recentelijk aan dat hij dit oordeel niet volgde. Inmiddels is er een derde rechter van Rechtbank Rotterdam die zich over deze vraag heeft uitgelaten. Ook deze rechter, net als Rechtbank Groningen, is van oordeel dat er geen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat het dienstverband slapend is.
Een werknemer raakte arbeidsongeschikt en maakte de wachttijd vol. Vervolgens kreeg hij een IVA-uitkering toegekend. Hij verzocht daarna zelf bij de kantonrechter Rotterdam om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Hij had zijn werkgever herhaalde malen tevergeefs verzocht om het dienstverband dat inmiddels slapend was geworden te beëindigen. De kantonrechter verwees naar een uitspraak van de Hoge Raad van een aantal jaar geleden. Daar heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat als een werkgever geen redelijk belang meer heeft bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst, hij positief moet reageren op een verzoek van een werknemer om mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per direct.
Nu de arbeidsovereenkomst werd ontbonden, moest er ook een eindafrekening worden opgemaakt. Volgens de werknemer had hij nog 312 verlofuren die moesten worden uitbetaald, waarvan er 152 zijn opgebouwd tijdens zijn dienstverband en de overige na 9 oktober 2024, het einde van de wachttijd. De werknemer verwees naar de wet waarin is bepaald dat het recht op vakantie is gekoppeld aan het recht op loon in strijd is met Europese regelgeving.
De kantonrechter oordeelt evenwel anders en verwijst naar het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). Die heeft bepaald dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. Volgens de kantonrechter zijn die specifieke omstandigheden er bij een slapend dienstverband.
Na afloop van de wachttijd heeft de werknemer geen re-integratieverplichting meer, zodat de recuperatiefunctie van vakantie zijn doel verliest. Daarnaast heeft een zieke werknemer die niet kan werken na de wachttijd recht op een uitkering, en op grond van die uitkering recht op betaalde vakantie.
Let op! De stand is dus momenteel 2-1 in het voordeel van geen opbouw van vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband. Gelet op de tegenstrijdige uitspraken door de verschillende rechtbanken zou het wenselijk zijn als hierover door de Hoge Raad – eventueel in het kader van te stellen prejudiciële vragen – duidelijkheid zou worden gegeven.
Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 een vast douanerecht van € 3 per product geheven. Dit gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat, is vanaf 1 juli 2026 dus drie keer € 3 vast douanerecht verschuldigd.
Het douanerecht is straks van toepassing op alle goederen die de EU binnenkomen als de verkopers van buiten de EU zijn geregistreerd in het éénloketsysteem voor invoer van de EU. In het éénloketsysteem is 93% van alle e-commerce naar de EU geregistreerd.
Let op! De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten van € 150 of meer gelden nu namelijk al douanerechten.
Het betreft een tijdelijke oplossing tot 2028. De Raad van de Europese Unie heeft namelijk in november 2025 al toegezegd zo snel mogelijk douanerechten voor kleine pakketten in te voeren. Na invoering zal over alle goederen van minder dan € 150 douanerechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten.
Er ligt ook een voorstel om, naast het vast douanerecht, nog een handling heffing in te voeren van € 2 voor administratiekosten. Dit zou in moeten gaan vanaf november 2026, maar het kabinet dringt er bij de EU op aan om dit te vervroegen naar 1 juli 2026.
Daarnaast ligt er een voorstel voor een eerdere nationale handling fee. Italië en Roemenië voerden al zo’n nationale handling fee in, Frankrijk voert dat in vanaf 1 maart 2026. Nederland blijft echter de voorkeur hebben voor een Europese aanpak. De besluitvorming voor zo’n nationale handling fee blijft daarom vooralsnog uitgesteld.
Let op!De staatssecretaris van Financiën blijf de ontwikkelingen in andere EU-landen en op EU-niveau scherp volgen. Mogelijk leidt dat alsnog tot besluitvorming over invoering van een nationale handling fee.
In een aan de Belastingdienst voorgelegde vraag geeft een werkgever aan werknemers een betaalkaart. Met deze betaalkaart kunnen de werknemers tot maximaal € 9 per dag en maximaal € 90 per maand een maaltijd betalen ten laste van de werkgever. Is de maaltijd duurder dan € 9, dan komt het meerder ten laste van de eigen rekening van de werknemer.
Besteedt een werknemer minder dan € 9 op een dag aan een maaltijd, dan blijft het restant beschikbaar voor andere dagen. Is aan het einde van de maand nog geld op de betaalkaart over, dan vervalt dit bedrag.
Als de werknemer met de kaart maaltijden in de bedrijfskantine op de werkplek betaalt, kan de werkgever niet volstaan met een bijtelling van het normbedrag voor maaltijden op de werkplek (in 2026 € 4,05 per maaltijd). Het daadwerkelijke bedrag van de maaltijd tot maximaal € 9 per dag vormt loon volgens de Belastingdienst. De Belastingdienst vindt namelijk dat de betaling met de betaalkaart loon in geld is en geen loon in natura. Alleen bij loon in natura had aangesloten kunnen worden bij het normbedrag voor maaltijden.
Dat is niet anders als de werknemer de betaalkaart gebruikt voor betalingen aan een bezorgplatform, ook als de maaltijd op de werkplek wordt bezorgd. Ook dan is het volgens de Belastingdienst niet mogelijk om aan te sluiten bij het normbedrag voor maaltijden op de werkplek.
Let op! Ook bij gebruik van de betaalkaart voor eten in een restaurant of broodjeszaak vormt het daadwerkelijke bedrag loon voor de werknemer.
Als u de gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kunt toepassen, vormen de bedragen van de betaalkaart overigens geen loon. De uitkomst is dan dus anders dan hiervoor beschreven.
Die gerichte vrijstelling kunt u onder meer toepassen bij maaltijden tijdens dienstreizen of bij maaltijden die een meer dan bijkomstig zakelijk karakter hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval als uw werknemers door hun werk niet tussen 17.00 en 20.00 uur thuis kunnen eten of door overwerk niet na 20.00 uur thuis kan eten of bij werk op koopavonden.
In de Gemeentewet is sinds eind 2025 opgenomen dat een gemeente een leegstandsbelasting kan opleggen aan onder meer de eigenaar van de woning voor binnen de gemeente gelegen woningen die langer dan twaalf maanden leegstaan.
De hoogte van zo’n leegstandsbelasting wordt bepaald door de gemeente. Dit betekent dat niet alle gemeenten hoeven te kiezen voor een dergelijke belasting. Het betekent ook dat, als gemeenten voor een leegstandsbelasting kiezen, deze in hoogte kan verschillen per gemeente.
Het artikel in de Gemeentewet over de leegstandsbelasting is nog niet ingevoerd. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening werkt nu aan het Koninklijk Besluit dat de inwerkingtreding van dit artikel regelt.
Gemeenten kunnen hiermee wel al aan de slag. Een gemeente moet namelijk eerst nog een verordening opstellen voordat de twaalf maanden leegstand gaan lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt aan een modelverordening die gemeenten hiervoor zouden kunnen gebruiken.
In de praktijk zegt de curator kort na de faillietverklaring alle arbeidsovereenkomsten op, waarna het UWV de salarisbetalingen overneemt op grond van de loongarantieregeling in de WW. In dat verband wordt ook wel gesproken van een faillissementsuitkering.
De navolgende betalingsverplichtingen komen voor overname door het UWV in aanmerking:
De hoogte van de uitkering op grond van deze regeling is beperkt tot, kort gezegd, anderhalf maal het maximumdagloon volgens de sociale verzekeringswetten.
De eerste (voorschotten op) betalingen door het UWV volgen vaak na vier á vijf weken. Dat is soms wel anderhalve maand of meer na de reguliere betaaldatum van het salaris.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen beantwoord, waar het ging om de vraag of werknemers ten aanzien van een failliete werkgever recht hebben op wettelijke rente en/of wettelijke verhoging bij te late betaling van het salaris.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de boedel/curator zowel de wettelijke rente als ook de wettelijke verhoging verschuldigd is bij te late betaling van het salaris. Het is niet van belang dat vooraf duidelijk is dat het UWV gaat betalen. Er kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, aanleiding zijn om de wettelijke verhoging (maximaal 50%) te matigen. Dit moet in individuele gevallen door de rechter worden beoordeeld. Het faillissement of de betalingsonmacht kan daarbij een grond voor matiging zijn. Verder betreft de wettelijke verhoging een preferente boedelvordering en de wettelijke rente een concurrente boedelschuld.
Daarnaast gaf de Hoge Raad aan dat het bij een goede vervulling van de taak van de curator past, dat hij werknemers er kort op wijst dat zij ten aanzien van de boedel aanspraak kunnen maken op betaling van loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging.
De vergoeding van de tijdelijke verblijfskosten kan alleen belastingvrij als voldaan wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling. Uw werknemer moet dan een zogenaamde ambulante werknemer zijn. Dat is het geval als uw werknemer steeds naar verschillende arbeidsplaatsen reist of als hij doorgaans één keer per week op maximaal 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats reist.
Let op! Het gaat om een aaneengesloten periode waarin de 20 dagen vallen. Bij een incidentele onderbreking loopt de referentieperiode waarin de 20 dagen berekend worden gewoon door. Bij een langere onderbreking begint een nieuwe referentieperiode voor het tellen van de maximale 20 dagen.
De gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kan ook gelden in de situatie dat een werknemer om zakelijke redenen (nog) niet bij de plaats van het werk gaat wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tijdelijke projecten of als een werknemer nog in de proeftijd zit.
Het is toegestaan om voor de vergoeding van de tijdelijke verblijfkosten aan te sluiten bij de onbelaste verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren op dienstreis kunnen krijgen.
U mag dat doen voor werknemers die met dezelfde soort kosten worden geconfronteerd als ambtenaren op dienstreis. Dat is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden als ambtenaren op dienstreis. Er moet ook sprake zijn van een dienstreis. Zo zal bijvoorbeeld voor een bouwvakker die voor een periode van vier weken werkzaam is op een project, geen sprake zijn van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.
Verder is vereist dat u vergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekent aan uw werknemers als volgens de cao Rijk. Dit betekent overigens niet dat u ook alle vergoedingen moet betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. U moet hierbij meer denken aan bijvoorbeeld de minimale verblijfsduur en de in de cao Rijk genoemde hoogte van de vergoedingen.
De vergoedingen en gericht vrijgestelde bedragen voor ambtenaren op binnenlandse dienstreizen zijn in 2026:
| Verblijfkosten | Vergoeding cao Rijk | Gericht vrijgesteld |
| Kleine uitgave overdag | € 7,35 | € 6,56 |
| Kleine uitgaven ’s avonds | € 21,92 | € 13,12 |
| Logies | € 164,52 | € 162,74 |
| Ontbijt | € 16,07 | € 16,07 |
| Lunch | € 22,19 | € 12,97 |
| Avondmaaltijd | € 33,57 | € 32,56 |
Let op!Behalve dat u moet aansluiten bij deze vergoedingen, moet u dus ook dezelfde voorwaarden hanteren. De bedragen en voorwaarden vindt u in onderdeel 10.2 van de cao Rijk.
Uit de voorwaarden komt onder meer naar voren dat een ambtenaar die de kosten van de dienstreis declareert geen betaalbewijzen hoeft bij te voegen van bovenstaande uitgaven.
U kunt deze kosten daarom ook aan uw werknemer vergoeden zonder dat deze een factuur of betaalbewijs hiervan overlegt. Uiteraard moet wel aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer daadwerkelijk voor het werk heeft gereisd en overnacht.
Ook moet de werknemer daadwerkelijk kosten maken. Voor een werknemer die (nagenoeg) geen kosten maakt, kunt u niet aansluiten bij de gerichte vrijgestelde vergoeding in de cao Rijk.
Let op! Voor zover de vergoeding hoger is dan het gericht vrijgestelde bedrag, vormt dat meerdere individueel loon bij de werknemer. U kunt er ook voor kiezen het meerdere, mits gebruikelijk, aan te wijzen in de vrije ruimte.
Ook voor buitenlandse dienstreizen geldt dat aangesloten moet worden bij de voorwaarden en bedragen in de cao Rijk (zie onderdeel 10.3 van de cao Rijk). De berekening van de bedragen voor buitenlandse dienstreizen is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Een overzicht vindt u in bijlage 6 van de cao Rijk.
Tip! Wilt u voor werknemers aansluiten bij de verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren krijgen op een buitenlandse dienstreis of heeft u andere vragen, neem dan voor meer informatie contact met ons op.
Het staat al jaren op de planning, maar is nog steeds niet ingevoerd: de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum maximaal 10% van het opgebouwde pensioen in één keer uit te laten betalen. De gepensioneerde mag dit bedrag vrij besteden, er is dus geen verplicht bestedingsdoel.
Let op!De opname van een bedrag ineens kan overigens wel gevolgen hebben voor het recht op toeslagen.
Oorspronkelijk was het plan om deze mogelijkheid per 1 januari 2023 in te laten gaan, maar de ingangsdatum is keer op keer uitgesteld. De laatste stand van zaken was dat het niet eerder dan 1 juli 2026 zou ingaan. Vanwege de voorbereidingstijd die nodig is, is inmiddels duidelijk dat die ingangsdatum niet gehaald wordt. Het is aan het nieuwe kabinet om te besluiten over een nieuwe inwerkingtredingsdatum.
Tip! De mogelijkheid 10% ineens op te nemen komt ook beschikbaar voor lijfrentes.
Het is van groot belang goed op de voorwaarde van 30 jaar te letten, zeker als u een hypotheek oversluit. In een zaak die speelde bij Rechtbank Noord-Nederland had een belastingplichtige de in 2014 afgesloten hypothecaire lening in 2021 overgesloten bij een andere bank. De nieuwe lening was opnieuw afgesloten voor een periode van 30 jaar.
Omdat er inmiddels al zeven jaren waren verlopen sinds de oorspronkelijke lening was afgesloten, was de looptijd van opnieuw 30 jaar van de nieuwe hypothecaire lening te lang. Het gevolg was dat de rente die betrekking had op de nieuwe lening, helemaal niet meer aftrekbaar was. Ook de financieringskosten van het oversluiten van de nieuwe lening waren daardoor niet aftrekbaar.
De belastingplichtige voerde aan dat de lening in 2024 was aangepast, waarbij voor de looptijd werd uitgegaan van 30 jaren onder aftrek van de inmiddels verstreken jaren. De rechtbank was echter van mening dat aan deze correctie geen terugwerkende kracht kon worden verleend en liet de aanslag in stand.
Dat de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond, deed volgens de rechtbank niet ter zake. De lening voldeed bij het aangaan van de schuld niet aan de wettelijke voorwaarden en dit kon achteraf niet worden hersteld.
Voor woningen vanaf € 75.000 geldt het EWF van 0,35%, voor woningen met een WOZ-waarde vanaf € 1.350.000 geldt een hoger EWF van 2,35% over het meerdere.
Al langer vragen met name bezitters van duurdere woningen zich af of dit hogere forfait in strijd is met het Europese recht. Ze voeren onder meer aan dat er strijdigheid is met het gelijkheidsbeginsel en dat er geen redelijke verhouding meer is tussen het gehanteerde middel van de heffing en het beoogde doel.
In een zaak die eind oktober vorig jaar speelde voor Gerechtshof Amsterdam, kwam het Hof tot de conclusie dat het hoge forfait niet in strijd is met het Europese recht. Het hogere forfait is mede ingevoerd vanwege het beleggingsaspect dat voor duurdere woningen zou gelden, naast het bestedingsaspect in de vorm van het woongenot. Een vergelijkbare zaak werd behandeld door Rechtbank Den Haag en ook die komt tot de conclusie dat er geen strijd is met het Europese recht.
In deze zaak handelde het om een woning met een WOZ-waarde van € 1.683.000. In het jaar betreffende jaar (2023) kwam het EWF uit op € 15.550. Vanwege dit hoge forfait was van de betaalde hypotheekrente van € 24.533 slechts een bedrag van € 8.983 aftrekbaar.
De discussie rond het hoge forfait staat de laatste tijd extra in de belangstelling vanwege de versnelde afbouw van de aftrek volgens de Wet Hillen. Bezitters van een eigen woning met een geringe hypotheek kunnen namelijk niet het hele rentebedrag in aftrek op het EWF brengen, als het EWF hoger is dan de aftrekbare hypotheekrente. Het niet-aftrekbare bedrag zou oorspronkelijk pas in 2048 zijn terugbracht naar nihil, maar in het Belastingplan 2026 is dit vervroegd naar 2041. Vanaf dit jaar gaat men in deze situatie dus minder profiteren van de aftrek van de hypotheekrente, ook als met te maken heeft met de villatax.
In dit kader is ook van belang dat de aftrek van hypotheekrente van de eigen woning beperkt is tot maximaal 30 jaar. Bij leningen die vóór 2001 zijn afgesloten, begint deze termijn op 1 januari 2001. Aftrek van hypotheekrente is na 30 jaar dan niet meer mogelijk, terwijl voor duurdere woningen wel de villatax van kracht blijft.
Vanwege het grote belang van de uitspraken is het vrijwel zeker dat deze worden voorgelegd aan de Hoge Raad. Pas dan zal duidelijk worden of de villatax in stand kan blijven.
© 2024 HLB Nannen | Cookie statement | Privacy statement | Algemene voorwaarden | KVK 01140751 | BTW NL0033 79 760 B01